Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:188

Kinderontvoering. Beslissing tot teruggeleiding in hoger beroep bekrachtigd. Beroep op weigeringsgronden - ondragelijke toestand en verzet van de minderjarige – slaagt niet.

Gerechtshof Den Haag 27 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:188 text/xml public 2026-02-27T16:45:27 2026-02-16 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-05 200.363.318/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:27330, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:188 text/html public 2026-02-27T16:44:41 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:188 Gerechtshof Den Haag , 05-02-2026 / 200.363.318/01
Kinderontvoering. Beslissing tot teruggeleiding in hoger beroep bekrachtigd.

Beroep op weigeringsgronden - ondragelijke toestand en verzet van de minderjarige – slaagt niet.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie

zaaknummer : 200.363.318/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 25-8336

zaaknummer rechtbank : C/09/694114

beschikking van de meervoudige kamer van 5 februari 2026

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Ferwerda te Amsterdam,

tegen

[de vader] ,

wonende op een bij het hof onbekend adres te Spanje,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de bijzondere curator] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over het hierna te noemen kind [minderjarige 1] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

raad voor de kinderbescherming Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.
<nr>1</nr>De zaak en de beschikking in het kort 1.1
Deze zaak gaat over de teruggeleiding van de hierna te noemen kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit Nederland naar Spanje. De rechtbank Den Haag heeft in de beschikking van 24 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader tot terugkeer van de kinderen naar Spanje toegewezen.
1.2
De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Zij wil dat de teruggeleiding van de kinderen naar Spanje alsnog wordt afgewezen. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.
1.3
In deze beschikking wijst het hof het hoger beroep van de moeder af. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en niet een andere beslissing neemt dan de rechtbank.
1.4
Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en het geschil in hoger beroep. Daarna geeft het hof de standpunten van partijen weer en motiveert het hof zijn beslissing.
<nr>2</nr>Het geding in hoger beroep 2.1
De moeder is op 6 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 15 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

een journaalbericht van de zijde van de moeder van 7 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

een journaalbericht van de zijde van de moeder van 6 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op 8 januari 2026;

een journaalbericht van de zijde van de moeder van 19 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

een journaalbericht van de zijde van de moeder van 20 januari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

een journaalbericht van de zijde van de vader van 21 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
Het hof heeft op 13 januari 2026 het verslag van de bijzondere curator ontvangen.
2.5
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben de voorzitter en de griffier een gesprek met de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] gehad. De andere twee raadsheren zijn hierbij via een digitale verbinding aanwezig geweest.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 22 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader (via een telefonische verbinding), bijgestaan door zijn advocaat en mr. J.H. Weermeijer-Patist;

de bijzondere curator;

de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger 1] en [raadsvertegenwoordiger 2] .
<nr>3</nr>De feiten 3.1
Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.3
Zij zijn de ouders van:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ), en;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , Spanje (hierna: [minderjarige 2] ),

(hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
3.4
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
3.5
In mei 2025 is de moeder met de kinderen naar Nederland vertrokken.
3.6
De ouders en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.7
De vader heeft zich gewend tot de Spaanse Centrale Autoriteit.
3.8
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 december 2025 is [de bijzondere curator] benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 1] .
<nr>4</nr>De omvang van het geschil 4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de terugkeer van de kinderen naar Spanje gelast, uiterlijk op 12 januari 2026, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen naar Spanje, en bevolen, indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen naar Spanje, dat de moeder de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 12 januari 2026, zodat de vader de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Spanje. Verder heeft de rechtbank de moeder veroordeeld tot betaling aan de vader van de door hem in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten van in totaal € 523,62. Het meer of anders verzochte (waaronder het verzoek van de vader om de kinderen aan hem af te geven) is afgewezen.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof om, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende:

het in eerste aanleg gedane verzoek tot teruggeleiding van de kinderen alsnog af te wijzen;

het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de door de vader gemaakte proceskosten, reis- en verblijfskosten af te wijzen, zowel ten aanzien van de kosten in eerste aanleg als ten aanzien van de kosten in hoger beroep.
4.3
De vader voert verweer. Hij verzoekt het hof bij beschikking, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:

