De feiten (ECLI:NL:RBMNE:2026:5356 d.d. 20 januari 2026, vandaag gepubliceerd). Eiseres spande een procedure aan tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit. Het betrof een vergunning voor het bouwen van een kelder onder een woning in Utrecht. Haar voornaamste bezwaar en bron van zorg: de vrees voor schade aan de fundering van haar woning en nabijgelegen beplanting tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Zij vroeg om een voorlopige voorziening en stelde beroep in.

De juridische vraag
De centrale vraag is of hoofdstuk 7 (Bouw- en sloopwerkzaamheden) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) onderdeel uitmaakt van het toetsingskader bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit.
Het antwoord
Nee, de regels over de feitelijke uitvoering vormen geen beletsel of toetsingscriterium voor de vergunningverlening zelf. De rechter overweegt het volgende:
Het college moet beoordelen of wordt voldaan aan de regels uit hoofdstuk 4 en 5 van het Bbl. Is dat het geval? Dan is het college wettelijk verplicht om de vergunning te verlenen (een gebonden beschikking). Hoofdstuk 7 van het Bbl ziet op de regels tijdens de uitvoering (zoals veiligheid en hinder), de abstracte vrees voor schade aan eigendommen vormt geen weigeringsgrond.
Mocht er tijdens de bouw daadwerkelijk schade ontstaan aan eigendommen van de eiseres, dan is het verhalen hiervan een zuiver privaatrechtelijke kwestie. Dit staat los van de publiekrechtelijke vergunningverlening. Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.