Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Bgh art. 4.7 lid 1, 4.9 en 4.13
De aanleg of wijziging van spoorwegen valt voor alle plafondspoorwegen onder het wettelijke regime van de Wet milieubeheer. Daarnaast zijn er spoorwegen die niet op de geluidplafondkaart staan. Deze vallen onder het regime van de Wet geluidhinder. Omdat het om slechts een beperkt deel van het totale spoorwegennet gaat, wordt in deze paragraaf de relevante wettelijke regels beknopt samengevat.

De spoorwegen waar we het hier over hebben, vallen uiteen in twee categorieën. Ten eerste zijn er de spoorwegen die staan op de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Het gaat voornamelijk om een aantal binnenstedelijke sporen en bovengrondse metro’s. Ten tweede zijn er spoorwegen die niet op deze zonekaart staan. Die spoorwegen worden in de Wet geluidhinder op dezelfde manier behandeld als wegverkeer. Bij deze categorie kan bijvoorbeeld gedacht worden aan trams.

Zonekaart
Op de kaart in de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder is weergegeven welke spoorwegen vallen onder hoofdstuk VII van de Wet geluidhinder. Ook bevat de regeling een tabel met de trajectnummers en de zonebreedte.

Als een dergelijke spoorweg nieuw wordt aangelegd, moet deze worden opgenomen op de zonekaart door middel van een aanpassing van de ministeriele regeling. De voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde die daarbij gelden, zijn gelijk aan die voor bouwprojecten langs het spoor (paragraaf 5.2.7.4).

Bij doorvoeren van een fysieke aanpassing aan een dergelijke spoorweg, moet worden onderzocht of er sprake is van een zogenoemde ‘wijziging van een spoorweg’. Dit is het geval:

  • als de geluidbelasting in het toekomstig maatgevend jaar zonder het treffen van maatregelen hoger is dan 63 dB, of:

  • als de toekomstige geluidbelasting, zonder het treffen van maatregelen, lager is dan 63 dB en er een toename is van ten minste 3 dB ten opzichte van de geluidbelasting voorafgaand aan de wijziging.

Als er inderdaad een wijziging van een spoorweg is, moet onderzocht worden of de geluidbelasting kan worden teruggebracht naar de streefwaarde.

De streefwaarde is afhankelijk van de voorgeschiedenis. Er zijn twee mogelijkheden:

  • Er is in het verleden een hogere waarde verleend. In dit geval is de streefwaarde de laagste van de hogere waarde en de heersende waarde.

  • Er is niet eerder een hogere waarde verleend. In dit geval is de streefwaarde de laagste van de geluidbelasting in 1987 en de heersende waarde.

Als er sprake is van een wijziging van een spoorweg en er saneringswoningen aanwezig zijn, moet tevens de (gekoppelde) sanering worden opgelost.

Overige spoorwegen
Tot slot zijn er spoorwegen die én niet op de Regeling geluidplafondkaart milieubeheer én niet op de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder staan. Deze spoorwegen vallen onder het regime van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder. Dat betekent dat voor deze spoorwegen dezelfde wettelijke normen gelden als voor wegverkeer, zoals weergegeven in paragraaf 5.2.7, 5.2.8 en 5.2.9 (voor bouwprojecten, nieuwe aanleg en reconstructies). Het rekenmodel voor deze spoorwegen gaat wel uit van de modelleringsregels voor railverkeer. Dat houdt in dat de modellering gebeurt volgens bijlage IV van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.