Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:114

Afwijzing verzoek intrekking van in 2017 verleende bouwvergunning ogv Omgevingswet. Eiseres kan geen beroep doen op artikel 3 van de Wet Bibob (bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten) op grond van het relativiteitsbeginsel 8:69a Awb.

Rechtbank Amsterdam 10 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:114 text/xml public 2026-03-10T15:15:56 2026-01-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-14 AMS 25/2373 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:114 text/html public 2026-02-19T09:19:35 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:114 Rechtbank Amsterdam , 14-01-2026 / AMS 25/2373
Afwijzing verzoek intrekking van in 2017 verleende bouwvergunning ogv Omgevingswet. Eiseres kan geen beroep doen op artikel 3 van de Wet Bibob (bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten) op grond van het relativiteitsbeginsel 8:69a Awb.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/2373
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een aan de vergunninghouder in 2017 verleende bouwvergunning in te trekken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om een verleende bouwvergunning in te trekken. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de vergunninghouder en haar partner.
Totstandkoming van het bestreden besluit<?linebreak?>
3.
3.1.
Op 23 juni 2017 heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel [adres] .
3.2.
Eiseres heeft het college op 4 juni 2024 verzocht de omgevingsvergunning in te trekken, omdat er alleen heipalen zijn aangebracht en de bouw sindsdien circa zes jaar stil ligt.
3.3.
Met het primaire besluit van 14 augustus 2024 heeft het college het verzoek de omgevingsvergunning in te trekken geweigerd. Het college heeft aanvullende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden.

4. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het ten tijde van verlening vigerende bestemmingsplan is op 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel uit gaan maken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Uithoorn. De gebruiks- en bouwvoorschriften op het perceel zijn daarmee niet gewijzigd. Ook het Luchthavenindelingbesluit Schiphol staat niet aan de vergunning in de weg. Eiseres heeft verschillende belangen aangevoerd op grond waarvan de omgevingsvergunning ingetrokken zou moeten worden. Voor zover dit belangen zijn die de Wet Bibob beoogt te beschermen, hebben die na een Bibob-procedure geleid tot een aanvullende voorwaarde bij de omgevingsvergunning. De belangen van de vergunninghouder bij behoud van de omgevingsvergunning wegen volgens het college zwaarder dan het belang wat gediend is bij het intrekken van de omgevingsvergunning. Beoordeling door de rechtbankToetsingskader

5. Op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Ow, voor zover van belang, kan het bevoegd gezag in andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 een omgevingsvergunning intrekken:b. als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning,d. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is.

6. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij toepassing van deze bevoegdheid moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.Heeft het college in redelijkheid geweigerd de bouwvergunning in te trekken?

7. Eiseres voert aan dat de vergunninghouder heeft nagelaten aannemelijk te maken dat hij de omgevingsvergunning alsnog binnen korte tijd zal benutten.

8. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat het niet onbegrijpelijk is dat de vergunninghouder in de periode van 2021 tot 2024 geen gebruik heeft gemaakt van de omgevingsvergunning, omdat in die periode het Bibob onderzoek plaatsvond. Daardoor was het niet zeker of de omgevingsvergunning in stand zou blijven. Daarnaast heeft de vergunninghouder tijdens de hoorzitting aangegeven dat hij nog steeds gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vergunninghouder voldoende aannemelijk gemaakt dat de vergunning uitgevoerd gaat worden en is het de vergunninghouder niet aan te rekenen dat hij dat niet gedaan heeft hangende de Bibob procedure. De rechtbank vindt de belangenafweging van het college dan ook niet onredelijk.

10. Eiseres heeft nog aangevoerd dat conservatoir beslag is gelegd op het vermogen van de partner van de vergunninghouder waardoor de financiële positie van de vergunninghouder ontoereikend is om de vergunning te benutten.

11. De rechtbank vindt dit – wat daar ook van zij – niet relevant gelet op de Bibob procedure waardoor de vergunninghouder de bouwwerkzaamheden al had gestaakt.

12. Eiseres voert verder aan dat zij een zwaarwegend belang heeft bij de intrekking van de omgevingsvergunning wat is gelegen in de voorkoming van benadeling door strafbare feiten. Dit omdat op het perceel waarop de vergunning betrekking heeft een opiumdelict is gepleegd.

13. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 november 2016. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat artikel 3 van de Wet Bibob strekt tot bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Individuele belangen van omwonenden zijn niet zodanig verweven met dit algemene belang dat het artikel moet worden geacht ook te strekken tot bescherming van hun belangen. Eiseres kan daarom vanwege het relativiteitsbeginsel in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep doen op deze bepaling.

14. Voor zover eiseres stelt dat haar belang in het kader van het algemene belang had moeten worden meegewogen is de rechtbank met het college van oordeel dat het belang zoals gesteld door eiseres geen belang is wat de Ow beoogt te beschermen. Voor zover eiseres vreest voor overlast kan zij een beroep doen op bepalingen die strekken tot het tegengaan van overlast voor de omgeving in de Algemene Plaatselijke Verordening.

14. De rechtbank volgt ten slotte niet het betoog van eiseres dat het college onvoldoende heeft gereageerd op de bezwaren van eiseres ten aanzien van het belang in de voorkoming van benadeling door strafbare feiten. Het college heeft zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift op deze bezwaren gereageerd en aangegeven dat toetsing aan de Wet Bibob er niet toe heeft geleid om de omgevingsvergunning in te trekken, maar deze van een aanvullende voorwaarde te voorzien.

14. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid besloten de verleende bouwvergunning niet in te trekken. Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.Proceskostenveroordeling voor de vergunninghouder

14. De vergunninghouder heeft verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond om af te wijken van de onder meer in de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2015 vermelde hoofdregel dat ten behoeve van een met het verwerende bestuursorgaan meeprocederende particuliere partij geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:69.

ECLI:NL:RVS:2016:3091, overweging 15.3.

ECLI:NL:RVS:2015:3717.

Artikel delen