De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 15 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4120) dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de met aangetekende post verstuurde bestuurlijke boete niet op regelmatige wijze op diens adres is aangeboden, zodat het college van burgemeester en wethouders (“college”) het daartegen gerichte bezwaar niet wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn niet-ontvankelijk had mogen verklaren.

Appellant stelt dat de aangetekende post niet op zijn adres is aangeboden en dat de bezorger evenmin een afhaalbericht heeft achtergelaten. Omdat hij na ontvangst van de (niet-aangetekend verzonden) aanmaning direct contact heeft gezocht met het college over het boetebesluit, betoogt appellant dat het college hem het overschrijden van de bezwaartermijn niet mag tegenwerpen. De Afdeling stelt vast dat uit het ’Track & Trace’-overzicht blijkt dat volgens het interne systeem van PostNL is gepoogd het stuk op het adres van appellant uit te reiken, maar dat de bezorging niet is gelukt en PostNL het stuk naar een PostNL-afhaalpunt heeft gebracht. De Afdeling gaat er daarom in beginsel van uit dat PostNL, overeenkomstig haar vaste werkwijze, een afhaalbericht bij appellant heeft achtergelaten. De Afdeling overweegt dat, als een belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht (op het juiste adres) is ontvangen, het op diens weg ligt om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belanghebbende hierin, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden. Volgens de Afdeling heeft appellant in dit geval de ontvangst van een afhaalbericht van PostNL consistent en stellig ontkend. Daartoe stelt appellant dat ook het versturen van het voornemen tot het opleggen van de boete niet op regelmatige wijze is verlopen. Dat er in de binnenstad veel problemen zijn met bezorging van aangetekende post is bovendien inmiddels algemeen bekend: er is weinig gelegenheid tot parkeren en dus worden adressen overgeslagen. De Afdeling concludeert dat appellant het bewijsvermoeden van correcte verzending hiermee voldoende heeft ontzenuwd; dat appellant het college had kunnen verzoeken om verzending van het besluit per e-mail, zoals het college betoogt, doet daar volgens de Afdeling niet aan af.