De Wet ammoniak en veehouderij is ten opzichte van art. 2.14 Wabo een ‘lex specialis’ voor het aspect ammoniakemissie uit dierverblijven van – vergunningplichtige – veehouderijen. Art. 3 lid 1 Wav bepaalt namelijk: ‘Bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7’. Hoe de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot een veehouderij behorende dierenverblijven moeten worden beoordeeld en welke voorschriften moeten worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor zo’n veehouderij, wordt dus in zoverre niet bepaald door art. 2.14 Wabo maar door art. 4-7 Wav.
Met de ‘gevolgen van ammoniakemissie’ wordt gedoeld op de neerslag (depositie) in bodem, grond- en oppervlaktewater van ammoniak die naar de lucht wordt uitgestoten (emissie). Een overmatige depositie van ammoniak leidt tot verzuring en vermesting, en daarmee tot verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater met aluminium en nitraat en tot het verdwijnen van karakteristieke plantensoorten in bos- en natuurterreinen, enzovoort.
De Wav heeft tot gevolg dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een veehouderij niet (meer) mag worden getoetst of het oprichten, in werking hebben of veranderen ervan zal leiden tot een onaanvaardbare ammoniakdepositie (‘de gevolgen van ammoniakemissie’), behalve voor zover de Wav daarin voorziet. Doel van de Wav is om (zeer) kwetsbare natuur extra te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de emissie van ammoniak uit veehouderijen.
De regeling van de Wav houdt, kort samengevat, in dat binnen ‘zeer kwetsbare gebieden’ en een zone van 250 meter rond deze gebieden in beginsel géén omgevingsvergunning ex art. 2.1 lid 1 onder e Wabo mag worden verleend voor vestiging of uitbreiding van veehouderijen. Wél mogen binnen die zone bestaande melkrundveehouderijen nog uitbreiden tot 200 melkkoeien met bijbehorend jongvee. Deze zeer kwetsbare gebieden moeten worden aangewezen en begrensd door Provinciale Staten. Het betreft hier die onderdelen van de Ecologische Hoofdstructuur, die het meest gevoelig zijn voor ammoniakdepositie.
Als ‘zeer kwetsbaar gebied’ moeten in ieder geval de voor verzuring vatbare delen van habitat- en vogelrichtlijngebieden worden aangewezen (art. 2 lid 3). Daarnaast kunnen alleen voor verzuring vatbare delen van de Ecologische Hoofdstructuur, voor zover die niet reeds samenvalt met habitat- en vogelrichtlijngebieden, worden aangewezen (art. 2 lid 2).
De Wav noemt de aspecten waarmee bij bedoelde aanwijzing rekening moet worden gehouden, waaronder de aanwezige natuurwaarden en de grootte van het voor verzuring vatbare gebied (art. 4 lid 4). Een gebied dat kleiner is dan 50 ha, mag echter slechts worden aangewezen indien het ‘zeer grote natuurwaarden’ betreft (art. 4 lid 5). Daarvan kan slechts sprake zijn in de door de wet (art. 4 lid 6) aangegeven situaties (waaronder de situatie dat in een gebied meer dan één dier- of plantensoort aanwezig is die behoort tot de zeldzame soorten).
De Wav zet, voor het aspect (gevolgen van) ammoniakemissie door veehouderijen, het reguliere beoordelingskader echter niet geheel opzij.
In de eerste plaats blijft het reguliere kader gelden voor de beoordeling van ammoniakemissie uit andere bronnen binnen een veehouderij dan dierenverblijven (bijvoorbeeld voor de mestopslag).
In de tweede plaats blijft het reguliere kader ook gelden voor de beoordeling van de gevolgen die ammoniakemissie kan hebben in de vorm van daardoor optredende schade aan de eigendommen (boomgaarden, erfbeplanting, e.d.) van naburige bedrijven. In het tweede lid van art. 3 Wav is namelijk bepaald dat het eerste lid van artikel 3 daarvoor niet geldt.
In de derde plaats volgt uit de omstandigheid dat art. 3 lid 1 Wav alléén spreekt over (dierenverblijven behorende tot) vergunningplichtige veehouderijen, dat het mogelijk blijft om bij AMvB ex art. 8.40 Wm omtrent het aspect ammoniak algemene regels te stellen voor niet-vergunningplichtige veehouderijen.
In de vierde plaats bepaalt art. 3 lid 3 Wav dat het eerste lid (dat, kort gezegd, bepaalt dat de Wav derogeert aan het reguliere toetsingskader voor het aspect ammoniak door veehouderijen) niet geldt ‘voor het weigeren van de vergunning met toepassing van art. 2.14 Wabo’ en ‘voor het stellen van voorschriften met toepassing van het bepaalde bij of krachtens art. 2.22 lid 2 of 3 Wabo of art. 1.3c of 8.40 Wm’.
Dit betekent dat het mogelijk blijft om bij AMvB krachtens art. 2.22 lid 2 en 3 Wabo en/of bij provinciale milieuverordening (art. 1.3c Wm) regels over de inhoud van de vergunning (de vergunningvoorschriften) te stellen en om bij AMvB ex art. 8.40 Wm algemene (voor niet-vergunningplichtige én vergunningplichtige inrichtingen geldende) algemene regels te stellen.
Verder is met de vermelding van art. 2.14 Wabo (dat in het eerste lid, onder c, ten 1°, bepaalt dat bij de beslissing op een vergunning in acht genomen moet worden dat in een inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast) beoogd duidelijk te maken dat de Wav geen afbreuk doet aan het BBT-uitgangspunt. Dat geldt dus ook voor het aspect ammoniakemissie.
Uit de laatste volzin van art. 3 lid 3 Wav volgt dat bij een veehouderij met een IPPC-installatie (dus een veehouderij die is aan te merken als IPPC-inrichting) een vergunning ook moet worden geweigerd als in verband met de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege plaatselijke milieuomstandigheden (de ‘lokale milieusituatie’), eisen moeten worden gesteld die verdergaan dan BBT en de veehouderij daar niet aan kan of wil voldoen. Hierbij wordt aangesloten bij het ter zake bepaalde in de IED-richtlijn. De mogelijkheid om verdergaande voorschriften te stellen dan BBT en de vergunning bij het niet voldoen daaraan te weigeren, is, anders dan in art. 2.14 lid 1 onder c ten 1° Wabo, beperkt tot IPPC-inrichtingen. Tot die inrichtingen behoren onder andere intensieve veehouderijen met meer dan 2000 mestvarkens of 40.000 kippen.
Op basis van art. 8.40 Wm zijn voor zowel niet-vergunningplichtige als vergunningplichtige veehouderijen generieke eisen gesteld voor de door die bedrijven te gebruiken huisvestingssystemen. De hoeveelheid ammoniak die per ‘dierplaats’ vanuit een dierenverblijf naar de buitenlucht wordt geëmitteerd, is immers in belangrijke mate afhankelijk van (de eigenschappen van) het toegepaste huisvestingssysteem.
De eisen gelden echter ‘generiek’, hetgeen wil zeggen dat deze eisen niet afhankelijk zijn van de aard van de omgeving en de ammoniakdepositie.