Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2025:3498

Bij een hevige regenbui is rioolwater vermengd met hemelwater de woning van appellanten ingestroomd. De zaak draait om de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de schade van appellanten. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel.

Gerechtshof Amsterdam 12 January 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2025:3498 text/xml public 2026-01-12T08:55:15 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-12-16 200.335.570/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3498 text/html public 2026-01-12T08:53:31 2026-01-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3498 Gerechtshof Amsterdam , 16-12-2025 / 200.335.570/01
Bij een hevige regenbui is rioolwater vermengd met hemelwater de woning van appellanten ingestroomd. De zaak draait om de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de schade van appellanten. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.335.570/01

zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/329344 / HA ZA 22-377

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025

in de zaak van

[appellant 1] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

[appellant 2] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

appellanten,

advocaat: mr. S.T. Blom te Amsterdam,

tegen

GEMEENTE [plaats],

gevestigd te [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.D. Boesveld te Haarlem.

Partijen worden hierna [appellanten] . en de gemeente genoemd.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
Op 18 juni 2021 viel een hevige regenbui in [plaats] , gemeente [gemeente 2] . Het gemengde rioleringsstelsel ter plaatse heeft het regenwater niet overal tijdig kunnen verwerken. Dat heeft ertoe geleid dat water uit het riool is gelopen. Er is rioolwater vermengd met hemelwater de (toenmalige) woning van [appellanten] . ingestroomd. De woning bevond zich op het laagstgelegen punt in de omgeving. Kern van deze zaak is de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de schade van [appellanten] . ten gevolge van die instroom van water. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] . afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de vorderingen toe.
<nr>2</nr>Het geding in hoger beroep
[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 22 juni 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 29 maart 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] . als eisers en de gemeente als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties, inclusief twee bestanden op een USB-stick;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 2 december 2024 laten toelichten, [appellanten] . door mr. Blom voornoemd en mr. A. Boor, advocaat te Amsterdam, en de gemeente door mr. T. Barshini, advocaat te Haarlem. Zijdens [appellanten] . is gesproken aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overhandigd. [appellanten] . hebben ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling nog de producties 40-47 bij het hof ingediend.

De zaak is na de zitting aangehouden voor mediation.

Er is een proces-verbaal afgegeven aan partijen van de zitting bij het hof.

Ten slotte is op 29 juli 2025 arrest gevraagd.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
<nr>3</nr>Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Behalve wat de rechtbank heeft vastgesteld over de intensiteit van de regenbui die op 18 juni 2021 viel, is in hoger beroep niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven. De feiten komen op het volgende neer.
3.1.
[appellanten] . zijn op 29 mei 2020 eigenaar geworden van het onroerend goed aan de [A-straat] in [plaats] , gemeente [gemeente 2] (hierna ook: de woning). De woning van [appellanten] . bevond zich op het laagstgelegen punt in de omgeving.
3.2.
De gemeente is eigenaar van het rioleringsstelsel in [plaats] . In het relevante tijdvak was dit een gemengd rioleringsstelsel, dat wil zeggen een stelsel dat zowel diende voor de inzameling en transport van afvalwater als voor de inzameling en transport van hemelwater. Het riool had een gemiddelde afschrijvingsduur van 60 jaar.
3.3.
Op 18 juni 2021 viel rond 19.00 uur regen in [plaats] . Het rioleringsstelsel heeft het regenwater niet overal tijdig kunnen verwerken. Dat heeft ertoe geleid dat water uit het riool is gelopen. Er is hemelwater en rioolwater (ook via het toilet) de woning van [appellanten] . ingestroomd.
3.4.
[appellanten] . hebben de gemeente op de hoogte gesteld van deze wateroverlast. Een wethouder is langsgegaan om de situatie ter plaatse te aanschouwen. [appellanten] . hebben nadien herhaaldelijk contact gezocht met de gemeente en haar verzocht om maatregelen te treffen of om hen op enige wijze tegemoet te komen.
3.5.
Op 6 november 2021 zijn [appellanten] . uit de woning vertrokken. Sindsdien zijn [appellanten] . woonachtig geweest op tijdelijke adressen. [appellanten] . hebben besloten de woning te slopen en, op opgehoogde grond, te herbouwen.
3.6.
De verzekeringsmaatschappij van [appellanten] . heeft een uitbetaling in verband met de schade gedaan van € 100.000.
3.7.
Bij brief van 26 november 2021, aangevuld bij brief van 23 december 2021, hebben [appellanten] . de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade aan de woning als gevolg van de wateroverlast op 18 juni 2021.
3.8.
Bij brief van 31 januari 2022 heeft Melior Verzekeringen, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente, namens de gemeente de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op deze brief is correspondentie gevolgd tussen [appellanten] . en Melior Verzekeringen.
3.9.
Het perceel met de in aanbouw zijnde (vervangende) woning van [appellanten] . is (uiteindelijk) verkocht en geleverd aan een aannemersbedrijf. De eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden op 27 februari 2024.
3.10.
In de week van 8 april 2024 zijn uitvoeringswerkzaamheden voor de herinrichting van de [A-straat] gestart. Daarbij is het bestaande (gecombineerde) rioolstelsel vervangen door een variant waarbij hemelwater gescheiden van rioolwater wordt afgevoerd, en waarbij het riool een doorstroomcapaciteit heeft gekregen berekend op een bui-09 (een bui met een intensiteit van 29,4 mm per uur). Bij dit nieuwe rioolstelsel zou de wateroverlast enkel uit schoon water bestaan indien het riool zou overstromen.
<nr>4</nr>Eerste aanleg 4.1.
[appellanten] . hebben in eerste aanleg (in de weergave van de rechtbank) gevorderd:

