In de uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2026:3993 d.d. 9 juni 2026 was onder de oude Wabo (en het Bor) voor de maximale termijn van 10 jaar een vergunning verleend voor het gebruik van een kantoorpand als woonruimte in afwachting van nieuwbouw ter plaatse. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het college bevoegd om een eerder verleende tijdelijke omgevingsvergunning te verlengen zonder een maximale termijn door middel van een BOPA. Voorwaarde is wel dat een concrete vergunning de toets der kritiek kan doorstaan. En dat brengt ons bij de kern van de Omgevingswet: ETFAL.

Een verlenging is alleen mogelijk als er sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) (art. 8.0a lid 2 Bkl). De rechter bevestigt in deze uitspraak de lijn dat dit een zuiver ruimtelijke afweging van de fysieke leefomgeving betreft. Het college onderbouwde de ETFAL succesvol met de volgende argumenten:
Hoe om te gaan met overlast en beheer? Omwonenden vreesden en ervaarden structurele overlast (afval, geluid, parkeren) door de doelgroep (dak- en thuislozen). Moet een vergunning daarom worden geweigerd? De rechter bevestigt een hele duidelijke streep: gedrag is geen ruimtelijke ordening. De gevreesde overlast en problemen met de sociale veiligheid vloeien niet noodzakelijkerwijs voort uit het bestreden besluit (de vergunning om te wonen). Individueel wangedrag van bewoners (zoals afval naast de container zetten) en de manier waarop het feitelijke beheer wordt uitgevoerd, zijn uitvoerings- en handhavingskwesties. Deze beheerproblemen maken het ruimtelijke gebruik op zichzelf niet onaanvaardbaar. Eventuele specifieke zorgen over beheer kunnen via aanvullende vergunningsvoorschriften in de bezwaarprocedure worden getackeld, maar vormen geen reden om de vergunning via een voorlopige voorziening te schorsen.
Kortom
Deze uitspraak bevestigt dat we met de Omgevingswet en de BOPA uitstekend uit de voeten kunnen voor tijdelijke (transitie)opgaven.