Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Was een sloopmelding nodig en een asbestinventarisatierapport o.g.v. het Bbl? wat is 'slopen' onder de Ow?

Een interessante uitspraak voor de handhavingsjurist is deze van de rechtbank Zeeland West-Brabant van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4645 over of er sprake was van een vereiste sloopmelding en wat 'slopen' in het Bbl precies betekent.

2 June 2026

Samenvattingen

In artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl staat dat het verboden is een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. Onder oud recht was dezelfde regel opgenomen in artikel 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Tussen partijen is niet in geschil dat werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat voorafgaand aan die werkzaamheden geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl.

Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat tijdens de controles is geconstateerd dat die werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als sloopwerkzaamheden. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat uitsluitend dingen werden gedemonteerd en dat daarom geen sprake was van slopen. Slopen wordt in de Omgevingswet (Ow) gedefinieerd als het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal wordt ‘demonteren’ omschreven als ‘uit elkaar nemen’. Demonteren valt daarom ook binnen het begrip slopen.

Het college heeft ook kunnen concluderen dat een melding voor die sloopwerkzaamheden verplicht was, omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedroeg. Het college hoefde de feitelijke omvang niet specifiek vast te stellen door middel van een berekening, zoals eisers lijken te stellen, maar mochten een redelijke inschatting maken.

Tevens wordt in de uitspraak getoetst of op basis van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl een asbestinventarisatierapport noodzakelijk is.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Toezichthouders van de gemeente Schouwen-Duiveland hebben op 14, 15, 16 en 17 januari 2025 controles uitgevoerd bij het perceel en in het pand. Zij hebben hun bevindingen opgenomen in een controlerapport. Tijdens die controles is geconstateerd dat sloopwerkzaamheden werden uitgevoerd in het pand, zonder sloopmelding en zonder asbestinventarisatierapport. Dat is volgens het college in strijd met artikel 3.5, 7.9, eerste lid, en 7.10, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast is geconstateerd dat een afvalcontainer op de openbare weg stond, zonder ontheffing op grond van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: APV). Op 17 januari 2025 hebben de toezichthouders bestuursdwang toegepast door het pand te sluiten en te verzegelen. Het college heeft dat in een besluit van 20 januari 2025 (primair besluit I) op schrift gesteld. Uit dat besluit blijkt dat naast de toegepaste bestuursdwang ook een last onder dwangsom is opgelegd. Het college heeft eisers gelast om de sluiting en verzegeling van het pand na te (laten) leven en na te (laten) blijven leven. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 25.000,- ineens.

Overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl

Tussen partijen is in geschil of het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl.

In artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl staat dat het verboden is een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. Onder oud recht was dezelfde regel opgenomen in artikel 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695, r.o. 4.2 over die bepaling blijkt dat beoordeeld kan worden of die bepaling is overtreden door de inhoud van de aanwezige containers op te tellen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl.

Tussen partijen is niet in geschil dat werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat voorafgaand aan die werkzaamheden geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl.

Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat tijdens de controles is geconstateerd dat die werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als sloopwerkzaamheden. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat uitsluitend dingen werden gedemonteerd en dat daarom geen sprake was van slopen. Slopen wordt in de Omgevingswet (Ow), artikel 1.1, eerste lid, van de Ow en de daarbij behorende bijlage bij de Ow, gedefinieerd als het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal wordt ‘demonteren’ omschreven als ‘uit elkaar nemen’. Demonteren valt daarom ook binnen het begrip slopen.

Het college heeft ook kunnen concluderen dat een melding voor die sloopwerkzaamheden verplicht was, omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedroeg. Het college hoefde de feitelijke omvang niet specifiek vast te stellen door middel van een berekening, zoals eisers lijken te stellen, maar mochten een redelijke inschatting maken. Gelet op de uitgevoerde én geplande sloopwerkzaamheden heeft het college het aannemelijk kunnen achten dat de totale hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m3 zal bedragen. De reeds verrichte sloopwerkzaamheden bestonden op het moment van de controles uit het strippen van het pand en het verwijderen van een trap en mozaïektegels. Daarnaast is verklaard dat meer sloopwerkzaamheden plaats zouden vinden, namelijk het slopen van een oude schoorsteen, het maken van een doorbraak naar het naastgelegen pand aan de [adres 2] en het vernieuwen van de verdiepingsvloer. Het college heeft daar ook bij in aanmerking kunnen nemen dat op 17 januari 2025 een zo goed als volle afvalcontainer is aangetroffen met een maximale inhoud van ongeveer 10 m3, dat toen is verklaard dat al sloopafval is afgevoerd en dat in het pand ook nog sloopafval lag. Dat niet duidelijk is hoeveel afval al was afgevoerd acht de rechtbank niet relevant, omdat al bijna 10 m3 in de container zat, er al afval was afgevoerd én er nog meer sloopwerkzaamheden plaats moesten vinden. Gelet daarop was het een redelijke inschatting dat de totale omvang van het afval meer dan 10 m3 zal zijn.

Overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl

Tussen partijen is ook in geschil of het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl.

In artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl staat dat de normadressaat over een asbestinventarisatierapport beschikt voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college ook bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen, vanwege overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl.

Tussen partijen is niet in geschil dat voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden geen asbestinventarisatierapport is opgesteld als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat eisers daar wel toe verplicht waren. Eisers konden redelijkerwijs vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevond. Uit de nota van toelichting bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005 kan volgens de Afdeling worden afgeleid dat het risico op de aanwezigheid van asbest bij bouwwerken van voor 1994 zo groot is, dat degene die sloopwerkzaamheden verricht ervan uit moet gaan dat dit het geval is en altijd een asbestinventarisatierapport moet laten opstellen (ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695). Niet in geschil is dat het pand voor 1994 is gebouwd, zodat het college zich op het standpunt mocht stellen dat een redelijke verwachting bestond dat in het pand asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen feiten of omstandigheden gesteld waarom die verwachting in dit geval, ondanks de ouderdom, toch niet redelijk was. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat alle asbest in 2016 uit de woning was verwijderd en mochten daar ook redelijkerwijs niet zonder dergelijke bewijsstukken van uitgaan. Uit de akte van levering van 6 maart 2023 blijkt daarnaast dat door de voormalig eigenaar is verklaard dat niet bekend was of asbest in het pand aanwezig is.

Artikel delen