‘dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht verklaart dat de gemeente jegens [appellant 1] onrechtmatig heeft gehandeld;

II. voor recht verklaart dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die [appellant 1] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het overstromen van het gemeentelijk riool op 18 juni 2021;

III. de gemeente veroordeelt om aan [appellant 1] de geleden en nog te lijden schade te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. de gemeente veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.’
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] . afgewezen en [appellanten] . veroordeeld in de proceskosten van de gemeente, met rente. Zij heeft hiertoe in de kern als volgt overwogen. Het feit dat de riolering het water op 18 juni 2021 niet overal tijdig kon verwerken, had te maken met zeer zware regenval die dag. Dat het riool niet tegen deze extreme regenval was opgewassen, betekent niet dat de afvoercapaciteit van het riool niet goed functioneerde. De gemeente stelt terecht dat sprake was van een overmacht-situatie. De wateroverlast op 18 juni 2021 behoort tot het normale maatschappelijke risico dat, hoe vervelend ook, voor rekening van [appellanten] . dient te blijven.
<nr>5</nr>Hoger beroep 5.1.
[appellanten] . hebben in hoger beroep één ongenummerde en vier genummerde grieven gericht tegen het bestreden vonnis. [appellanten] . klagen over het oordeel van de rechtbank aangaande de intensiteit van de regenbui die viel op 18 juni 2021 (hun ongenummerde grief). Daarnaast klagen zij over de afwijzing van hun beroep op: onrechtmatige hinder (grief I), opstalaansprakelijkheid (grief II), en schending van de zorgplicht door de gemeente (grief III). Tot slot klagen zij over de proceskostenveroordeling (grief IV).
5.2.
De conclusie van [appellanten] . luidt in hoger beroep als volgt:

‘Dat appellanten vorderen dat het Gerechtshof Amsterdam bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het Vonnis d.d. 29 maart 2023 waarvan beroep zal vernietigen, en, zo nodig onder aanvulling en verbetering van de gronden, opnieuw rechtdoende:

I. te verklaren voor recht dat de Gemeente jegens [appellant 1] onrechtmatig heeft gehandeld;

II. te verklaren voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die [appellant 1] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het overstromen van het gemeentelijk riool op 18 juni 2021;

III. de Gemeente te veroordelen om aan [appellant 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting de terzake door [appellant 1] geleden en nog te lijden schade te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2021 tot de dag van algehele voldoening;

IV. de Gemeente te veroordelen in de proceskosten van beide instanties en de nakosten voor de advocaat daarbij te begroten, onder bepaling dat indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na de dag waarop het arrest is gewezen aan appellanten zijn voldaan, daarover vanaf de veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is;
5.3.
De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] . in de proceskosten.
<nr>6</nr>Beoordeling
Inleiding
6.1.
[appellanten] . leggen, naast andere grondslagen, aan hun vorderingen ten grondslag dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. In de kern komt hun betoog op het volgende neer. De gemeente was ermee bekend of had ermee bekend moeten zijn dat het riool tezamen met de bovengrondse mogelijkheden voor opvang van regenwater ter plaatse van hun woning al enige tijd niet meer goed functioneerde, dat daaraan het gevaar van wateroverlast verbonden was, dat de kans op verwezenlijking van dat gevaar voor de woning van [appellanten] . reëel was, en dat de verwezenlijking van dat gevaar tot ernstige schade voor [appellanten] . kon leiden. De gemeente heeft desalniettemin nagelaten tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg hiervan te voorkomen. Door niets aan het riool of aan de overige afvoersystemen te doen, zijn volgens [appellanten] . verkeerde (beleids)keuzes gemaakt.

