ECLI:NL:RBAMS:2025:1758
Overlevering. Pools EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van drie straffen. Na eerdere tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2025:1374) alleen nog oordeel over artikel 12 OLW t.a.v. één van de drie Poolse vonnissen. Rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Overlevering toegestaan.
Rechtbank Amsterdam 19 March 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1758
text/xml
public
2025-03-19T14:47:06
2025-03-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2025-03-19
13-404728-24
Uitspraak
Eerste en enige aanleg
NL
Amsterdam
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:1758
text/html
public
2025-03-19T13:17:07
2025-03-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2025:1758 Rechtbank Amsterdam , 19-03-2025 / 13-404728-24
Overlevering. Pools EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van drie straffen. Na eerdere tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2025:1374) alleen nog oordeel over artikel 12 OLW t.a.v. één van de drie Poolse vonnissen. Rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Overlevering toegestaan.
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-404728-24
Datum uitspraak: 19 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 december 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 maart 2024 door the District Court in Kielce in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 26 februari 2025
Bij tussenuitspraak van 26 februari 2025 is het onderzoek heropend en geschorst om ten aanzien van één van de drie vonnissen uit het EAB nadere informatie te verkrijgen in het kader van de toets aan artikel 12 OLW.
Zitting 5 maart 2025
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 5 maart 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. Van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 26 februari 2025
In de tussenuitspraak van 26 februari 2025 heeft de rechtbank het volgende al beoordeeld:
de grondslag en inhoud van het EAB;
de strafbaarheid van de feiten;
artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest);
artikel 11 OLW in combinatie met artikel 4 Handvest (detentieomstandigheden).
artikel 12 OLW ten aanzien van het vonnis met referentie II K 21/22 en het vonnis met referentie II K 306/20.
Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW t.a.v. vonnis II K 390/20
De rechtbank verwijst naar de overwegingen en vragen die zijn geformuleerd in de tussenuitspraak van 26 februari 2025. Deze vragen zien op de procedure in hoger beroep (volgend op de procedure in eerste aanleg, eindigend in het vonnis van 9 november 2022, referentie: II K 390/20). In hoger beroep is arrest gewezen door the District Court in Kielce op 2 juni 2023 (referentie IX Ka 139/23). Overwogen is dat die procedure getoetst moet worden aan artikel 12 OLW.
De door de rechtbank geformuleerde vragen zijn door het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) voorgelegd aan de Poolse autoriteiten, die de vragen op 3 maart 2025 hebben beantwoord.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW, zodat voor deze procedure een verzetgarantie moet worden opgevraagd. De opgeëiste persoon heeft geen weet gehad van de procedure in hoger beroep en heeft de advocaat ook niet gemachtigd om hoger beroep in te stellen of om in hoger beroep de verdediging te voeren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Ofwel er is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder b OLW, ofwel er kan worden afgezien van weigering vanwege de verstrekte adresinstructie die ook zag op de procedure in hoger beroep. Ook kan worden afgezien van weigering omdat de opgeëiste persoon wél om een advocaat heeft verzocht, maar daarna geen enkele handeling heeft ondernomen om op de hoogte te blijven van de procedure. Door zich niet meer te informeren en direct naar Nederland te gaan, heeft hij zich dus welbewust onttrokken aan de gehele strafzaak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een veroordeling terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 maart 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende de procedure in eerste aanleg heeft verzocht om een advocaat, die vervolgens door de rechtbank is aangewezen. Deze advocaat heeft hoger beroep ingesteld en de verdediging gevoerd in hoger beroep. Ook volgt uit deze aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek een adresinstructie heeft gekregen en er daarbij op is gewezen dat deze verplichting “applies to the entire proceedings also to the appeal proceedings, which is clear from the content of the written instructions that [opgeëiste persoon] received personally.” De oproep voor de zitting in hoger beroep is aan het door de opgeëiste persoon verstrekte adres gestuurd. De rechtbank weegt ook mee dat de opgeëiste persoon – die dus op de hoogte was van de verdenking en de strafzaak – ter zitting heeft verklaard dat hij na zijn verzoek om een advocaat, nooit meer heeft geïnformeerd naar het verdere verloop van deze strafzaak; de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij na vrij te zijn gekomen in een andere zaak, na een week naar Nederland is gegaan. In Nederland heeft de opgeëiste persoon zich niet ingeschreven in het BRP. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan het verdere verloop van de (gehele) strafzaak, inclusief een eventuele tenuitvoerlegging van een aan hem op te leggen straf in hoger beroep.
Het toestaan van de overlevering – alle hiervoor genoemde omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien – levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.
5Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 285, 350, 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
7Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Kielce in Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. C. Klomp en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. A.T.P. van Munster en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.