Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2025:24942

Vovo’s tegen (1) afwijzing handhavingsverzoek met betrekking tot grondwerkzaamheden en (2) de daarvoor verleende omgevingsvergunning toegewezen en bestreden besluiten geschorst tot zes weken na de bekendmaking beslissingen op bezwaar. Ook vovo getroffen dat college binnen vier weken nader besluit moet nemen op het handhavingsverzoek van verzoeker. Het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd ...

Rechtbank Den Haag 6 January 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2025:24942 text/xml public 2026-01-06T12:11:35 2025-12-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-23 25-7748 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24942 text/html public 2026-01-06T12:11:08 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:24942 Rechtbank Den Haag , 23-12-2025 / 25-7748
Vovo’s tegen (1) afwijzing handhavingsverzoek met betrekking tot grondwerkzaamheden en (2) de daarvoor verleende omgevingsvergunning toegewezen en bestreden besluiten geschorst tot zes weken na de bekendmaking beslissingen op bezwaar. Ook vovo getroffen dat college binnen vier weken nader besluit moet nemen op het handhavingsverzoek van verzoeker. Het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de meetgegevens van de hoogtes van de percelen in de oude situatie die door belanghebbende bij de aanvraag zijn overgelegd. Het college heeft ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom de ophoging van de percelen met meer dan 0,5 meter ten dienste staat aan de functies “het verbouwen van ruwvoer” of “het houden van vee” die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan. Uit de omgevingsvergunning blijkt niet dat de aanvraag is getoetst aan artikel 3.6.2 van de planregels, zodat de omgevingsvergunning ook op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. Het college heeft tevens niet deugdelijk gemotiveerd waarom ten aanzien van het zanddepot en de opslag van grond geen sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het college heeft evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom een ophoging van de percelen met 0,5 meter onder het normale onderhoud valt.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 25/7748 en SGR 25/8635
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2025 in de zaken tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp, het college
(gemachtigde: J. Bekink).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbende] B.V., te [plaats 1] (belanghebbende).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaan over (1) de afwijzing van een handhavingsverzoek van verzoeker met betrekking tot grondwerkzaamheden op diverse percelen achter [adres] te [plaats 2] en (2) de daarvoor verleende omgevingsvergunning. Verzoeker is het met deze besluiten niet eens en heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Hij heeft ook verzocht om voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij voorlopige voorzieningen zal treffen of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de door verzoeker aangevoerde gronden.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken toe en schorst de afwijzing van het handhavingsverzoek en de omgevingsvergunning tot zes weken na de bekendmaking van de beslissingen op bezwaar. Dat betekent dat gedurende deze periode van de omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt. De voorzieningenrechter treft ook de voorlopige voorziening dat het college binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak een nader besluit moet nemen op het handhavingsverzoek van verzoeker.
1.2.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 13 oktober 2025 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend in verband met de grondstort en ophoging op diverse percelen achter [adres] te [plaats 2] (de percelen) en de aanwezigheid van een tijdelijk zanddepot. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 heeft het college dit verzoek afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 25/7748).
2.1.
Op 5 november 2025 heeft het college belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het ophogen van de grond (met circa 1 meter) voor diverse percelen gelegen achter [adres] te [plaats 2] . De vergunning heeft betrekking op de percelen met kadastrale nummers sectie [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] , [kadastraal nummer 4] , [kadastraal nummer 5] , [kadastraal nummer 6] en [kadastraal nummer 7] . Verzoeker heeft hiertegen eveneens bezwaar gemaakt.
2.2.
Op 7 november 2025 heeft het college het bestreden besluit van 15 oktober 2025 gewijzigd. Het door verzoeker ingediende bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening zijn op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.
2.3.
Op 10 november 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoeker gevraagd of de verleende omgevingsvergunning en het wijzigingsbesluit hem aanleiding geven het verzoek om voorlopige voorziening in te trekken. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Hij heeft op 12 november 2025 de verzoeksgronden aangevuld en de voorzieningenrechter gevraagd om ook ten aanzien van de omgevingsvergunning een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 25/8635).
2.4.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn echtgenote, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , en namens belanghebbende [naam 4] en [naam 5] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1.
Verzoeker, die eigenaar is van een perceel dat grenst aan de percelen waarop de activiteiten plaatsvinden, heeft gevraagd voorlopige voorzieningen te treffen in verband met de grondstort, ophoging en de tijdelijke zandopslag op de percelen. Hij vreest voor aantasting van het open polderlandschap, verstoring van de waterhuishouding en schade aan zijn perceel, toegangspad en poort. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang omdat de werkzaamheden niet eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt, al enige tijd worden uitgevoerd en niet worden gestaakt.