Artikel 6:162 BW
6.2.
[appellanten] . doen hiermee een beroep op schending van de zorgplicht voor afvalwater en hemelwater die op de gemeente rust (artikel 6:162 BW). Het antwoord op de vraag of de gemeente onrechtmatig jegens [appellanten] . heeft gehandeld, hangt af van verschillende omstandigheden. De factoren waarmee bij de beoordeling rekening moet worden gehouden, zullen hierna worden besproken. Bij deze bespreking zal het hof het riool en de bovengrondse mogelijkheden voor opvang en verwerking van regenwater tezamen aanduiden als ‘afwateringssysteem.’

De aard en bestemming van het afwateringssysteem
6.3.
De aard en bestemming van het afwateringssysteem volgt uit de taak van de gemeente. De gemeente heeft de publiekrechtelijke verplichting om stedelijk afvalwater in te zamelen en af te voeren. Daarnaast heeft de gemeente een publiekrechtelijke zorgplicht om hemelwater doelmatig in te zamelen en te verwerken. Op de gemeente rust in dit verband een inspanningsverplichting. Bij de invulling van haar taak heeft de gemeente beleidsvrijheid om, afgestemd op de lokale problematiek, een integrale afweging te maken hoe om te gaan met het afvloeiende hemelwater (vgl. Kamerstukken II 2007/08, 30 818, nr. 7, p. 17).

De waarborgfunctie van het afwateringssysteem
6.4.
De raad van de gemeente heeft bij besluit van 7 november 2017 het gemeentelijk rioleringsplan 2018-2022 vastgesteld. Dat plan bestaat, kort gezegd, uit het gezamenlijk rioleringsplan en het beheerplan. Het gezamenlijk rioleringsplan beschrijft onder meer hoe door de gemeente invulling wordt gegeven aan zorgplichten op het gebied van afvalwater, regenwater en grondwater. Daaruit volgt ook welke doelen en welke functionele eisen er worden gesteld om te waarborgen dat aan de zorgplicht wordt voldaan. In Bijlage D bij het beheerplan is een tabel opgenomen. Daarin is vermeld, voor zover hier van belang:

Doel/zorgplicht Functionele eis Maatstaf Meetmethode

In de bebouwde kom

afvalwater.

Bij nieuwbouw wordt in principe altijd riolering aangelegd voor de inzameling en de verwerking van stedelijk afvalwater.

Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater

a De afvoercapaciteit moet voldoende zijn om bij droog weer het aanbod van afvalwater te verwerken.

Optimaal stelselontwerp volgens Leidraad Riolering

Ontwerp, berekening & Tekening

b De afvoercapaciteit van de riolering moet toereikend zijn om het aanbod van stedelijk afvalwater bij hevige neerslag te kunnen verwerken, uitgezonderd in buitengewone omstandigheden.

Gemiddeld mag maximaal eenmaal per twee jaar ‘water op straat’ optreden (theoretisch, bij bui 08 uit Leidraad Riolering). ‘Water op straat’ mag niet leiden tot wateroverlast: het onder- lopen van woningen en gebouwen. ‘Water op straat’ mag geen blokkade zijn voor doorgaande verkeersroutes. Toetsing op robuustheid van het stelsel vindt plaats met bui 10 uit Leidraad Riolering.

Registratie gebeurtenissen o.b.v. klachten en waarnemingen.

De ‘bui-08’ waarover deze tabel spreekt, ziet op een hoeveelheid neerslag van 19,8 mm per uur met een herhalingstijd van gemiddeld maximaal een keer per twee jaar. In het gezamenlijk rioleringsplan, waarnaar de gemeente onder 16 van de conclusie van antwoord verwijst, is kort gezegd opgenomen dat als meer regen valt dan een ‘bui-08’, dit bovengronds wordt opgevangen en verwerkt.

