De laatste voortgangsrapportages over het vierde kwartaal van 2025 laten een gemengd beeld zien van de uitvoering van de Omgevingswet. Hoewel het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) optimistisch spreekt over stijgend kennisniveau en groeiende toepassing van het ‘hoofdspoor’, wijzen de cijfers en toelichtingen uit de begeleidende notas op aanhoudende structurele problemen. Waar de Omgevingswet op 1 januari 2024 nog werd gelanceerd als dé grote vereenvoudiging van het omgevingsrecht, blijkt eind 2025 dat het stelsel nog altijd piept en kraakt.

De rapportage toont een laatste piek in het gebruik van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) voor omgevingsplanwijzigingen in Q4 2025. Gemeenten stapelden nog snel ontwerpen op in TAM-IMRO voordat de maatregel op 1 januari 2026 definitief werd uitgefaseerd.
Hoewel het ministerie benadrukt dat alle gemeenten technisch kunnen werken met het hoofdspoor (STOP 1.3), wordt tegelijkertijd onderkent dat technische mogelijkheid niet hetzelfde is als daadwerkelijke beheersing. Gemeenten kampen nog immer met grote kennisachterstanden in zowel Omgevingswet-inhoud als DSO-werking, waardoor intensieve ondersteuning noodzakelijk blijft.
De massale sprint naar TAM in Q4 2025 laat zien dat gemeenten zich nog niet klaar voelden voor werken “volgens de bedoeling” van de wet. De vergelijking met de oude piek in bestemmingsplannen vlak vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet onderstreept dit.
Een van de grootste technische vraagstukken: de implementatie van de STOP 1.4‑standaard — noodzakelijk voor het parallel kunnen publiceren van omgevingswijzigingen — moet pas gefaseerd worden ingevoerd vanaf begin 2026.
De volledige implementatie van STOP 1.4 én STOP 1.5 wordt pas in 2028 verwacht. Dat betekent dat gemeenten nog jaren moeten werken met een incomplete keten, terwijl parallel publiceren essentieel is voor efficiënte planvorming.
De politiek sprak eerder van een “afgebouwd stelsel” bij inwerkingtreding, maar deze planning toont juist aan dat het stelsel nog midden in de bouwfase zit.
De voortgangsbrief meldt dat verdere technische verbeteringen aan het Omgevingsloket nauwelijks nog mogelijk zijn: de ontwikkeling “raakt aan de grenzen van wat technisch mogelijk is”.
Verbeteringen moeten vooral komen van betere inhoudelijke informatie die door overheden zelf wordt geplaatst.
Dat roept de vraag op of het DSO en het Omgevingsloket – die als centrale pijlers van de wet functioneren – wel toekomstbestendig zijn opgebouwd.
Hoewel het ministerie schrijft dat het DSO-LV “stabiel en naar behoren functioneert”, blijft de beschikbaarheid in 2025 steken op 98,2% – onder het SLA-doel van 98,5%.
Daarnaast is er sprake van:
een piek in incidenten begin 2025 door gewijzigde registratie
nog altijd hoge aantallen wijzigingsverzoeken
incidentele verstoringen die functionaliteiten tijdelijk onbruikbaar maakten
Allemaal signalen dat het stelsel nog fragiel is.
Het ministerie roept bevoegde gezagen opnieuw op om hun juridische regels beter toepasbaar te maken en documenten volledig te annoteren.
Zonder juiste annotatie werkt de vergunningcheck niet goed, ontstaan foutmeldingen en blijven burgers in onzekerheid.
Dat deze oproep, twee jaar na inwerkingtreding, nog steeds nodig is, is een teken dat cruciale randvoorwaarden van de wet onvoldoende zijn geborgd.
De documenten laten zien dat vooruitgang wordt geboekt, maar vooral dat de toepassing van de Omgevingswet gepaard gaat met structurele kwetsbaarheden:
gemeenten vertrouwen nog altijd te veel op noodmaatregelen
de DSO‑techniek is nog niet stabiel genoeg
cruciale standaarden komen pas in 2028 op niveau
kennisachterstanden blijven groot
gebruikers ervaren complexe digitale processen
Tegelijkertijd zijn dit de laatste kwartaalrapportages: vanaf 2026 rapporteert het ministerie slechts jaarlijks. Minder rapportage betekent echter niet minder problemen.
Cijfermatige stand van zaken uitvoering Omgevingswet tot en met Q4 2025
