Met de publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en het Participatieplan zet het kabinet een grote stap richting het nieuwe Programma Noordzee 2028‑2033 (PNZ 28‑33). De documenten worden ter inzage gelegd in het kader van de Omgevingswet, die vereist dat nationale programma’s met ruimtelijke doorwerking — zoals het maritiem ruimtelijk plan en de mariene strategie — via een transparante mer‑plichtige voorbereidingsprocedure tot stand komen. Deze juridische verankering geeft het proces extra gewicht en laat zien dat het PNZ méér is dan beleid: het wordt een bindend kader voor toekomstige besluiten op en rond de Noordzee.

Het PNZ moet een volledig geactualiseerd beleidskader worden voor de Nederlandse Noordzee, waar energie, voedsel, natuur, scheepvaart, zandwinning en nationale veiligheid elkaar op steeds krapper wordende ruimte treffen. De stukken die nu zijn gepubliceerd vormen de eerste stap op weg naar een ontwerp‑programma in 2027.
Een belangrijk onderdeel van de vernieuwing is het aanwijzen van nieuwe windenergiegebieden. Hoewel bestaande en geplande gebieden al zo’n 42 GW aan potentiële capaciteit bieden, bestaat serieuze twijfel of dat daadwerkelijk realiseerbaar is. Vooral windenergiegebied 6/7 is onzeker door ecologische randvoorwaarden, mogelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en de vraag of de eerder aangenomen vermogensdichtheid (10,5 MW/km²) economisch haalbaar blijft.
Daarom onderzoekt het kabinet aanvullende zoekgebieden. Deze worden beoordeeld op cumulatieve milieueffecten, scheepvaartveiligheid, impact op mariene natuur en samenloop met mijnbouw. De uitkomst bepaalt in hoeverre de ambitie van 40 GW wind op zee in 2040 haalbaar blijft.
De Noordzee levert zowel het suppletiezand voor kustveiligheid als een aanzienlijk deel van het ophoogzand voor bouw en infrastructuur. Door zeespiegelstijging én toenemende claims op de zeebodem, staat de zandwinning onder druk.
De NRD stelt daarom voor om:
diepere zandwinning (tot 12 m) in het MER te onderzoeken;
voorkeurscorridors voor kabels en leidingen aan te passen en te verlengen;
gebieden met schaarse zandvoorraad mogelijk aan te wijzen als zones waar alleen tijdelijk ander gebruik is toegestaan.
Deze wijzigingen moeten helpen om de zandvoorraad toekomstbestendig te beheren zonder andere ruimtelijke functies te blokkeren.
Het kabinet heeft eerder besloten tot uitbreiding van defensieactiviteiten tussen de bestaande oefengebieden EHD 41 en 42. Deze nieuwe zone wordt nu beleidsmatig ingepast in het PNZ.
Het unieke: multifunctioneel gebruik blijft uitgangspunt.
Dat betekent dat mijnbouw, visserij, scheepvaart, kabels en natuurfuncties moeten worden gecombineerd met intensiever militair gebruik. Het MER onderzoekt:
veiligheid en risico’s in een gebied met meer vaste objecten;
cumulatieve effecten op natuur;
beperkingen en kansen voor andere gebruikers.
Het doel is een operationeel bruikbare defensieruimte te creëren die niet leidt tot grootschalige verdringing.
Het kabinet verkent hoe windparken slimmer benut kunnen worden voor andere activiteiten:
actieve visserij (mits veilig en ecologisch verantwoord);
passieve visserij op grotere schaal;
natuurherstel, waarvoor betere juridische borging nodig is;
laadinfrastructuur voor elektrische scheepvaart, o.a. noodsleepboten;
ruimte voor mijnbouw- of CCS‑installaties binnen bestaande parken.
Veel van deze opties vragen nadere verkenning, omdat technologische, ecologische en veiligheidsaspecten nog in beweging zijn.
Het participatieplan toont een opvallend uitgebreid traject, waarin o.a.:
het Noordzeeoverleg (NZO) een centrale rol heeft;
visserij, energiebedrijven, natuurorganisaties, scheepvaart, zandwinning, mijnbouw en provincies worden betrokken;
internationale partners worden geïnformeerd via de Espoo‑procedure;
belangstellenden en burgers zienswijzen kunnen indienen tijdens twee formele participatiemomenten.
De procedure is vormvrij onder de Omgevingswet, maar het Rijk kiest bewust voor maximale toegankelijkheid gezien de grote maatschappelijke impact van het PNZ.
De documenten maken duidelijk dat het PNZ 28‑33 één van de meest complexe beleidsprocessen van dit decennium wordt. De Noordzee is de locatie waar:
de energietransitie,
de natuurherstelopgave,
de voedseltransitie,
kustveiligheid,
scheepvaart,
militaire veiligheid
en internationale verplichtingen
letterlijk botsen op beperkte ruimte.
Door de juridische inbedding in de Omgevingswet krijgt dit proces een zwaardere, procedureel bindende status. Het PNZ wordt uiteindelijk het besluitvormingskader waar toekomstige vergunningen, kavelbesluiten, natuur maatregelen en infrastructuurontwikkeling op moeten aansluiten.
Begin 2027 wordt het ontwerp‑programma verwacht; eind 2027 volgt de vaststelling.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau en Participatieplan voor het Programma Noordzee 2028-2033
Bijlage