I. de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet met verbetering van de gronden;

II. de moeder te veroordelen tot voldoening van de proceskosten van de vader zijnde € 188,- alsmede het aan het hof verschuldigde griffierecht van € 373,- en de kantoorkosten ad € 175,- te vermeerderen met reis- en verblijfskosten en eventuele kosten voor het aanvragen van een (voorlopig) reisdocument en de reis- en verblijfskosten van de vader en de kinderen, indien de vader de kinderen dient op te halen om terug te keren naar Spanje.
<nr>5</nr>De motivering van de beslissing
Vooraf
5.1
Het verzoek tot teruggeleiding van de kinderen is gebaseerd op het Haags verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag), waarbij zowel Nederland als Spanje partij zijn.
5.2
Aangezien de kinderen feitelijk verblijven in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het teruggeleidingsverzoek (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het hof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
5.3
Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding; artikel 3 van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?
5.4
Op grond van artikel 3 van het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Ongeoorloofde overbrenging
5.5
Niet in geschil is dat de kinderen onmiddellijk voor de overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Spanje hadden en dat partijen op dat moment daadwerkelijk gezamenlijk het gezag uitoefenden over de kinderen. Voorts is niet in geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de kinderen naar Nederland en dat de overbrenging in strijd is geweest met het gezagsrecht van de vader naar Spaans recht. Het hof is van oordeel dat sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van de kinderen in de zin van het Verdrag gelet op het voorgaande.

Onmiddellijke terugkeer; artikel 12 lid 1 van het Verdrag
5.6
Op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
5.7
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de kinderen naar Nederland en de indiening van het verzoek in eerste aanleg door de vader, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Spanje te volgen, tenzij sprake is van één van de in het Verdrag genoemde weigeringsgronden. De moeder beroept zich op de weigeringsgronden in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.
5.8
Voordat het hof overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van deze weigeringsgronden, zal het hof vermelden wat daarover in het Verdrag staat. Daarbij betrekt het hof ook de relevante rechtspraak van de Hoge Raad.

Weigeringsgrond; artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?
5.9
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.
5.10
Het hof stelt voorop dat artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in uitzonderlijke situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat, in geval van kinderontvoering, terugkeer naar de staat van de gewone verblijfplaats in het belang van het kind is en dat de verzochte terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. De rechter van de aangezochte staat mag de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar en bij wie van de ouders het kind zijn uiteindelijke verblijfplaats moet hebben, moet immers plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in de onderhavige procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen (zie HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4795).

