De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 26 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5012) dat de gemeenteraad (“raad”) met de vaststelling van het bestemmingsplan dat voorziet in de transformatie van het stationsgebied een bestaande supermarkt mocht ‘wegbestemmen’ en hiervoor geen voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan hoefde op te nemen. De Afdeling stelt vast dat het bestaande gebruik van de betreffende supermarkt in het stationsgebied niet als zodanig (‘positief’) is bestemd maar onder het overgangsrecht is gebracht, waarbij de omvang van het huidige supermarktfiliaal niet kan toenemen en de omvang van de supermarktfunctie na het vertrek van de winkel aanzienlijk afneemt.

De Afdeling overweegt dat legaal bestaande bebouwing en gebruik in beginsel als zodanig in het bestemmingsplan positief moet worden bestemd. Dat is alleen anders, indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk en gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht (‘wegbestemmen’), mits de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk en het gebruik op termijn zullen worden verwijderd en beëindigd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. Volgens de Afdeling heeft de raad het vertrek van de betreffende supermarkt in dit geval voldoende aannemelijk gemaakt (vgl. de Afdelingsuitspraken van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4528 en 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:535). Zo is de raad bereid om verplaatsing van de supermarkt planologisch te faciliteren, is de supermarkt zelf ook bereid om te verplaatsen, heeft de raad ten behoeve van deze nieuwvestiging een anterieure overeenkomst gesloten met onder meer de grondeigenaar van de beoogde nieuwe locatie buiten het stationsgebied en is hiervoor inmiddels een omgevingsvergunning aangevraagd. Met het kennis geven van een ontwerp-onteigeningsbeschikking heeft de raad nadrukkelijk ook de optie van onteigening met een te betalen schadeloosstelling in beeld gebracht, mocht de beoogde verplaatsing van de supermarkt uiteindelijk niet haalbaar blijken. Nu het vertrek van de supermarkt naar verwachting niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in het stationsgebied (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1192) en het vinden van een nieuwe locatie voor de supermarkt vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet randvoorwaardelijk is voor de herontwikkeling van het stationsgebied (in de zin dat pas met die herontwikkeling kan worden gestart als een nieuwe plek voor de supermarkt operationeel is), heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling het onder het overgangsrecht brengen van de winkel, zonder daarbij te voorzien in een voorwaardelijke verplichting, in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.