Zaak SGR 25/8635 (de omgevingsvergunning)

Gronden verzoeker

4. Verzoeker voert aan dat in de omgevingsvergunning is uitgegaan van een onjuiste hoogte van het maaiveld in de oude situatie. In de aanvraag van 8 september 2025 is volgens hem uitgegaan van een hoogte tot -1,50 meter NAP, terwijl dit blijkens de openbare databank van Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) in werkelijkheid -1,10 tot -1,30 meter NAP is. Verder stelt verzoeker dat recentelijk uit een in opdracht van hem door Geosonda op 21 oktober 2025 uitgevoerde meting is gebleken dat op meerdere plaatsen hoogtewaarden van circa -10 cm NAP zijn gemeten, waarmee het maaiveld door de ophoging thans aanzienlijk boven het niveau van de [straatnaam] ligt (-40 à -50 cm NAP). Dat is in strijd met het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift dat de percelen die opgehoogd worden niet hoger mogen worden dan de [straatnaam] of omliggende dijken. Daarnaast ontbreekt volgens verzoeker de agrarische noodzaak om de gronden met circa 1 meter op te hogen.

Verzoeker voert tevens aan dat in de besluitvorming herhaaldelijk naar vier positieve adviezen wordt verwezen, te weten van de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH), het Hoogheemraadschap van Rijnland, de afdeling archeologie en de landschapsarchitect, maar dat die ten onrechte niet bij de omgevingsvergunning zijn gevoegd.

Toetsingskader

5. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
5.1.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij de wet gedefinieerd als:

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
5.2.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan van de gemeente Leiderdorp. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat onder meer uit het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”.
5.3.
De activiteiten vinden plaats op gronden waaraan in dit bestemmingsplan de bestemmingen “Agrarisch met waarden - Landschap en natuur” en “Waarde - Archeologie (middel)hoge trefkans” zijn toegekend. Daarnaast geldt op de percelen de aanduiding “Specifieke vorm van agrarisch - ruwvoer-1”.
5.4.
Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, ten eerste, van de regels van dit bestemmingsplan (planregels) zijn de voor “Agrarisch met waarden - Landschap en natuur” aangewezen gronden bestemd voor agrarische grondgebonden veehouderijbedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding “bijzondere vorm van agrarisch - ruwvoer-1” tevens het verbouwen van ruwvoer is toegestaan.
5.5.
Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder k, van de planregels zijn deze gronden tevens bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de aan het open landschap gebonden natuurwaarden, onder meer in de vorm van weidevogels en overwinterende vogels, vissen, amfibieën en oever- en waterplanten en behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische patronen, onder meer in de vorm van openheid, kenmerkende kavelpatronen, watergangen en dijken
5.6.
Op grond van artikel 3.6.1, aanhef en onder a, van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 3.1 bedoelde gronden, voor zover gelegen buiten een bouwvlak, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden.
5.7.
Op grond van artikel 3.6.2 van die planregels mag alleen en moet een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.1 worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
5.8.
Op grond van artikel 3.6.4, aanhef en onder a, van de planregels is geen omgevingsvergunning nodig voor andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen.
5.9
Op grond van artikel 19.1 van de planregels zijn de voor 'Waarde - Archeologie hoge trefkans' aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
5.10
Op grond van artikel 19.4.1, aanhef en onder a, van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 19.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden.
5.11
Op grond van artikel 19.4.2 van de planregels wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.4.1 slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
5.12
Op grond van artikel 19.4.3 van de planregels winnen burgemeester en wethouders, alvorens zij beslissen over het verlenen van een afwijking als bedoeld in artikel 19.4.1, schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

Omgevingsvergunning

6. In de omgevingsvergunning van 5 november 2025 is overwogen dat het ophogen van de percelen in overeenstemming is met de regels van het bestemmingsplan. Voor het ophogen van de gronden met 0,5 meter kan worden volstaan met een melding, die begin 2025 is ingediend. De verdere ophoging van de gronden met ongeveer 1 meter is op grond van de artikelen 3.6.1 en 19.4.1 van de planregels wél vergunningplichtig. Daarvoor is de omgevingsvergunning verleend. Deze werkzaamheden zijn volgens het college nog niet aangevangen. Vanwege de ter plaatse aanwezige landschappelijke en natuurwaarden is aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat de percelen die opgehoogd worden niet hoger mogen worden dan de [straatnaam] of omliggende dijken.