Standpunten van partijen
5.11
De moeder stelt dat de kinderen in een ondragelijke toestand komen te verkeren bij een teruggeleiding naar Spanje. De moeder legt ter onderbouwing van haar stelling twee deskundigenrapporten over waarin wordt geconcludeerd dat sprake is geweest van psychisch geweld door de vader in de vorm van ‘coercive control’. Terugkeer van de kinderen naar Spanje leidt daarom tot een reëel en ernstig risico op psychische schade. [minderjarige 1] heeft reeds een trauma opgelopen door zijn ervaringen met de vader. De moeder en de deskundigen maken zich verder ernstig zorgen over de uitlatingen van [minderjarige 1] dat hij liever dood wil dan dat hij terug moet keren naar Spanje. Een teruggeleiding naar Spanje kan leiden tot een hertraumatisering van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft passende hulpverlening nodig die in Spanje niet beschikbaar is. Er zijn in Spanje onvoldoende adequate voorzieningen om de kinderen te beschermen. In Nederland heeft de moeder een netwerk om haar te ondersteunen wat zij niet heeft in Spanje. De hulpverlening die wel aanwezig is in Spanje is niet helpend door de taalbarrière die de moeder en de kinderen ervaren. De verwachte bescherming waar de rechtbank van uit lijkt te gaan in Spanje is dus feitelijk niet aanwezig. Verder is er in Spanje ook geen passend onderwijs voor [minderjarige 1] . Dit betekent dat [minderjarige 1] weer thuisonderwijs moet gaan volgen, wat niet in zijn belang is. Tot slot heeft de moeder in Spanje geen woning om naar terug te keren met de kinderen. Terugkeren naar de woning van de vader is geen optie en de moeder beschikt niet over de financiële middelen om zelf woonruimte te vinden. Een teruggeleiding van de kinderen naar Spanje zal zonder adequate bescherming van de kinderen een schending vormen van verschillende internationale verdragsbepalingen, waaronder artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 19 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en artikel 31 van de Istanbul-conventie.
5.12
De vader betwist dat teruggeleiding van de kinderen naar Spanje zal leiden tot een ondragelijke toestand in de zin van artikel 13 lid 1 onder b van het Verdrag. Hij stelt allereerst dat er geen sprake is van ‘coercive control’ of intieme terreur. De moeder is juist degene die hem buitensluit en ervoor zorgt dat de kinderen in een loyaliteitsconflict komen. Er is geen sprake van een structurele dwangmatige opstelling van de vader. De zorgen van de moeder zijn pas ontstaan nadat de moeder met de kinderen naar Nederland is gegaan. De onderzoeken die de moeder heeft laten uitvoeren zijn, naast dat de vader de deskundigheid van de uitvoerders ervan betwist, eenzijdig en enkel gebaseerd op informatie verstrekt door de moeder. De vader vindt dat het hof deze stukken daarom niet moet betrekken in zijn oordeel. Net als de moeder maakt de vader zich zorgen om de heftige uitspraken van [minderjarige 1] , maar de vader meent dat er ook in Spanje passende hulpverlening voor [minderjarige 1] is. De vader heeft al contact opgenomen met meerdere Nederlands- en/of Engelstalige hulpverleningsinstanties die gespecialiseerd zijn in de problematiek rondom het gezin. Hulpverlening kan direct worden opgestart zodra de kinderen zijn teruggekeerd naar Spanje. De beslissingen over de kinderen en de problematiek rondom de ouders moeten worden voorgelegd bij de Spaanse rechter. Spanje is een EU-lidstaat met een geavanceerd rechtssysteem. Anders dan de moeder betoogt, zullen de kinderen bij een teruggeleiding terugkeren naar Spanje en niet naar de invloedsfeer van de vader. De moeder is daarnaast sinds de ontvoering zelf ook een aantal keer afgereisd naar Spanje. De vader stelt zich meewerkend op om de teruggeleiding voor de kinderen zo goed mogelijk te laten verlopen. De moeder kan vanaf 1 maart 2026 gebruik maken van de gezamenlijke vakantiewoning van partijen. In de tussenliggende periode stelt de vader zijn eigen woning beschikbaar. Daarnaast zal de auto van partijen eveneens beschikbaar zijn voor de moeder. Verder zal hij zijn toestemming verlenen voor het inschakelen van hulpverlening voor [minderjarige 1] en voor het aanmelden van [minderjarige 1] bij regulier onderwijs in Spanje. Mocht de moeder daarnaast nog financiële middelen nodig hebben, dan kan zij (opnieuw) haar woning in Amsterdam verhuren. De door de vader aangeboden garanties zijn meer dan adequaat om de periode te overbruggen tot het moment dat er concrete afspraken worden gemaakt over de toekomst.
5.13
De bijzondere curator heeft ter zitting naar voren gebracht dat het een zeer zorgelijke situatie betreft. [minderjarige 1] zit in een loyaliteitsconflict doordat hij last heeft van hoe de ouders met elkaar omgaan. Hij kan zelf niet uit dit conflict komen en doet daardoor heftige uitlatingen die niet horen bij een kind van tien jaar oud. De ouders nemen geen verantwoordelijkheid en handelen niet in het belang van de kinderen.
5.14
De raad benadrukt ter zitting dat het gaat om een ordemaatregel en niet om een gezagsbeslissing. De kinderen zullen in geval van een terugkeer naar Spanje niet ook terugkeren naar de vader. Spanje staat verder bekend om zijn vooruitstrevende wetgeving en hulpverlening in geval van huiselijk geweld. Gelet op de grote zorgen over in het bijzonder [minderjarige 1] zal de raad een zorgmelding doen zodat de kinderen, ook bij terugkeer naar Spanje, goed zullen worden opgevangen. De raad vraagt de ouders om naar zichzelf te kijken en hun gedrag te veranderen in het belang van de kinderen. Momenteel worden de kinderen bij beide ouders onvoldoende beschermd.

