Op 3 augustus 2026 is de inmiddels 183e BOPA-uitspraak gepubliceerd, ditmaal van de Rechtbank Gelderland. Eiseres betoogt dat het participatiebeleid niet goed is toegepast. Vergunninghouder heeft een brief gestuurd aan een toekomstige bewoner van de twee-onder-een-kapwoning, maar niet aan de andere omwonenden en belanghebbenden.

Voor de gemeente Oldebroek heeft de gemeenteraad in zijn beleid vastgelegd dat voor alle omgevingsvergunningen voor BOPA's verplicht aan participatie moet worden gedaan. Dat betekent dat vergunninghoudster dus ook voor dit project (verplicht) aan participatie heeft moeten doen.
Uit de stukken blijkt dat het bouwplan aangetekend is verstuurd aan de [adres 1] . Op dat moment woonde familie [naam] op dat adres, dit zijn de toekomstige bewoners van de 2-onder-1-kap woning. Niet is gebleken dat vergunninghoudster het bouwplan ook aan eiseres – verhuurster van [adres 1] en wonend op een ander adres - heeft gezonden. De rechtbank stelt daarom vast dat vergunninghoudster het bouwplan voor participatie enkel aan de bewoners van de [adres 1] (familie [naam] ) heeft gestuurd, maar niet naar eiseres. De rb. oordeelt dat het toezenden van het bouwplan aan slechts één van de belanghebbenden te weinig is voor een deugdelijke participatie als bekend is dat er meerdere belanghebbenden zijn. Dit geldt temeer nu het familie [naam] mede-initiatiefnemer van het bouwplan was en dus reeds op de hoogte was van de plannen, terwijl voor de hand lang dat eiseres als eigenaar van direct aangrenzende percelen ook de gelegenheid zou willen hebben om te participeren. Dat eiseres toch op de hoogte is geraakt van het bouwplan en een zienswijze heeft ingediend, doet daaraan niet af.
Passeren van een gebrek in de voorbereiding van het besluit is mogelijk met toepassing van art. 6:22 Awb, als aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Eiseres wenst dat alsnog participatie kan plaatsvinden via een nieuwe schriftelijke overlegronde met het college en vergunningshoudster. Deze overlegronde zou er mogelijk toe kunnen leiden dat de aanvraag en/of het besluit op onderdelen zou worden aangepast. In dit geval ligt passeren met toepassing van art. 6:22 Awb voor de hand omdat de rb. van oordeel is dat een nieuwe schriftelijke overlegronde geen meerwaarde heeft. Eiseres en vergunninghoudster zijn moeder en dochter die al jarenlang niet op goede voet met elkaar staan. Eiseres heeft haar argumenten tegen de tijdelijke voorzieningen in de bezwaarfase al uitgewisseld en haar argumenten hebben niet tot een aanpassing van de omgevingsvergunning geleid. Verder is ook niet gebleken van andere belanghebbenden die in hun belangen zijn geschaad door de wijze van participatie. Gelet hierop is de rb. van oordeel dat het gebrek gepasseerd kan worden met art. 6:22 Awb.
Lees meer in de PDF