De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft het rapport Onderzoek naar natuurtaken en -middelen van provincies aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit omvangrijke onderzoek analyseert Berenschot hoe de taken en financiële middelen van provincies op het terrein van natuur zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld en wat dit betekent in het licht van het huidige omgevingsrecht en de Omgevingswet.

Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid in 2013 liggen veel wettelijke taken bij de provincies. Het gaat daarbij onder meer om het beheer van het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden, soortenbescherming, agrarisch natuurbeheer, monitoring en de afhandeling van faunaschade. Deze taken zijn zowel juridisch verankerd in het stelsel van de Omgevingswet als bestuurlijk uitgewerkt in het Natuurpact. Het onderzoek laat zien dat dit pact vooral uitgaat van ambities en inspanningen, terwijl de onderliggende Europese verplichtingen steeds concreter en dwingender zijn geworden.
Uit de analyse blijkt dat provincies tussen 2014 en 2023 gemiddeld meer uitgaven aan natuurtaken dan er jaarlijks aan middelen beschikbaar was. Die disbalans wordt naar verwachting groter. Nieuwe Europese verplichtingen, zoals de Natuurherstelverordening, strengere doelen voor soorten en habitats, aanvullende monitoringseisen en de toenemende invloed van klimaatverandering en stikstofdepositie zorgen voor een forse toename van de opgave. Tegelijkertijd stijgen de kosten voor grondverwerving, natuurbeheer en schadevergoedingen aanzienlijk.
In de aanbiedingsbrief benadrukt de minister dat het rapport onderdeel is van een bredere verkenning naar de financiële verhoudingen tussen Rijk en provincies. De uitkomsten worden betrokken bij de gesprekken over nieuwe bestuurlijke afspraken na 2027, wanneer het huidige Natuurpact afloopt. De bijbehorende beslisnota onderstreept dat deze discussie niet alleen financieel van aard is, maar ook raakt aan de juridische verankering van verantwoordelijkheden en de uitvoerbaarheid van natuurdoelen onder de Omgevingswet.
Voor het omgevingsrecht is het rapport relevant omdat het inzicht geeft in de spanning tussen gedecentraliseerde uitvoering en centrale Europese resultaatsverplichtingen. Het laat zien dat een herijking van taken, bevoegdheden en middelen nodig is om te voorkomen dat natuurdoelen juridisch afdwingbaar worden zonder dat provincies daarvoor voldoende instrumenten of financiële ruimte hebben. Daarmee vormt het onderzoek een belangrijke bouwsteen voor het verdere debat over de inrichting van het natuurbeleid binnen het stelsel van de Omgevingswet.
