Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Voorbereidingsbesluit onverbindend wegens strijd met de Ow

Op 30 juli 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan over de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw met circa 300 studentenwoningen en een circulaire pannenkoekenherberg. Deze weigering had het college van B&W van Tilburg gegrond op voorbeschermingsregels die de raad van Tilburg in het omgevingsplan had opgenomen. Ten onrechte, oordeelt de rechtbank, omdat de raad daarmee de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden.

24 August 2026

Samenvattingen

Op grond van artikel 4.14 Ow kan de raad een voorbereidingsbesluit nemen en voorbeschermingsregels in het omgevingsplan opnemen, met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels.[2] Deze bepaling heeft tot doel te voorkomen dat, gedurende de periode dat een omgevingsplanwijziging wordt voorbereid, op basis van het geldende omgevingsplan ontwikkelingen kunnen plaatsvinden die het nieuwe planologische regime kunnen frustreren. Aan deze bevoegdheid zijn echter wel beperkingen gesteld: deze kunnen, kort gezegd, alleen activiteiten beperken die nog niet plaatsvinden maar op grond van het omgevingsplan wel rechtstreeks zijn toegestaan.

De raad van Tilburg had een dergelijk voorbereidingsbesluit genomen, op grond waarvan de bouw- en gebruiksmogelijkheden werden beperkt tot het bestaande feitelijk gebruik. Daarna was de onderhavige omgevingsvergunning aangevraagd, die zoals gezegd was geweigerd onder verwijzing naar het voorbereidingsbesluit. De aanvrager betoogde echter dat het college dat niet mocht, omdat het voorbereidingsbesluit een ruimere strekking had dan op grond van artikel 4.14, derde lid, van de Ow was toegestaan. De voorbeschermingsregels strekten zich namelijk niet alleen uit tot activiteiten die op grond van het omgevingsplan rechtstreeks waren toegestaan, maar raakten ook aanvragen die daarmee in strijd waren, zoals het onderhavige bouwplan.

Daar gaat de rechtbank in mee. Omdat het voorbereidingsbesluit van beroep is uitgezonderd, kan dit volgens de rechtbank exceptief getoetst worden. De voorbeschermingsregels moeten volgens de rechtbank letterlijk worden uitgelegd, en omdat in de bestreden planregel niet met zoveel woorden de voorwaarde was neergelegd dat het uitsluitend betrekking had op activiteiten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, is deze regel onverbindend wegens strijd met artikel 4.14, derde lid, van de Ow. Het betoog van het college, dat de voorbereidingsregels in samenhang met artikel 4.14 Ow moesten worden gelezen en dat die voorwaarde daarin besloten geacht moest worden te liggen, volgt de rechtbank dus niet. Omdat het weigeringsbesluit echter ook gebaseerd was op een tweede voorbeschermingsregel uit het voorbereidingsbesluit, waartegen de aanvrager geen gronden had aangevoerd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

Deze uitspraak toont goed de reikwijdte van een voorbeschermingsregel. Die kan alleen een stop zetten op activiteiten die anders zonder nadere afweging zouden zijn toegestaan. Voor activiteiten die toch al niet zouden zijn toegestaan (en dus met een BOPA zouden moeten worden vergund), moet in principe een ETFAL-afweging plaatsvinden, zo voert de aanvrager onzes inziens terecht aan. Omdat de voorbeschermingsregels niet volledig zijn aangevallen, kan dat betoog haar echter niet baten.

[2] Onder de Wro bestond deze mogelijkheid ook, in artikel 3.7.