boete voor opslaan illegaal vuurwerk in de woning. eiser eerder al gestraft via strafrecht. beroep gegrond vanwege verbod op dubbele bestraffing, una via beginsel.
Rechtbank Den Haag 5 February 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:27169
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2026
Datum publicatie
05-02-2026
Zaaknummer
24/7782
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27169text/xmlpublic2026-02-05T16:11:122026-01-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-12-2324/7782UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagBestuursrecht; BestuursstrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27169text/htmlpublic2026-02-05T16:08:252026-02-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:27169 Rechtbank Den Haag , 23-12-2025 / 24/7782 boete voor opslaan illegaal vuurwerk in de woning. eiser eerder al gestraft via strafrecht. beroep gegrond vanwege verbod op dubbele bestraffing, una via beginsel.
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/7782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats], eiser(gemachtigde: [naam 1]) en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigden: [naam 2] en [naam 3]).Procesverloop 1. Op 1 december 2023 heeft politie-eenheid Den Haag 122 kilogram vuurwerk aangetroffen in eisers woning aan de [adres] in Den Haag. Op 15 december 2023 heeft het college aan eiser een conceptbesluit voor een bestuurlijke boete verstuurd. Eiser heeft hiertegen geen zienswijze ingediend. Vervolgens heeft het college op 3 januari 2024 een bestuurlijke boete van € 8000,- opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd door het college ongegrond verklaard (het bestreden besluit). 1.1. Eiser heeft op 23 september 2024 beroep ingesteld en het beroepschrift op 26 augustus 2025, 1 september 2025 en 10 oktober 2025 aangevuld. Het college heeft op 3 oktober 2025 gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college deelgenomen. Toetsingskader 2. Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing wanneer een bestuursorgaan vóór 1 januari 2024 heeft besloten tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie. Het conceptbesluit voor de bestuurlijke boete werd op 15 december 2023 verstuurd. Daarom blijft in deze zaak het oude recht van toepassing. 2.1. De voor dit beroep relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of het college de bestuurlijke boete terecht heeft opgelegd. 3.1. Eiser stelt dat er sprake is van dubbele bestraffing omdat hij op 2 april 2025 is veroordeeld door de politierechter voor het opslaan van illegaal vuurwerk in zijn woning, nadat hem op 3 januari 2024 een bestuurlijke boete was opgelegd. Het ging in beide procedures om dezelfde feiten, dezelfde beschermde belangen en dezelfde gedragingen en daarom moet het boetebesluit worden herroepen. 3.2. Volgens het college is er geen sprake van dubbele bestraffing. De bestuurlijke boete, die is opgelegd op grond van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012, mag ten uitvoer worden gelegd omdat eiser bij het vonnis van de politierechter is veroordeeld voor andere feiten en overtredingen. Het college verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2020, waarbij een beroep op het verbod op bestraffing via het straf- en bestuursrecht niet werd gehonoreerd. 3.3. Artikel 5:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat een bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafbeschikking is uitgevaardigd. Dit wordt ook wel het una via-beginsel genoemd. De jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (het verbod op dubbele bestraffing binnen het strafrecht of ne bis in idem) is van overeenkomstige toepassing op de uitleg van artikel 5:44 van de Awb. Bij het verwijt van overtreding van meerdere voorschriften dient te worden gekeken naar het verschil tussen beide procedures in a) de juridische aard van de feiten, waaronder de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken en b) de gedragingen van de verdachte. Een aanzienlijk verschil tussen beide betekent dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (of van ‘dezelfde gedraging’ in de zin van artikel 5:44 van de Awb) en dat beide procedures doorgang mogen vinden. In deze zaak is het de vraag of er bij de bestuurlijke boete aan de ene kant en het vonnis aan de andere kant een aanzienlijk verschil was in de juridische aard van de feiten en de gedragingen van eiser. Alleen als er een dergelijk verschil was - en het dus niet ging om dezelfde gedraging - mocht het college overgaan tot oplegging van de bestuurlijke boete. 3.4. De bestuurlijke boete is op 3 januari 2024 aan eiser opgelegd voor het overtreden van artikel 1a en 1b van de Woningwet en artikel 7.10 en 7.22 van het Bouwbesluit. Artikel 1a van de Woningwet omvat een algemene zorgplicht, gericht op het niet laten ontstaan of voortduren van een gevaar voor de gezondheid of veiligheid door het gebruik van een bouwwerk. Op grond van artikel 1b van de Woningwet is het verboden een bouwwerk in een staat te brengen of te gebruiken op een manier die niet voldoet aan de op dat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften. Artikelen 7.10 en 7.22 van het Bouwbesluit verbieden het hebben van stoffen in een bouwwerk waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt, bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt of op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid. De bovengenoemde bepalingen uit de Woningwet en het Bouwbesluit zijn gericht op de bescherming van de omgeving en de gezondheid van personen. In de bestuurlijke boete die is opgelegd aan eiser wordt dan ook benadrukt: “het hebben van illegaal vuurwerk en het opslaan van dit vuurwerk zonder getroffen veiligheidsmaatregelen in de woning leidt tot brandgevaar, explosiegevaar en gevaar voor persoonlijk letsel van uzelf, omwonenden en hulpverleners. De leefbaarheid, veiligheid en gezondheid van de omgeving is in gevaar.” 3.5. Eiser is vervolgens op 2 april 2025 door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf voor overtreding van (onder meer) artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer. Volgens dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot het voorhanden hebben van stoffen waarvan een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met deze stoffen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens zullen ontstaan. Het Vuurwerkbesluit is een dergelijke maatregel. Artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit wordt in het vonnis genoemd onder “toegepaste artikelen”. Volgens het eerste lid van dat artikel is het voor particulieren verboden professioneel vuurwerk op te slaan. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet milieubeheer, in verband met de invoering van een algemeen vuurwerkverbod voor consumenten, staat dat het verbod voor consumenten om professioneel vuurwerk voorhanden te hebben werd opgelegd met het oog op de openbare orde en de veiligheid van personen en goederen. In relatie tot artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer wordt in deze memorie van toelichting het belang van de gezondheid van de mens en de bescherming van het milieu benadrukt. 3.6. In deze zaak zijn de juridische aard van de feiten - een verbod op het opslaan van stoffen die een gevaar opleveren voor personen en de omgeving - en de feitelijke gedragingen van eiser - het opslaan van professioneel vuurwerk in zijn woning zoals geconstateerd op 1 december 2023 - zodanig overeenkomstig dat sprake is van dezelfde gedraging in de zin van artikel 5:44 van de Awb. In dit geval kan aan eiser dus geen bestuurlijke boete ten uitvoer worden gelegd voor het opslaan van vuurwerk in zijn woning, omdat hij daarvoor al strafrechtelijk is veroordeeld. Deze beroepsgrond slaagt. 3.7. De door het college genoemde uitspraak is niet vergelijkbaar met deze zaak, omdat daar het vonnis en de bestuurlijke boete waren gebaseerd op voorschriften die verschillende belangen beogen te beschermen. In die uitspraak werd een boete opgelegd op grond van de Huisvestingswet omdat eiser de woning deels aan de bestemming tot bewoning had onttrokken door het houden van een hennepkwekerij. Tijdens de boeteprocedure werd eiser opgeroepen voor een zogenaamde OM-zitting en geïnformeerd over het voornemen om hem een strafbeschikking op te leggen op grond van de Opiumwet. De rechtbank overwoog dat de Huisvestingswet beoogt een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte te beschermen, terwijl de Opiumwet ziet op de bescherming van de volksgezondheid. In die zaak was dus geen sprake van dezelfde gedraging in de zin van artikel 5:44 Awb en ging het beroep op het una via-beginsel niet op. 3.8. Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat eiser op grond van artikel 5:44 Awb geen bestuurlijke boete kon worden opgelegd, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en het boetebesluit herroepen. De overige beroepsgronden, die zien op de vaststelling van de categorie vuurwerk in de bestuurlijke rapportage en eisers financiële draagkracht, behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond met betrekking tot het afgewezen verzoek om uitstel van betaling is ter zitting door eiser ingetrokken. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en herroept zij het primaire besluit. Dit betekent dat de opgelegde boete vervalt. 4.1. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en een vergoeding van zijn proceskosten betalen. De proceskostenvergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre voor het bestreden besluit in de plaats treedt; bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden; en veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. A. van der Meijs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025. de griffier is buiten staat te tekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:44 1. Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. 2 Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien. 3 Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt het bestuursorgaan slechts een bestuurlijke boete op indien: a. de officier van justitie aan het bestuursorgaan heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien, of het bestuursorgaan niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen. Artikel 5:46 1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. 2 Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. 3 Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. 4 Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. Woningwet Artikel 1a 1. De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. 2 Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. 3 De eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen onderzoekt, of laat onderzoek uitvoeren naar, de staat van dat bouwwerk, voor zover dat bouwwerk behoort tot bij ministeriële regeling vast te stellen categorieën bouwwerken waarvan is vast komen te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent het onderzoek. Artikel 1b 1. Tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een bouwwerk te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, tweede lid, aanhef en onderdeel d, derde en vierde lid. 2 Het is verboden een bestaand bouwwerk, open erf of terrein in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en vierde lid. 3 Het is verboden een bouwwerk, open erf of terrein in gebruik te nemen, te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op die ingebruikneming of dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, tweede lid, aanhef en onderdeel b, derde en vierde lid. 4 Tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een bouwwerk, dan wel deel daarvan, in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan niet is voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in het eerste lid. 5 Het is verboden te slopen voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat slopen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdelen c en d, en derde lid. Bouwbesluit 2012 Artikel 7.10 Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor: a. brandgevaar wordt veroorzaakt, of bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt. Artikel 7.22 Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. Uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, r.o. 21-22. Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8673. Zie ook de Memorie van Toelichting Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht), kamerstuk 29702, nr.3, p. 137-138, “als voor een overtreding aan iemand reeds een strafrechtelijke sanctie is opgelegd, kan hem voor dezelfde overtreding niet ook nog eens een bestuurlijke boete worden opgelegd”. Zie o.a. het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, r.o. 2.5 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1106, r.o. 4.1. Arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102. Zie ook de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de woningwet, kamerstuk 29392, nr. 3, onder ‘nieuw artikel 1a’. Kamerstuk 35386, nr. 3 van 12 februari 2020, onder 2. Kamerstuk 35386, nr. 3 van 12 februari 2020, onder II.