Het gebruik dat van het afwateringssysteem te verwachten was
6.5.
Met betrekking tot het gebruik dat van het afwateringssysteem te verwachten was, verdient aandacht dat via het riool regenwater en rioolwater (van derden), actief door de gemeente van elders werd aangevoerd naar de straat van [appellanten] . om vandaar verder te worden getransporteerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Daarbij bevond de woning van [appellanten] . zich op het laagstgelegen punt in de omgeving wat deze woning kwetsbaar maakte.

De fysieke toestand van het afwateringssysteem ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar
6.6.
Anders dan de gemeente mogelijk meent, is de kern van het betoog van [appellanten] . niet dat de gemeente heeft nagelaten een voorziening aan te bieden waarin het hemelwater kon worden geloosd en afgevoerd. Het betoog van [appellanten] . komt erop neer (o.m. nr. 60 van de memorie van grieven) dat de fysieke toestand van het afwateringssysteem slecht was omdat het al enige tijd niet meer goed functioneerde, ook niet bij een bui-08. Ter toelichting hiervan hebben [appellanten] . onder meer verwezen naar diverse meldingen op de website van de gemeente [plaats] (hierna: Fixi-meldingen). Van enkele daarvan heeft de gemeente (voor het eerst in hoger beroep) bevestigd dat deze de situatie in de directe nabijheid van het perceel van [appellanten] . betroffen. [appellanten] . hebben zich op 3 juni 2021 ook zelf met een Fixi-melding tot de gemeente gewend. Deze melding hield in: ‘Water loopt niet weg, bij regen loopt alles vol.’ De gemeente heeft betwist dat deze melding (mede) met wateroverlast samenhing, maar die betwisting verwerpt het hof. In het bericht van 17 juni 2021 dat de gemeente aan [appellanten] . stuurde, staat vermeld: ‘Op dit moment kunnen we daar niet veel aan veranderen. Straks wordt het riool vervangen en zal er een gescheiden riool worden aangelegd. Dan zal het regenwater direct worden afgevoerd naar de sloot en wordt het vuilwaterriool niet overbelast. Wel is het zaak het regenwater op eigen terrein goed te scheiden van het vuilwaterriool anders kunnen er nog steeds zich problemen voordoen.’ Ter zitting van het hof heeft de gemeente bevestigd dat dit bericht een reactie was op de Fixi-melding van 3 juni 2021 van [appellanten] ., en dat het bericht specifiek aan één adres was gestuurd. De gemeente heeft ter zitting niet overtuigend kunnen uitleggen hoe de inhoud van dit bericht zich verhoudt tot haar betoog dat de melding van [appellanten] . niet (mede) in verband stond met wateroverlast. De Fixi-meldingen laten volgens [appellanten] . zien dat de gemeente ter plaatse van hun woning al jaren kampte met een structureel rioleringsprobleem. [appellanten] . hebben daarnaast in hoger beroep documenten overgelegd, bestaande uit meldingen van wateroverlast, die zij hebben verkregen met een WOO-verzoek. [appellanten] . hebben gesteld, en de gemeente heeft niet voldoende betwist, dat ook daaruit blijkt dat de problemen met het riool structureel waren. De gemeente heeft volstaan met voor [appellanten] . en dit hof niet te controleren betwistingen van de relevantie van de Fixi-meldingen en deze documenten. Dat is in de gegeven omstandigheden niet genoeg.
6.7.
De gemeente heeft het betoog van [appellanten] . dat het afwateringssysteem al enige tijd niet meer goed functioneerde (ook overigens) niet voldoende gemotiveerd betwist.
6.8.
Dat geldt in de eerste plaats voor de datum waarop het riool is aangelegd. Het riool is volgens de gemeente aangelegd in 1960-1970. Tussen partijen is niet in geschil dat het riool een gemiddelde afschrijvingsduur heeft van 60 jaar. Als het riool in 1960 is aangelegd, was de afschrijvingsduur op 18 juni 2021 al verstreken. In deze context (gemeentelijke voorzieningen) en bij gebreke van een nadere toelichting van de gemeente gaat het hof ervan uit dat de afschrijvingsduur, dus de economische levensduur, gelijk is aan de technische levensduur. Het is aannemelijk dat een zodanig riool mankementen had die ingrijpen noodzakelijk maakten. Alleen al daardoor was een nadere toelichting van de gemeente nodig. De gemeente heeft over de precieze datum waarop het riool is aangelegd echter geen duidelijkheid gegeven. Daarom zal als vaststaand worden aangenomen dat de levensduur op 18 juni 2021 al was verstreken. Overigens past deze vaststelling bij het feit dat de voorbereidingen voor de vervanging van de riolering op de [A-straat] (als bedoeld onder 3.10 hiervoor), al sinds 2017 liepen.
6.9.
Verder hebben [appellanten] . gewezen op het Gemeenteblad van 23 januari 2015, een eigen publicatie van de gemeente. Daarin is op pagina 4 vermeld, samengevat, dat 86% van alle rioolbuizen is geïnspecteerd en dat duidelijk is dat de riolering niet overal voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen wat betreft het hydraulisch functioneren. De gemeente heeft betwist dat dit niet-voldoen aan de kwaliteitseisen ook het perceel van [appellanten] . betrof. Deze betwisting passeert het hof echter. De gemeente heeft niet concreet toegelicht waaruit blijkt dat de riolering bij het perceel van [appellanten] . wel voldeed aan de kwaliteitseisen, hetgeen vanwege onder meer de tekst van het Gemeenteblad wel op haar weg had gelegen.
6.10.
Daarnaast hebben [appellanten] . gesteld dat het rioleringsstelsel onvoldoende vaak is geïnspecteerd en gereinigd. Ook die stelling heeft de gemeente niet voldoende gemotiveerd betwist. Ter zitting van het hof is zijdens de gemeente verklaard dat de inspectie voor het laatst in 2011 is gebeurd. Dat is tien jaar vóór 18 juni 2021. Van een regelmatige inspectie kan daarom niet worden gesproken, anders dan de gemeente heeft betoogd. Bovendien is het bij een enkele mededeling over deze inspectie gebleven en is van deze inspectie geen rapport overgelegd.
6.11.
Het riool is inmiddels verwijderd en op de vraag van het hof of er beelden zijn van het riool en of de staat ervan nog te achterhalen is, heeft de gemeente ter zitting ontkennend geantwoord. De gemeente betoogt slechts dat de fysieke toestand van het afwateringssysteem op 18 juni 2021 goed was omdat het riool tot een intensiteit van 20 mm/h kon verwerken en dus een zogeheten ‘bui-08’ aankon. Dit niet nader onderbouwde betoog vindt echter onvoldoende steun in de feiten en omstandigheden van deze zaak, zoals hiervoor toegelicht.
6.12.
Gelet op al het voorgaande zal het hof bij de verdere beoordeling als vaststaand aannemen dat het afwateringssysteem ter plaatse van de woning van [appellanten] . al enige tijd niet meer goed functioneerde.

