Hoger Beroep. Dexia. Vervolg op ECLI:NL:HR:2023:889. Vergunningplichtige advisering.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22 September 2025
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2533
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2025
Datum publicatie
22-09-2025
Zaaknummer
200.352.836_01
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
ECLI:NL:GHSHE:2025:2533text/xmlpublic2025-09-22T17:08:582025-09-19Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof 's-Hertogenbosch2025-06-24200.352.836_01UitspraakVerwijzing na Hoge RaadNL's-HertogenboschCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2533text/htmlpublic2025-09-22T17:03:372025-09-22Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHSHE:2025:2533 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 24-06-2025 / 200.352.836_01 Hoger Beroep. Dexia. Vervolg op ECLI:NL:HR:2023:889. Vergunningplichtige advisering.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Zaaknummer gerechtshof: 200.352.836/01
Zaaknummer rechtbank: 6575366 CV EXPL 18-80 arrest van 24 juni 2025 in de zaak van Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam, tegen
[geïntimeerde 1]
,
en
[geïntimeerde 2]
,
beiden wonende in [woonplaats] (gemeente Hellendoorn),
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam. 1De procedure in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 april 2019 zoals aangevuld bij vonnis van 9 mei 2019. 2De procedure na verwijzing 2.1. Voor het verloop van de procedure in hoger beroep en cassatie verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:889) en de daarin genoemde stukken. 2.2. Na verwijzing heeft [geïntimeerden], samen met twee andere afnemers van effectenleaseproducten, Dexia bij exploot opgeroepen. Bij het hof is dat aanvankelijk geadministreerd onder het zaaknummer 200.3347.030. [geïntimeerden] heeft vervolgens een memorie na verwijzing genomen. Dexia is akte niet dienen verleend. Vervolgens zijn de drie procedures na verwijzing onder drie zaaknummers geadministreerd. 2.3. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De kern van de zaak3.1. Voor het geschil tussen partijen en de feiten verwijst het hof naar het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2021. Na cassatie en verwijzing is (alleen) aan de orde of [geïntimeerden] is geadviseerd door de tussenpersoon (die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist dan wel behoorde te weten). Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerden] vergoeden. Juridisch kader 3.2. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zoals bevestigd in het verwijzingsarrest van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:885, rov. 3.2.1 en verder), brengt de enkele omstandigheid dat Dexia in strijd met artikel 41 NR 1999 – dan wel het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl Dexia wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten (ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2018:1935). 3.3. De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) nader uiteengezet wanneer sprake is van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon (zie ook het verwijzingsarrest onder 3.2.2 en 3.2.3). Dit is het geval indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
(i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer,
(ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, en,
(iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. 3.4. Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en Dexia dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat:
( i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen, (ii) de tussenpersoon zich presenteerde als deskundige op het gebied van financiële advisering,
(iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon,
(iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, en,
( v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad. Advisering 3.5.
[geïntimeerden] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [xxx] Vastgoed in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten zoals weergegeven in het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. De stellingen van [geïntimeerden] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerden] heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met een bij naam genoemde medewerker van [xxx] Vastgoed. Daarbij is besproken dat [geïntimeerden] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [geïntimeerden] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerden] door de medewerker van [xxx] Vastgoed geadviseerd om de specifieke effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Deze producten waren volgens de medewerker van [xxx] Vastgoed geschikt voor de situatie van [geïntimeerden]. [geïntimeerden] heeft op het advies van de medewerker van [xxx] Vastgoed vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens zijn de contracten aan [geïntimeerden] gestuurd en is [geïntimeerden] de effectenleaseovereenkomsten aangegaan, aldus [geïntimeerden]. 3.6. Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerden] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerden] betrokken is geweest. [geïntimeerden] kan volgens Dexia niet volstaan met een algemene beschrijving van de vermeende vaste werkwijze van de tussenpersoon en de (blote) stelling dat een dergelijke werkwijze ook in het geval van [geïntimeerden] van toepassing zou zijn geweest. Ook betoogt Dexia dat een onderzoek naar de financiële positie, kennis en ervaring en de beleggingsdoelstellingen van een afnemer altijd noodzakelijk is om tot de conclusie te kunnen komen dat een beleggingsproduct als geschikt voor een afnemer is gepresenteerd. [geïntimeerden] heeft volgens Dexia echter op geen enkele wijze gesteld of onderbouwd op welke wijze de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor [geïntimeerden] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerden]. Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerden] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerden] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. 3.7. Het hof stelt het volgende voorop. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak waarin dezelfde documentatie werd beoordeeld, overweegt het hof dat uit de door [geïntimeerden] overgelegde producties (en voor zover die stukken in deze procedure niet zijn overgelegd, voldoende bij partijen bekend zijn) het beeld naar voren komt dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. In voldoende mate blijkt dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies. 3.8. In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, was het ook aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, op grond waarvan Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico. 3.9. Voor het antwoord op de vraag of de tussenpersoon in deze zaak vergunningplichtig advies heeft gegeven, brengt het voorgaande het volgende mee.