Oordeel van het hof
5.15
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen sprake is van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. Het hof neemt de gronden waarop dit oordeel berust over en maakt deze - na eigen afweging - tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
5.16
Voorop gesteld moet worden dat het in de onderhavige procedure gaat om een ordemaatregel. De vraag waar de kinderen uiteindelijk zullen verblijven en hoe een eventuele omgangsregeling met de vader er uit zal zien, zal beantwoord moeten worden in een bodemprocedure en past niet in onderhavige teruggeleidingsprocedure. De stelling van de moeder dat de vader ‘coercive control’ over haar heeft uitgeoefend en dat ook de kinderen daar schade van hebben ondervonden, is naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan. De door de moeder in dit verband overgelegde deskundigenonderzoeken zijn enkel gebaseerd op informatie van de moeder. Voor het hof is niet duidelijk welke informatie de moeder aan de deskundigen heeft verstrekt en hoe deze informatie in de onderzoeken is verwerkt. Verder heeft het hof onvoldoende zicht op de deskundigheid van die deskundigen.
5.17
De moeder heeft ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd waarom een terugkeer naar Spanje een ondragelijke toestand voor de kinderen zou opleveren. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder verklaard bij een teruggeleiding eveneens terug te keren naar Spanje. Het hof ziet ook geen beletsel voor de moeder om naar Spanje terug te keren. Een teruggeleiding van de kinderen naar Spanje betekent daarom niet per se een terugkeer naar de vader. Daarnaast zijn er ook in Spanje voldoende mogelijkheden om de kinderen in een andere opvoedomgeving te brengen. Ook zijn er in Spanje voldoende adequate voorzieningen aanwezig om de moeder en de kinderen te ondersteunen. De raad heeft daarnaast toegezegd een zorgmelding te doen bij de Spaanse autoriteiten. Er zal dus voldoende aandacht voor het (mentale) welzijn van de kinderen zijn op het moment dat zij terugkeren. De teruggeleiding naar Spanje zal aldus geen schending van de internationale verdragen opleveren.
5.18
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verder toegezegd dat hij de gezamenlijke woning of de vakantiewoning beschikbaar stelt voor de kinderen en de moeder. Daarnaast mogen zij gebruik maken van de gezamenlijke auto. Verder heeft de vader toegezegd dat hij zijn toestemming zal verlenen voor het inschakelen van hulpverlening voor [minderjarige 1] en voor het aanmelden van [minderjarige 1] bij regulier onderwijs in Spanje. Het hof gaat er van uit dat de vader zich aan deze toezeggingen zal houden.
5.19
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag niet.
5.20
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder een bewijsaanbod gedaan. Het hof passeert dit aanbod nu het hier een spoedprocedure betreft gericht op een onverwijlde teruggeleiding ingeval van kinderontvoering. Bovendien heeft de moeder zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt nader te onderbouwen.

Weigeringsgrond; artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Wat staat er in het Verdrag?
5.21
Op grond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechter eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Daarbij is van belang of het verzet van [minderjarige 1] tegen de terugkeer naar Spanje verder strekt dan de enkele wens om bij de ontvoerende ouder te blijven, hoe [minderjarige 1] tot zijn bezwaren tegen de terugkeer naar Spanje is gekomen en of deze bezwaren gebaseerd zijn op een volledig beeld van de realiteit.

Standpunten van partijen
5.22
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van verzet bij [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft consistent en expliciet kenbaar gemaakt dat hij niet wil terugkeren naar Spanje. De moeder is van mening dat de uitlatingen van [minderjarige 1] zeer zorgelijk zijn en het gevolg zijn van de situatie waarin hij verkeerde in Spanje bij zijn vader. Er is sprake van acute psychische nood. Gelet op de uitlatingen van [minderjarige 1] en de zorgen die de moeder heeft is er volgens de moeder sprake van verzet van [minderjarige 1] tegen de teruggeleiding naar Spanje.
5.23
De vader verweert zich hiertegen. Volgens de vader heeft [minderjarige 1] nog niet de leeftijd en mate van rijpheid bereikt die maakt dat met zijn mening rekening dient te worden gehouden. Het enkele feit dat [minderjarige 1] heeft gezegd dat hij liever in Nederland wil wonen omdat hij hier meer vriendjes heeft en naar een andere school kan, betekent niet dat hij ernstige bezwaren heeft tegen een terugkeer naar Spanje. [minderjarige 1] heeft de afgelopen maanden in de invloedsfeer van de moeder gezeten en zit nu in een ernstig loyaliteitsconflict. De vader meent dan ook dat de uitlatingen van [minderjarige 1] in die context moeten worden gezien. Het lijkt erop dat [minderjarige 1] zich enkel nog negatief mag uitlaten over de vader en Spanje. De woede tegenover de vader is het gevolg van een relationeel conflict dat in Spanje kan worden opgelost door middel van hulpverlening. Dit is geen verzet in de zin van het Verdrag. [minderjarige 1] kan in Spanje ook in een andere omgeving opgroeien waar wel meer leeftijdgenootjes in de buurt wonen en waar hij naar een reguliere school kan.
5.24
De bijzondere curator denkt dat [minderjarige 1] niet volledig de gevolgen van zijn uitspraken kan overzien. Het conflict tussen de ouders maakt dat hij niet goed het totale beeld kan zien. Hij koppelt Spanje aan geïsoleerd opgroeien, maar dit hoeft niet de werkelijkheid te zijn.
5.25
De raad is van mening dat [minderjarige 1] nog niet het totale plaatje en de gevolgen van zijn uitspraken kan overzien. Er ligt te veel druk op [minderjarige 1] omdat hij in grote mate wordt betrokken bij het conflict tussen de ouders.