De grootte van de kans op verwezenlijking van het gevaar
6.13.
De kans op verwezenlijking van het gevaar, te weten de bedreiging van het fundamentele recht van woongenot door schade door hemel- en afvalwater, was voor [appellanten] . in deze situatie zeer groot. Ook daarmee was de gemeente bekend of behoorde zij bekend te zijn. De woning bevond zich immers op het laagstgelegen punt in de omgeving. Naar dat punt voerde de gemeente actief rioolwater van elders aan, dat naast hemelwater moest worden opgevangen. De woning stond daardoor aan gevaren bloot, zoals eerder hiervoor overwogen. In dit verband is ook van belang dat [appellanten] . hebben gesteld, en de gemeente niet voldoende heeft betwist, dat de intensiteit van de buien door de klimaatontwikkelingen steeds heviger wordt.

De naar objectieve maatstaven te beoordelen kenbaarheid van de fysieke toestand en de daaraan verbonden gevaren
6.14.
Tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden van deze zaak, zoals hiervoor uiteengezet, is geen andere conclusie mogelijk dan dat de gemeente ermee bekend was of ermee bekend had moeten zijn dat de fysieke toestand van het afwateringssysteem ter plaatse van de woning van [appellanten] . al enige tijd niet aan de eisen voldeed, alsook dat de gemeente ermee bekend was of ermee bekend had moeten zijn dat daaraan (ernstige) gevaren verbonden waren.

De mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen en de beleidsvrijheid van de gemeente en de haar ter beschikking staande financiële middelen
6.15.
Bij de vraag welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen in de gegeven omstandigheden mogelijk en redelijkerwijs te vergen waren, komt onder meer betekenis toe aan de beleidsvrijheid die de gemeente heeft en de haar ter beschikking staande financiële middelen. Beleidsvrijheid houdt echter niet in dat het onderhoudsniveau bij gebreke aan financiële mogelijkheden beneden een aanvaardbaar peil zal mogen dalen, of dat men bekende gevaarlijke situaties zal mogen laten voortbestaan (vgl. Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1392 over de risicoaansprakelijkheid voor openbare wegen).
6.16.
[appellanten] . hebben gesteld dat de gemeente de vergroting van de rioolcapaciteit en het daarbij invoeren van een gescheiden rioolstelsel, (sneller) had moeten doorvoeren. Dit betoog kan echter niet worden aanvaard. Dit rioolwerk werd meegenomen in een groter werk, namelijk de herinrichting van de [A-straat] . De voorbereidingen hiervoor (inclusief burgerparticipatie) liepen sinds 2017, waarbij de verharding van het nieuwe wegdek een lastig punt bleek. Er is terzake ook een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gevoerd. In de gegeven omstandigheden kon van de gemeente in redelijkheid niet meer worden gevergd dan het voortvarend afronden van die herinrichting.
6.17.
[appellanten] . hebben daarnaast echter andere maatregelen genoemd, zoals onderhoud aan het riool. Zij hebben ook gewezen op maatregelen die in de openbare ruimte konden worden getroffen, zoals het plaatsen van een hoge opsluitband of trottoirband op openbaar terrein, het aanbrengen van drempels en lijngoten enzovoort. [appellanten] . hebben gesteld dat dergelijke maatregelen (onderhoud en maatregelen in de openbare ruimte) de kans op wateroverlast en schade hadden kunnen verkleinen. De gemeente heeft dat niet voldoende gemotiveerd betwist. De gemeente heeft ook niet voldoende gemotiveerd betwist dat zij de mogelijkheden en financiële middelen had om dergelijke maatregelen te treffen. Ter zitting in hoger beroep heeft de gemeente gewezen op ‘maatschappelijke kosten’ en heeft zij naar voren gebracht dat het nemen van maatregelen te duur en te lastig is in de leefomgeving, mede gelet op het te verwachten gebruik. Dat kan echter niet als voldoende gemotiveerde betwisting worden aangemerkt. De gemeente licht onder meer niet toe welke beleidskeuzes zij heeft gemaakt binnen de financiële kaders waarbinnen zij haar beleidsdoelen tracht te realiseren, en waarom het bedrag voor dergelijke maatregelen niet zou kunnen worden gedragen. Dat lag wel op haar weg. Het gaat immers om feiten en omstandigheden die in haar domein liggen. Overigens is in het gezamenlijk rioleringsplan ook opgenomen dat als meer regen valt dan een ‘bui-08’ die regen bovengronds wordt opgevangen en verwerkt, dus door maatregelen in de openbare ruimte (zie ook 6.4 hiervoor). Ter zitting van het hof heeft de gemeente volstaan met de mededeling dat extra straatputjes zijn aangebracht in de stoep. Bij doorvragen door het hof bleek dat te zijn geweest in een ver verleden, namelijk toen het voetpad werd aangelegd.
6.18.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal als vaststaand worden aangenomen dat de gemeente in staat was tijdig passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen vanaf het moment dat zij van de problemen met het afwateringssysteem wist, en dat zij, vanwege wat haar bekend was of haar bekend had behoren te zijn, daartoe ook gehouden was vanaf 7 november 2017 toen zij het gemeentelijk rioleringsplan 2018-2022 had vastgesteld.

