De rechtbank Den Haag oordeelt dat de gemeenteraad van Wassenaar een voorkeursrecht op de renbaan Duindigt mocht vestigen op grond van artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder c, Ow. De structuurvisie, die als omgevingsvisie geldt, noemt de renbaan weliswaar, maar vraagt slechts om een visie op het gebied. Daarmee is geen functie of moderniseringslocatie toegedacht, zodat de raad zelf een functie mocht toedenken. Die functie (moderniseringslocatie, al dan niet aangevuld met andere niet-agrarische functies) is volgens de rechtbank voldoende richtinggevend. De weigering om de aanbiedingsplicht te ontheffen houdt eveneens stand.

Op 1 juli 2025 vestigde het college van Wassenaar een voorlopig voorkeursrecht op het complex van draf- en renbaan Duindigt, nadat een openbare executieverkoop was aangekondigd. De gemeenteraad volgde op 22 september 2025 met een definitief voorkeursrecht. Eiseres, Stichting Beheer Renbaan Duindigt, had de percelen in 2023 al verkocht aan Stichting Villa Betty (SVB), maar die levering was nog niet afgerond.
Het meest interessante deel van de uitspraak betreft de grondslag voor de vestiging van het voorkeursrecht. Volgens de wetgever moet altijd de meest concrete grondslag worden gebruikt (Kamerstukken II 2018/19, 35133, nr. 3, p. 75, aangehaald door de rechtbank). Is de functie al toegedeeld in het omgevingsplan, dan is artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow aan de orde. Is zij toegedacht in een omgevingsvisie of programma, dan onder b. Pas als dat niet het geval is, kan de raad in de voorkeursrechtbeschikking zelf een functie toedenken (onder c). Eiseres betoogde dat de Structuurvisie Wassenaar 2025, die onder de Omgevingswet geldt als omgevingsvisie, de renbaan al noemt, zodat grondslag c was uitgesloten.
De rechtbank gaat daar niet in mee. In de structuurvisie staat dat Duindigt e.o. nog op de agenda staat, dat herontwikkeling bijdraagt aan natuur- en cultuurhistorische waarden en dat initiatieven voor uitbreiding of functiewijziging vragen om een visie op het gebied. Dat is volgens de rechtbank niet meer dan dat: er wordt geen richting gegeven aan de vorm van herontwikkeling, en dus is geen niet-agrarische functie of moderniseringslocatie toegedacht. Beslist is dus dat het noemen van een locatie, het agenderen ervan en de constatering dat herontwikkeling wenselijk is, niet volstaan voor grondslag b. De rechtbank zegt niet hoe concreet een visie wel moet zijn. Uit het oordeel valt af te leiden dat de inhoud van de passage telt en niet de vermelding van het gebied, maar de uitspraak geeft daarvoor geen maatstaf.
De locatie is in de voorkeursrechtbeschikking aangewezen als moderniseringslocatie met aanvullende functies die “niet-agrarisch zijn en afwijken van het huidige gebruik”. Deze omschrijving van functies vond appellant te ruim. De rechtbank oordeelt echter dat de aanwijzing als moderniseringslocatie voldoende is als grondslag voor de vestiging van het voorkeursrecht. Dat de benoeming van de aanvullende functies zeer ruim is, doet daar niet aan af, aldus de rechtbank.
De vraag is hoe de rechtbank zou hebben geoordeeld als de locatie niet was aangewezen als moderniseringslocatie, maar aan de locatie een “niet-agrarische functie die afwijkt van het huidige gebruik” zou zijn aangewezen. Een dergelijk ruime omschrijving lijkt mij niet concreet genoeg.
Rb. Den Haag 22 september 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBDHA:2026:27066.