De door [geïntimeerden] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, indien deze vast komt te staan, moet in het licht van de rechtspraak zoals (onder 3.2.1 - 3.2.3) weergegeven in het verwijzingsarrest worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Zo oordeelde de Hoge Raad ook in rov. 3.3 van dat arrest . Uit de stellingen van [geïntimeerden] volgt immers dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerden], (ii) [geïntimeerden] de financiële doelen aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd, (iv) met welk product volgens de tussenpersoon de financiële doelen van [geïntimeerden] konden worden gerealiseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten aan [geïntimeerden] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerden] en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Dit staat na verwijzing niet meer ter discussie. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerden] overgelegde producties ook voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken zoals beschreven door [geïntimeerden] bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerden] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd. 3.10. Het lag op de weg van Dexia om (meer) concreet toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet vergunningplichtig is geadviseerd. Het niet onderbouwde betoog van Dexia dat er bewijs is dat de tussenpersoon veelvuldig een andere werkwijze hanteerde dan het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling is daartoe onvoldoende. Gelet op de keus van Dexia om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, moest Dexia nagaan wat de aard van de betrokkenheid van de (op de overeenkomsten vermelde) tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Dexia, waaronder het feit dat Dexia in deze zaak kennelijk niet in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat de tussenpersoon aan [geïntimeerden] geen beleggingsadvies heeft verstrekt. 3.11. Uit het voorgaande volgt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerden]. De tussenpersoon heeft derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar [xxx] Vastgoed als cliëntenremisier wel toe gehouden was. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2022 geformuleerde criteria. Dexia komt niet toe aan het leveren van (nader) bewijs, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Wetenschap Dexia 3.12. Naast de voorwaarde dat is geadviseerd door de tussenpersoon, is ook vereist dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven. 3.13.
[geïntimeerden] heeft in dit kader onder meer het volgende aangevoerd. Uit de door [geïntimeerden] overgelegde producties, die ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia op de hoogte was van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen en ook de opzet had om de tussenpersonen te laten adviseren. Dat is in het onderhavige geval niet anders, omdat de opzet van Dexia niet per tussenpersoon verschilde. Dexia had in ieder geval behoren te weten dat de tussenpersoon aan die opzet voldeed. Dexia koos ervoor om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, zodat zij volgens [geïntimeerden] moest waarborgen dat zij aan de eisen van artikel 41 NR 1999 moest voldoen door na te gaan of geen sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. 3.14. Dexia heeft op verschillende punten verweer gevoerd en aangevoerd dat effectenleaseovereenkomsten op verschillende wijzen werden gesloten door tussenpersonen. Dexia stelt zich onder meer op het standpunt dat zij geen aanwijzingen had dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf en dit ook niet heeft kunnen weten tot de brief van de STE (nu AFM) van 5 februari 2002. Ten tijde van het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten had volgens Dexia niemand ooit beweerd dat de combinatie van beleggingsadvies met cliëntenremise vergunningplichtig had kunnen zijn. Meer in het bijzonder merkt Dexia op dat zij tot aan de beleidsbrief van de STE (nu AFM) van 5 februari 2002 niet heeft kunnen weten van vergunningplichtige advisering door enige tussenpersoon. 3.15. Het hof verwijst naar wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de plicht van Dexia om na te gaan wat de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon was en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet-nakomen van die plicht. Er zijn geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat Dexia niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon zou hebben onderzocht. Voor zover zij dit niet wist, komt dit voor haar rekening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Dexia in een eigen memorandum (van 25 maart 2007) ook het standpunt heeft ingenomen dat de werkzaamheden van de tussenpersonen, met wie zij werkte op basis van (een) cliëntenremisierovereenkomst(en), zich zelden beperkten tot de werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin en dat doorgaans sprake was van het geven van beleggingsadvies. Aan de eis dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven, is in dit geval dus voldaan. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Conclusie 3.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [geïntimeerden] op de billijkheidscorrectie slaagt en dat Dexia de schade van [geïntimeerden] volledig dient te vergoeden. Het hof gaat voorbij aan de stelling van Dexia dat er geen causaal verband bestaat tussen het verzuim van de waarschuwingsplicht en het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. Dexia heeft ter onderbouwing van dit verweer geen (voldoende) specifieke feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [geïntimeerden] de effectenleaseovereenkomsten ook zou hebben gesloten als [geïntimeerden] voor de risico’s ervan indringend was gewaarschuwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen (vgl. Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, rov. 5.5.3). Het verweer van Dexia dat de vordering gebaseerd op de schending van artikel 41 NR 1999 is verjaard, gaat niet op omdat het hier niet gaat om een vordering van [geïntimeerden] gebaseerd op schending van dit artikel. Dit artikel speelt alleen een rol in het kader van de bij een beroep van Dexia op eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerden] in acht te nemen billijkheidsafweging. Slotsom en proceskosten 3.17. Alleen de grief (VI) van Dexia tegen de toegewezen buitengerechtelijke kosten slaagt, de overige grieven (II, III en VII) in principaal hoger beroep niet. De grieven I, IV en V heeft Dexia ingetrokken. Ook het incidenteel hoger beroep slaagt niet. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal, met uitzondering van de toegewezen buitengerechtelijke kosten, worden bekrachtigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder die na verwijzing. 3.18. De kosten voor de procedure in (principaal) hoger beroep vóór cassatie en verwijzing aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op: - griffierecht € 741,00 - salaris advocaat € 8.852,00 (4 punten × appeltarief IV) - explootkosten (/3) € 45,32 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld) - totaal: € 9.816,32 3.19. In het incidenteel hoger beroep, zal het hof geen proceskostenveroordeling uitspreken. 4De uitspraak Het hof: 4.1. vernietigt het bestreden vonnis voor zover Dexia is veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige; 4.2. veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] op € 9.816,32. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening; 4.3. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan; 4.4. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, H.K.N. Vos en A. van Zanten-Baris, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 juni 2025. griffier rolraadsheer