Het standpunt van de gemeente dat de overstroming zich heeft voorgedaan ten gevolge van specifieke en uitzonderlijke omstandigheden.
6.19.
De gemeente voert aan dat zij niet aansprakelijk is omdat van haar niet behoefde te worden verwacht dat het rioleringsstelsel zo was ingericht dat het de bui kon verwerken die op 18 juni 2021 viel. Dit betoog komt erop neer dat de overstroming zich heeft voorgedaan ten gevolge van specifieke en uitzonderlijke omstandigheden. Daarover oordeelt het hof als volgt.
6.20.
De gemeente heeft in eerste aanleg betoogd dat op 18 juni 2021 zo’n 80-90 mm regen in één uur is gevallen en dat een bui met deze intensiteit slechts één keer in de duizend jaar voorkomt. De rechtbank heeft op basis daarvan overwogen dat sprake was van een buitengewone situatie, dat het feit dat het riool niet tegen deze regenval was opgewassen niet maakt dat de afvoercapaciteit van het riool niet goed functioneerde, en dat van een gemeente niet kan worden verwacht dat het rioleringsstelsel zo wordt ingericht dat deze extreme hoeveelheid neerslag kan worden verwerkt, zodat sprake was van een overmacht-situatie. De klachten van [appellanten] . tegen deze oordelen (hun ongenummerde grief in samenhang met hun overige grieven) zijn gegrond, zoals het hof hiervoor al grotendeels heeft toegelicht. Vaststaat immers dat het afwateringssysteem ter plaatse van de woning van [appellanten] . al enige tijd niet goed functioneerde, ook niet bij een bui-08.
6.21.
Overigens was de bui die op 18 juni 2021 is gevallen ook niet zo hevig als de rechtbank heeft aangenomen. Het hof heeft ter zitting met partijen de neerslagradardata van het Hoogheemraadschap besproken. Op basis daarvan, en op grond van wat verder in hoger beroep naar voren is gebracht, moet worden aangenomen dat op 18 juni 2021 in één uur tijd geen 80-90 mm, maar zo’n 60 mm regen is gevallen. Volgens de toelichting van de gemeente ter zitting in hoger beroep gaat het om een bui die zich statistisch gemiddeld slechts eenmaal in de honderd jaar voordoet. [appellanten] . hebben ter zitting in hoger beroep erop gewezen dat door de VNG wordt benadrukt dat regenbuien die voorheen eens per honderd jaar voorkwamen, nu gemiddeld twee tot vijf keer per jaar plaatsvinden.
6.22.
Het hof laat de frequentie waarin een bui van 60 mm per uur op dezelfde plek voorkomt hier in het midden. Hetgeen eerder in dit arrest is besproken in onderling verband en samenhang beschouwd betekent immers reeds dat de gemeente toerekenbaar onrechtmatig jegens [appellanten] . heeft gehandeld. Dit toerekenbaar onrechtmatig handelen bestaat uit het nalaten van de gemeente om tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om schade van [appellanten] . als gevolg van het feit dat het afwateringssysteem ter plaatse van hun woning al enige tijd niet meer goed functioneerde te voorkomen of beperken. Dit onrechtmatig handelen is de gemeente toerekenbaar. Voor de schade die [appellanten] . daardoor méér hebben geleden dan zij zouden hebben gedaan ingeval de gemeente wel aan haar zorgplicht had voldaan om tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen, is de gemeente aansprakelijk. Van een overmacht-situatie is met betrekking tot deze schade geen sprake.
6.23.
Voor zover de gemeente bedoelt dat geen condicio sine qua non-verband bestaat tussen de schade van [appellanten] . en voormeld toerekenbaar onrechtmatig handelen, overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat op 18 juni 2021 (sterk vervuild) water de woning van [appellanten] . is binnengetreden. [appellanten] . hebben gesteld dat wanneer de gemeente wel aan haar zorgplicht had voldaan, het riool in goede staat was geweest en/of er tijdelijke andere maatregelen waren getroffen, en dan minder schade aan hun woning was ontstaan. De gemeente heeft het voorgaande niet voldoende gemotiveerd betwist. Hierbij heeft het hof mede in ogenschouw genomen dat van de gemeente meer adstructie van haar betwisting had kunnen worden verlangd, juist in haar positie als gemeente. Die is achterwege gebleven. Daardoor is het betoog van [appellanten] . onvoldoende weersproken en acht het hof de mogelijkheid van schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van de gemeente voldoende aannemelijk.
6.24.
Het antwoord op de vraag in welke mate extra onderhoud en aanvullende maatregelen de schade van [appellanten] . hadden kunnen voorkomen of beperken, is in deze procedure nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Het hof is daardoor niet in staat de voor vergoeding vatbare schade te begroten. Dat maakt verwijzing naar de schadestaatprocedure opportuun, anders dan de gemeente heeft bepleit. Aan de minimumvereisten daarvoor is voldaan.

