De Rechtbank Rotterdam oordeelt in zijn uitspraak van 31 juli 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:10871) dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat (“IenW”) zich bij het nemen van de gedoogplichtbeschikking (art. 10.11 Omgevingswet, “Ow”) op toereikende wijze invulling heeft gegeven aan zijn vergewisplicht. Aanleiding voor dit oordeel was het geschil over de aan de gemeente (als rechthebbende van verschillende percelen grond) en diens erfpachter opgelegde gedoogplicht in het kader van de aanleg en instandhouding van een ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding, nadat het overleg van de netbeheerder met beide partijen over het vestigen van een opstalrecht niet tot minnelijke overeenstemming had geleid. In beroep betogen de gemeente en de erfpachter dat de minister niet bevoegd was een gedoogplicht op te leggen, omdat niet aan alle voorwaarden van art. 10.11 Ow zou zijn voldaan.

In het bijzonder zou de netbeheerder volgens beide partijen geen redelijke poging hebben ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen over het gebruik van de betrokken gronden (sub c). De rechtbank overweegt dat de minister zich voorafgaand aan het nemen van de gedoogplichtbeschikking – die, ook in dit geval, strekt tot (i) het dulden van de aanwezigheid van een ondergrondse leiding, (ii) het toestaan van inspectie en onderhoud, en (iii) het verankeren van de plicht voor rechthebbenden om bij hun handelen rekening houden met de aanwezigheid van het betreffende werk van algemeen belang (zie hierover ons eerdere blogbericht) - ervan moet vergewissen dat de netbeheerder een serieuze en redelijke poging heeft ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Daarbij moet de minister onderzoeken of de voorstellen die de aanvrager heeft gedaan om tot minnelijke overeenstemming te komen niet op voorhand onwerkelijk en onredelijk zijn. Deze onder het oude recht (Belemmeringenwet Privaatrecht) reeds geformuleerde eis geldt volgens de rechtbank onverminderd onder de werking van de Ow. Omdat de minister naar het oordeel van de rechtbank in dit geval toereikend heeft onderbouwd dat sprake is geweest van een redelijke en serieuze poging om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen en het besluit ook overigens in overeenstemming is met het recht, concludeert de rechtbank dat de minister de gedoogplichtbeschikking mocht nemen.