Hoogtemetingen

7. Het college heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de meetgegevens van de hoogtes van de percelen in de oude situatie die door belanghebbende bij de aanvraag zijn overgelegd. De voorzieningenrechter overweegt daartoe die meetgegevens aanzienlijk afwijken van de AHN-data, op sommige punten zelfs enkele decimeters. Het college heeft daar geen navolgbare verklaring voor gegeven.
7.1.
Omdat de hoogtes van de percelen in de oude situatie bepalend zijn voor nut en noodzaak en effecten van de ophoging en daarmee voor de vraag of de ophoging in overeenstemming is met de bestemming “Agrarisch met waarden – landschap en natuur” en de beoordelingsregels van artikel 3.6.2 van de planregels, ziet de voorzieningenrechter in dit gebrek aanleiding om de omgevingsvergunning van 5 november 2025 te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7.2.
Deze grond slaagt.
7.3.
Ten behoeve van een definitieve geschilbeslechting in bezwaar zal de voorzieningenrechter hierna ook de overige door verzoeker aangevoerde gronden bespreken.

Doel ophoging

8. Het college heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom de ophoging van de percelen met meer dan 0,5 meter ten dienste staat aan de functies “het verbouwen van ruwvoer” of “het houden van vee” die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het college het afvlakken van de percelen zelf aanmerkt als normaal onderhoud, maar slechts tot 0,5 meter. Een ophoging van meer dan 0,5 meter kan dan niet gelden als normaal onderhoud en dus ook niet als normaal agrarisch gebruik. In eerste instantie stelde het college zich op het standpunt dat deze ophoging nodig is om de bodemdaling te compenseren. Nadien is echter gebleken dat de percelen voornamelijk uit kleigrond bestaan, waardoor de bodem minder snel daalt dan bijvoorbeeld bij veengrond, waar het college van uitging. Op de zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de percelen over de gehele lengte op dezelfde hoogte (waterpas) moeten worden gebracht, omdat die schuin aflopen, maar een navolgbare motivering waarom dat voor het toegestane agrarische gebruik van de percelen nodig is heeft het college niet gegeven. In de omgevingsvergunning is daarom niet deugdelijk gemotiveerd waarom de percelen waterpas moeten liggen, of meer moet worden opgehoogd dan nodig ten behoeve van normaal onderhoud van agrarische percelen.
8.1.
Deze grond slaagt.

Advies Landschap & Natuur

9. In de omgevingsvergunning is vermeld dat op basis van de stukken die zijn ingediend door de aanvrager het verzoek integraal is beoordeeld en de betrokken belangen zijn afgewogen. De conclusie luidt dat de omgevingsvergunning verleend kan worden. Dit integraal advies zou volgens de overwegingen in de omgevingsvergunning zijn opgenomen als bijlage 4 bij de omgevingsvergunning, maar die bijlage ontbreekt. Op de zitting heeft het college desgevraagd aangegeven dat met het integraal advies het (wél bij de omgevingsvergunning gevoegde) Advies Landschap & Natuur van beleidsmedewerker leefomgeving N. Rensen wordt bedoeld en dat dit advies de motivering bevat waarom geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden. De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgevingsvergunning zelf geen motivering bevat waarom de aanvraag voldoet aan de beoordelingsregels van artikel 3.6.2 van de planregels. Evenmin is hierin expliciet naar het Advies Landschap & Natuur verwezen. Daarom blijkt uit de omgevingsvergunning niet dat de aanvraag is getoetst aan artikel 3.6.2 van de planregels, zodat de omgevingsvergunning naar voorlopig oordeel ook op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.
9.1.
Deze grond slaagt.
9.1.1.
Dit motiveringsgebrek kan (als het college de omgevingsvergunning dan nog steeds wenst te verlenen) in de beslissing op bezwaar worden hersteld, nu in het Advies Landschap & Natuur wel is getoetst aan de beoordelingsregels van artikel 3.6.2 van de planregels. Die motivering zal dan, na herstel van de geconstateerde gebreken, wel geactualiseerd moeten worden.

Overige adviezen

10. Ter zitting is gebleken dat het college advies van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft ingewonnen, dat op 23 september 2025 per e-mail is ontvangen. Dit advies is niet in of bij de omgevingsvergunning gevoegd. Aangezien de werkzaamheden geen betrekking hebben op het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen (waar de adviesverplichting van artikel 3.6.3 van de planregels op ziet), was dit advies naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter niet vereist. Daarom kan het college niet worden tegengeworpen dat dit advies niet in of bij de omgevingsvergunning is gevoegd.
10.1.
Ook de door verzoeker genoemde adviezen van de ODWH zijn niet verplicht op basis van de planregels, zodat ook het niet in of bij de omgevingsvergunning voegen van deze adviezen niet tot het oordeel kan leiden dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.
10.2.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het advies van de afdeling archeologie integraal is vermeld op pagina 13 van de omgevingsvergunning.
10.3.
Deze grond slaagt daarom niet.

Zaak SGR 25/7748 (afwijzing handhavingsverzoek)

Gronden verzoeker

11. Verzoeker betoogt dat het college zijn handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, omdat de ophoogwerkzaamheden en de opslag van zand en grond in strijd zijn met de artikelen 3.6.1, 3.6.2 en 3.6.4 van de regels van het bestemmingsplan (onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan). Ook het wijzigingsbesluit van 7 november 2025, na verlening van de omgevingsvergunning op 5 november 2025, is volgens verzoeker rechtens onjuist. Verzoeker voert daartegen in feite dezelfde gronden aan als tegen de omgevingsvergunning. Daarnaast stelt verzoeker dat het zanddepot dat op de percelen in gebruik is genomen niet onder de verleende omgevingsvergunning valt, maar wel in strijd met het bestemmingsplan is. De omgevingsvergunning ziet ook niet op de ophoging tot 0,5 meter, omdat dit volgens het college onder normaal onderhoud valt. Volgens verzoeker heeft het college dit niet onderbouwd en is deze ophoging ook vergunningplichtig op grond van artikel 3.6.1 van de planregels. Verzoeker wijst erop dat in andere gemeenten in Delfland een ophoging van 0,2 meter als normaal onderhoud wordt aangemerkt.

Bestreden besluit

12. In het bestreden besluit van 7 november 2025 is overwogen dat, nu de omgevingsvergunning inmiddels is verleend en de uitgevoerde werkzaamheden binnen de verleende vergunning passen, er geen sprake is van een overtreding. Verder is hierin vermeld dat voor het tijdelijke zanddepot, dat niet functioneel verbonden is met de ophogingswerkzaamheden en uitsluitend een logistiek doel dient, op 19 augustus 2025 een melding is gedaan bij de ODWH, die is geaccepteerd. Handhaving is dan ook niet noodzakelijk, aldus het college.

Zanddepot

13. Niet in geschil is dat dit zanddepot kan worden aangemerkt als (tijdelijke) opslag van circa 600 tot 700 m3 zand die al geruime tijd ter plaatse aanwezig is. De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgevingsvergunning van 5 november 2025 geen betrekking heeft op het zanddepot. Dat voor het zanddepot in augustus 2025 een melding is gedaan bij de ODWH en het zanddepot daarmee, zoals het college stelt, zou voldoen aan de regelgeving van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), betekent nog niet dat het zanddepot planologisch is toegestaan. Het opslaan van zand en grond valt niet onder de bestemmingsomschrijving van de ter plaatse geldende functie (bestemming) “Agrarisch met waarden - Landschap en natuur” als bedoeld in artikel 3.1 van de planregels. Het zanddepot is daarom in strijd met de planregels. Voor het afwijken van de planregels is geen omgevingsvergunning verleend. Het college heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
13.1.
Deze grond slaagt.