Het vervolg
6.25.
Het staat de rechter in de schadestaatprocedure geheel vrij om te oordelen over de omvang van de schade die voor vergoeding vatbaar is op basis van de grondslag voor aansprakelijkheid die in deze procedure onder 6.22 hiervoor is vastgesteld.
6.26.
Bij de begroting van de schade zal naar verwachting in de schadestaatprocedure een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending, en de hypothetische situatie zoals die geweest zou zijn als de normschending zou zijn uitgebleven. Wat de feitelijke situatie betreft, gaat het dan om de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen. Wat de hypothetische situatie betreft, gaat het dan om de vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending. Voor die hypothetische situatie zal dan dus niet worden uitgegaan van de norm van een redelijk handelende en redelijk bekwame gemeente, maar van het extra onderhoud dat feitelijk zou zijn gedaan en de aanvullende maatregelen die feitelijk zouden zijn getroffen, zij het dat daarbij wel uitgangspunt zal zijn dat geen normschending zou hebben plaatsgevonden (vgl. HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987, rov. 3.5.3.).
6.27.
Er is wellicht deskundige voorlichting nodig voor het antwoord op de vraag of (en in welke mate) de maatregelen die feitelijk zouden zijn getroffen de schade daadwerkelijk hadden voorkomen of beperkt.
6.28.
In de schadestaatprocedure kunnen ook andere leerstukken worden uitgewerkt, zoals het beroep van de gemeente op de artikelen 6:98 en 6:101 BW. Datzelfde geldt voor het betoog van de gemeente dat op de schade in mindering strekt wat [appellanten] . uitgekeerd hebben gekregen van hun verzekeringsmaatschappij, en wat zij hebben opgehaald bij de crowdfunding actie die zij hebben georganiseerd.
6.29.
Het voorgaande betekent dat partijen mogelijk nog een lange weg hebben te gaan, terwijl de uitkomst onder de streep nu nog onzeker is. Voor partijen zou dat een reden kunnen zijn om verder te onderzoeken of een regeling in der minne tot de mogelijkheden behoort.

Wettelijke rente
6.30.
De door [appellanten] . gevorderde wettelijke rente over de bij staat toe te wijzen schadevergoeding is toewijsbaar, waarbij de rechter in de schadestaatprocedure de ingangsdatum zal bepalen.

Overige grondslagen
6.31.
[appellanten] . hebben hun vorderingen verder gestoeld op onrechtmatige hinder en opstalaansprakelijkheid. Er is echter geen aanknopingspunt dat [appellanten] . voldoende belang hebben bij een bespreking van deze grondslagen. Daardoor kan ook in het midden blijven door welke oorzaak het afwateringssysteem ter plaatse van de woning van [appellanten] . al enige tijd niet meer goed functioneerde, en of die oorzaak kan worden aangemerkt als een gebrek van de opstal (als zodanig) in de zin van artikel 6:174 BW.
6.32.
Verder overweegt het hof nog als volgt. Als [appellanten] . menen dat de gemeente aansprakelijk is vanwege haar handelen of nalaten nádat de schade was ontstaan (nr. 72 memorie van grieven), gaat het hof daaraan voorbij, omdat deze grondslag voor aansprakelijkheid niet voldoende is toegelicht.

Slotoverwegingen
6.33.
Uit hetgeen in dit arrest is overwogen, volgt dat aan (tegen)bewijslevering niet wordt toegekomen.
6.34.
De ongenummerde grief van [appellanten] . slaagt. Ook grief III slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vorderingen van [appellanten] . zijn toewijsbaar op de wijze als onder de beslissing vermeld.
6.35.
De gemeente is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Ook grief IV slaagt dus. Het hof kan de overige grieven onbesproken laten.
6.36.
Het hof stelt de kosten als volgt vast:

Eerste aanleg

- explootkosten € 131,18

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 1.196,00 (tarief II × 2 punten)

Hoger beroep

- explootkosten € 129,14

- griffierecht € 362,00

- salaris advocaat € 2.428,00 (tarief II × 2 punten)

Totaal € 4.560,32
<nr>7</nr>Beslissing
Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens [appellanten] . heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [appellanten] . hebben geleden en nog zullen lijden ten gevolge van het feit dat de gemeente heeft nagelaten tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om schade van [appellanten] . als gevolg van het feit dat het afwateringssysteem ter plaatse van hun woning al enige tijd niet meer goed functioneerde te voorkomen of beperken;

veroordeelt de gemeente om aan [appellanten] . tegen behoorlijk bewijs van kwijting deze schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in beide instanties tot op heden aan de zijde van [appellanten] . vastgesteld op € 4.560,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt de gemeente tot betaling van € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;

verklaart dit arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M. Korsten-Krijnen, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. S. Tamboer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Artikel delen