Ja, dat is niet per definitie uitgesloten. Dat een KRW-waterlichaam de geldende waterkwaliteitsdoelen nog niet haalt, betekent niet automatisch dat iedere nieuwe lozing moet worden geweigerd. Wel moet vóór vergunningverlening worden beoordeeld welke gevolgen de voorgenomen lozing heeft voor het ontvangende oppervlaktewater.
Daarbij zijn de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) bepalend. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een project in beginsel niet mag worden toegestaan wanneer het kan leiden tot een verslechtering van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam of wanneer het bereiken van de vereiste goede toestand daardoor in gevaar komt, tenzij een uitzondering uit de KRW van toepassing is.
Voor lozingen wordt dit in de Nederlandse praktijk onder meer beoordeeld met de Algemene BeoordelingsMethodiek (ABM) en de immissietoets. Met de ABM wordt de waterbezwaarlijkheid van de te lozen stoffen bepaald en wordt vastgesteld welke saneringsinspanning nodig is. Vervolgens wordt met de immissietoets onderzocht wat het effect van de resterende lozing is op het ontvangende oppervlaktewater en of deze past binnen de waterkwaliteitsdoelstellingen.
Blijkt uit de immissietoets dat de lozing onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterkwaliteit, dan zijn aanvullende maatregelen nodig. Dat kunnen maatregelen zijn die verder gaan dan de aanvankelijk toegepaste beste beschikbare technieken. Vervolgens moet de restlozing opnieuw worden beoordeeld. Als uit de toets uiteindelijk blijkt dat de lozing niet kan worden toegestaan, moet het bevoegd gezag de vergunningaanvraag weigeren.
Dat een waterlichaam al niet aan een bepaalde waterkwaliteitsnorm voldoet, maakt de toets extra relevant. Het uitgangspunt blijft dat verdere achteruitgang moet worden voorkomen en dat het bereiken van de KRW-doelstellingen niet mag worden belemmerd.
Bronnen: