ABRvS 8 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3960. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het stilleggen van bouwwerkzaamheden onevenredig is. Zij heeft hierover aangevoerd dat, als al wordt geoordeeld dat sprake is van een wijziging van de draagconstructie, het om een dusdanig kleine wijziging gaat dat een algehele bouwstop volstrekt niet in verhouding staat met de overtreding. Op de zitting heeft appellante er in dit verband verder op gewezen dat het haar niet kan worden verweten dat zij voorafgaand aan de verbouwing geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Zij is afgegaan op de mededeling van de ingeschakelde constructeur dat dit niet nodig was.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de stillegging van de bouwwerkzaamheden en de last onder dwangsom zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan in dit geval had moeten afzien.
Met de ten tijde van de controle geconstateerde bouwwerkzaamheden werd de draagconstructie van het toen grotendeels gesloopte dak gewijzigd. Omdat de toezichthouder bij het ontbreken van de vereiste omgevingsvergunning niet kon nagaan of deze bouwwerkzaamheden gevolgen zouden hebben voor de constructieve veiligheid van het pand, heeft het college de bouwwerkzaamheden redelijkerwijs kunnen stilleggen in afwachting van vergunningverlening of mogelijk te treffen handhavingsmaatregelen, om te voorkomen dat zonder omgevingsvergunning verder zou worden gebouwd.
Dat appellante op basis van de informatie van de door haar ingeschakelde constructeur in de veronderstelling was dat zij voor de verbouwing van de woning geen omgevingsvergunning nodig had, kan niet afdoen aan het belang om de bouw stil te leggen voor werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Verder komt de onjuistheid van de informatie van de deskundige voor haar rekening en risico omdat zij die heeft ingeschakeld. Die informatie kan niet aan het college worden toegerekend.