Rechtbank Midden-Nederland 11 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6115. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen vier besluiten, waarbij het college omgevingsvergunningen heeft verleend voor het bouwen van (vier) bouwblokken die deel uitmaken van een nieuwbouwproject.

In haar verzoeken om voorlopige voorzieningen vraagt verzoekster om schorsing van de verleende omgevingsvergunningen voor zover daarbij graaf-, sloop-, sanerings-, bouwput-, kelder-, funderings-, sonderings-, bemalings- of andere bodemverstorende werkzaamheden mogelijk worden gemaakt. Dergelijke werkzaamheden kunnen er volgens verzoekster namelijk toe leiden dat bodemkundig - en bewijsrechtelijk relevant materiaal verloren gaat in het bodemkundig geschil waarin zij met de gemeente is verwikkeld, vóórdat volledige bewijsborging en brononderzoek heeft plaatsgevonden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzoeken niet voldoen aan het vereiste van materiële connexiteit. Wat verzoekster wil bereiken heeft geen betrekking op de inhoud van de verleende omgevingsvergunningen.
De omgevingsvergunningen zijn (uitsluitend) verleend voor de bouwactiviteit technisch en de bouwactiviteit omgevingsplan. Dat betekent dat schorsing van de verleende omgevingsvergunningen niet voorkomt dat de door verzoekster genoemde bodemverstorende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Uit de verleende omgevingsvergunningen blijkt weliswaar dat de vergunninghouder nog meldingen moet doen van het saneren van de bodem, graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie, maar die meldingsplichten maken geen onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunningen. De verzoeken om voorlopige voorziening kunnen dus niet tot het door verzoekster beoogde doel leiden. De verzoeken zijn daarom niet-ontvankelijk.