Oordeel van het hof
5.26
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.
5.27
Gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] (tien jaar) dient in beginsel rekening te worden gehouden met zijn mening. [minderjarige 1] heeft zowel bij het hof als bij de bijzondere curator zijn mening gegeven en is hier ook consistent in geweest. Wel volgt het hof de bijzondere curator en de raad in hun inschatting dat [minderjarige 1] niet volledig de situatie en de gevolgen van een verblijf in Nederland dan wel Spanje kan overzien. [minderjarige 1] heeft een beeld bij terugkeer naar Spanje dat gekleurd is door positieve ervaringen in Nederland in de afgelopen periode, negatieve verwachtingen in geval van terugkeer naar Spanje en het loyaliteitsconflict waar hij zich in bevindt. Zo denkt hij dat hij bij een teruggeleiding naar Spanje moet terugkeren naar de vader, dat er alleen maar scholen zijn die op een gevangenis lijken en dat hij – anders dan in Nederland – geen mogelijkheid heeft om vriendjes te maken. Hij heeft het gevoel dat hij een keuze moet maken tussen beide landen en zijn ouders en een bepaalde boodschap moet uitdragen. Hoewel het hof de mening van [minderjarige 1] heeft gehoord en deze van belang acht, ziet het hof de uitlatingen van [minderjarige 1] in het kader van het loyaliteitsconflict waarin hij is beland als gevolg van de strijd tussen de ouders. In die zin kan niet van authentiek verzet in de zin van het Verdrag worden gesproken. Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag slaagt daarom ook niet.

Conclusie
5.28
Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep van de moeder afwijzen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen en, net als de rechtbank, de teruggeleiding van de kinderen naar Spanje zal gelasten.
5.29
Nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding, als gevolg van dit hoger beroep, inmiddels is verstreken zal het hof bepalen dat de moeder de kinderen uiterlijk op 23 februari 2026 dient terug te brengen naar Spanje. Indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen naar Spanje beveelt het hof dat de moeder de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 23 februari 2026, zodat de vader de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Spanje.
5.30
De bijzondere curator zal van haar taak worden ontslagen met ingang van de datum van deze beschikking.

Kosten
5.31
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de Centrale Autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.
5.32
De moeder verzoekt het hof het verzoek van de vader om haar te veroordelen in de door de vader gemaakte proceskosten en reis- en verblijfkosten af te wijzen, zowel ten aanzien van de kosten in eerste aanleg als ten aanzien van de kosten in hoger beroep. De vader verzoekt het hof om de moeder te veroordelen tot betaling van de door hem gemaakte kosten in hoger beroep. Het hof overweegt als volgt.
5.33
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling van de moeder. Het hof ziet daarnaast aanleiding om de moeder te veroordelen in de door de vader gemaakte kosten in hoger beroep.
5.34
Dat betekent dat het hof de moeder zal veroordelen in de betaling van de proceskosten van de vader in hoger beroep van in totaal € 736,- euro (€ 188,- eigen bijdrage, € 373,- griffierecht en € 125,- kantoorkosten).
5.35
Dit leidt tot de volgende beslissing.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking met dien verstande dat het hof:

de terugkeer gelast van:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , Spanje;

naar Spanje uiterlijk op 23 februari 2026, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen naar Spanje en beveelt, indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen naar Spanje, dat de moeder de kinderen aan de vader zal afgeven uiterlijk op 23 februari 2026, zodat de vader de kinderen zelf kan terugnemen naar Spanje;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontslaat de bijzondere curator [de bijzondere curator] van haar taak met ingang van de datum van deze beschikking;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten in hoger beroep van € 736,-;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, I. Reijngoud en E.B.J. van Elden, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 5 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel delen