zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.307.559/01 |
|
CJIB-nummer |
: 234303491 |
|
Uitspraak d.d. |
: 12 januari 2023 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “binnen een erf parkeren anders dan op een daarvoor bestemde parkeerplaats”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 december 2019 om 16:32 uur op de Science Park 608 in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat uit de door de ambtenaar gemaakte foto’s duidelijk blijkt dat het voertuig stond geparkeerd in de berm. Het bord G5 heeft daar geen werking. De gemachtigde verwijst daarbij naar jurisprudentie van het hof. Verder heeft het betreffende gebied naar zijn uiterlijke verschijningvorm niets weg van een woonerf. Een woonerf ligt doorgaans in een woonwijk. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het betreft hier een industrieterrein. Tot slot doet de plaats waar het voertuig stond zich naar zijn uiterlijke verschijningsvorm voor als een parkeerplaats. Dit brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 46 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin voor zover relevant is bepaald dat het bestuurders van een motorvoertuig is verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig geparkeerd stond binnen een woonerf (het hof begrijpt: erf). Bord G5 was duidelijk zichtbaar. Ik zag dat het voertuig buiten een parkeervak stond.”
6. Voorts bevindt zich in het dossier het brondocument met daarbij de foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is te zien dat het voertuig met kenteken [kenteken] staat geparkeerd op een braakliggend stuk grond net voorbij een bord G5 (erf) van bijlage 1 bij het RVV 1990.
7. In de arresten van het hof waarnaar de gemachtigde heeft verwezen is geoordeeld dat de werking van een (zone)bord E1 zich niet uitstrekt tot de berm. De stelling van de gemachtigde dat dit ook geldt voor een bord G5 vindt geen steun in het recht. De vraag of het stuk grond waarop het voertuig stond al dan niet als berm moet worden aangemerkt behoeft hiermee geen bespreking meer.
8. Voor de vraag of sprake is van een erf in de zin van artikel 46 van het RVV 1990 is niet bepalend hoe het gebied zich aan de weggebruiker voordoet, maar of het is aangeduid middels een bord G5. Daarvan is in dit geval sprake. Geen rechtsregel verzet zich ertegen om een industrieterrein als erf aan te merken. De stelling van de gemachtigde dat het betreffende gebied niet als (woon)erf kan worden aangemerkt faalt dan ook.
9. Tot slot is het hof van oordeel dat het stuk grond waar het voertuig stond geparkeerd niet kan worden aangemerkt als een als zodanig aangeduide of aangegeven parkeerplaats. Deze grond van de gemachtigde faalt dus eveneens.
10. Nu de gronden van de gemachtigde falen zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd en zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.