Opslag van grond

14. Uit de door verzoeker overgelegde foto’s blijkt dat ook op andere plaatsen dan in het zanddepot grond wordt opgeslagen. Ter zitting heeft het college hierover verklaard dat deze partijen grond, die gebruikt worden voor de ophoging van de percelen, op dit moment niet bewerkbaar zijn, omdat de percelen te drassig zijn. Het is de bedoeling dat die partijen grond komend voorjaar worden verdeeld over de percelen.
14.1.
Aangezien deze partijen grond een aantal maanden ter plaatse aanwezig zijn, is hier naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter eveneens sprake van opslag. Zoals hiervoor onder 13 is overwogen, is dat in strijd met artikel 3.1 van de planregels. Dat het partijen grond betreft die voor de ophoging van de percelen worden aangewend doet hieraan niet af. Voor het afwijken van de planregels is geen omgevingsvergunning verleend. Het college heeft dan ook met betrekking tot de opslag van grond niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
14.2.
Deze grond slaagt.

Normaal onderhoud

15. Het college stelt zich op het standpunt dat een ophoging van de percelen met 0,5 meter onder het normale onderhoud valt, waarvoor op grond van artikel 3.6.4, aanhef en onder a, van de planregels geen omgevingsvergunning nodig is.
15.1.
Het college heeft op de zitting niet duidelijk kunnen maken op basis van welke beleidsregel een ophoging van 0,5 meter tot het normale onderhoud wordt gerekend. Voor zover sprake zou zijn van een vaste gedragslijn, zoals het college ter zitting heeft gesteld, heeft het college met de enkele verwijzing daarnaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet deugdelijk gemotiveerd waarom de grens van 0,5 meter wordt gehanteerd.
15.2.
Deze grond slaagt.

Slotsom

16. De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor onder 13, 14.1 en 15.1 is overwogen, aanleiding om de bestreden besluiten van 15 oktober 2025 en 7 november 2025 te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bestreden besluiten, vanwege strijd met artikel 3:46 van de Awb, bij de heroverweging in bezwaar niet in stand zullen blijven. De voorzieningenrechter zal de verzoeken toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat de bestreden besluiten van

15 oktober 2025, 7 november 2025 en de omgevingsvergunning van 5 november 2025 worden geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat gedurende deze periode van de omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt.
17.1.
De voorzieningenrechter zal niet zelf een handhavingsbesluit nemen, omdat het aan het college is om (op basis van een betere motivering) te beoordelen of sprake is van overtredingen en zo ja, af te wegen of daartegen handhavend wordt opgetreden en met welke modaliteit en daaraan te verbinden voorwaarden. De voorzieningenrechter kan ook niet de bezwaarprocedure versnellen. Daarvoor geldt immers op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Het primaire besluit op het handhavingsverzoek is op 15 oktober 2025 verzonden en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift verstreek op 26 november 2025. De uiterlijke beslistermijn voor het college komt daarmee op 18 februari 2026. De uiterlijk beslistermijn op het bezwaar tegen het wijzigingsbesluit van 7 november 2025 eindigt nog enkele weken later. In het licht van het voorgaande is het echter niet te verenigen met de belangen van verzoeker om die procedure nu af te wachten.
17.2.
De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige voorziening treffen, die inhoudt dat hij het college opdracht geeft om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen op het handhavingsverzoek van verzoeker, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak, zowel ten aanzien van het besluit op het handhavingsverzoek als ten aanzien van de omgevingsvergunning. In het nieuwe besluit zal het college de in deze uitspraak genoemde motiveringsgebreken dienen te herstellen.
17.3.
Het nieuwe besluit wordt genomen tijdens de bezwaarprocedure. Dat leidt er normaal gesproken toe dat zo’n nieuw besluit als beslissing op bezwaar moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter kan zich echter voorstellen dat het college de aan de bezwaarschriftencommissie opgedragen advisering niet wil doorkruisen. In dat geval kan het college – als hij die bedoeling duidelijk laat blijken – aan deze uitspraak voldoen door de besluiten van 15 oktober en 7 november 2025 te wijzigen tijdens de bezwaarprocedure. Het al ingediende bezwaarschrift heeft dan van rechtswege mede betrekking op het nieuwe besluit, en kan door de bezwaarschriftencommissie bij haar advisering worden betrokken.

18. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe:

- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit van 15 oktober 2025, zoals gewijzigd met het besluit van 7 november 2025, en de omgevingsvergunning van

5 november 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissingen op bezwaar;

- treft de voorlopige voorziening dat het college binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak een nader besluit moet nemen op het handhavingsverzoek van verzoeker;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 388,- (tweemaal € 194,-) aan verzoeker moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.

griffier

de voorzieningenrechter is verhinderd

mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie ook bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8533.

Artikel delen