RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 23/96
(gemachtigde: mr. M. Yamali),
en
(gemachtigde: mr. M. Singh).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verklaring omtrent het gedrag (VOG).
1.1.Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 17 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser voor een VOG mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Op de zitting is duidelijk geworden dat de ontvankelijkheid van het beroep niet meer in geschil is. De beroepsgronden over de ontvankelijkheid zal de rechtbank dan ook niet bespreken.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Verweerder heeft de aanvraag van afgifte van een VOG mogen weigeren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat ging er aan deze procedure vooraf?
5. Op 24 april 2022 heeft eiser een aanvraag voor een VOG ingediend voor de functie van driver bij Quick Taxi B.V. te Amsterdam.
6. Bij brief van 20 mei 2022 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft op 26 mei 2022 een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder met het primaire besluit de afgifte van de VOG geweigerd. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Voor de beoordeling van eisers aanvraag geldt een terugkijktermijn van twee jaren. Binnen de terugkijktermijn zijn in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de volgende relevante justitiële gegevens geregistreerd:
Bij strafbeschikking van [medio februari] 2021 is een geldboete van € 2.000,- opgelegd wegens vervoer gevaarlijke stoffen (artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen);
Bij strafbeschikking van [medio mei] 2021 is een geldboete van € 2.000,- opgelegd wegens vervoer gevaarlijke stoffen (artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen); en,
Op [medio september] 2022 is eiser in eerste aanleg veroordeeld wegens vervoer gevaarlijke stoffen (artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen) tot een geldboete van € 4.000,- subsidiair 50 dagen hechtenis. Eiser heeft op 7 oktober 2022 hoger beroep ingesteld.
Verweerder is van mening dat hiermee aan het objectieve criterium is voldaan. De justitiële gegevens die zijn aangetroffen in het JDS vormen immers, als deze worden herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor het uitoefenen van de functie van driver. Ook is volgens verweerder voldaan aan het subjectieve criterium. Het risico voor de samenleving weegt zwaarder dan het belang van eiser bij de toewijzing van de VOG.
Beroepsgronden eiser
7. Eiser heeft in de beroepsgronden verwezen naar het bezwaarschrift en is nog steeds van mening dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen. Op de zitting heeft eiser dit verduidelijkt en gesteld dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn jeugdige leeftijd, dat het gaat om overtredingen die zijn gepleegd in een kort tijdsbestek ten tijde van de coronaperiode en dat het ging om privégebruik van lachgas. Daarnaast stelt eiser dat het bestreden besluit feitelijke onjuistheden bevat voor wat betreft de veroordeling van [medio september] 2022. Eiser is bij verstek veroordeeld door de politierechter en heeft geen verweer gevoerd in die zaak. Gemachtigde heeft hoger beroep ingesteld en er zal dan ook verweer gevoerd worden.
Beoordeling rechtbank
8. Voor wat betreft het objectieve criterium heeft eiser enkel verwezen naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Verweerder is hier in het bestreden besluit gemotiveerd op ingegaan en in beroep is niet gesteld of en in hoeverre de motivering van verweerder in het bestreden besluit op dit punt tekortschiet. Dit kan daarom niet worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit. De rechtbank zal dan ook niet verder ingaan op het objectieve criterium, omdat hier geen specifieke beroepsgronden op zijn gericht.
9. Als voldaan is aan het objectieve criterium, kan verweerder toch overgaan tot verstrekking van de VOG als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het aan de hand van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving.n
Zie paragraaf 3.3 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, Stcrt. 2017, 68620.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval minder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang dat eiser heeft bij het verstrekken van de VOG dan aan het objectief vastgestelde risico voor de samenleving. Hiervoor neemt de rechtbank mee dat verweerder in de belangenafweging rekening heeft gehouden met de jeugdige leeftijd van eiser. Verweerder hanteert namelijk beleidsmatig voor personen onder de 23 jaar een terugkijkperiode van twee jaar. Deze terugkijkperiode is ook in het geval van eiser gebruikt. Daarnaast volgt daaruit dat eiser in een korte periode is gerecidiveerd. De rechtbank ziet niet in hoe dit in het voordeel van eiser zou moeten wegen. Verder heeft verweerder ook mogen betrekken dat de overtredingen niet licht zijn afgedaan. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt en dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is. De door verweerder gemaakte belangenafweging betekent niet dat eiser nooit meer in aanmerking kan komen voor een VOG voor de functie van driver. Bij een eventuele nieuwe aanvraag moeten alle feiten en omstandigheden meegewogen worden, waaronder het verdere tijdsverloop. Ook volgt de rechtbank niet dat er sprake is van een feitelijke onjuistheid. Een veroordeling bij verstek is immers ook een veroordeling. De beroepsgronden van eiser slagen niet.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de gevraagde VOG mocht weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2023.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.