Tussenuitspraak. Verlening van een omgevingsvergunning voor bouw van een dakopbouw op een woning. Binnenplanse vrijstelling. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties en belangenafweging. Bezonningsstudie. Welstand. Bestuurlijke lus.
Rechtbank Den Haag 18 February 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:1700
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2026
Datum publicatie
18-02-2026
Zaaknummer
25/6791
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1700text/xmlpublic2026-02-18T09:30:262026-02-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-02-0425/6791UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1700text/htmlpublic2026-02-11T12:35:222026-02-18Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:1700 Rechtbank Den Haag , 04-02-2026 / 25/6791 Tussenuitspraak. Verlening van een omgevingsvergunning voor bouw van een dakopbouw op een woning. Binnenplanse vrijstelling. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties en belangenafweging. Bezonningsstudie. Welstand. Bestuurlijke lus.
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/6791
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (gemachtigde: T.C. Slinger). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (vergunninghouder). Inleiding 1. In het besluit van 22 mei 2025 is aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een dakopbouw op de woning [adres 1] . Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] , en vergunninghouder en zijn echtgenote. Het bestreden besluit 2. Op 21 februari 2025 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een dakopbouw op de woning. Er is een aanvraag ingediend voor de volgende activiteiten: bouwactiviteit (omgevingsplan) en bouwactiviteit (technisch). 2.1. In het besluit van 22 mei 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow). Het betreft een omgevingsplanactiviteit (opa). Sprake is van strijd met artikel 13, derde lid, onder c, van de beheersverordening “ [wijk] , 1e herziening (beheersverordening). Van dat artikellid is het college op grond van artikel 13, vijfde lid, onder e van de beheersverordening afgeweken. In het bestreden besluit is het besluit van 22 mei 2025 gehandhaafd. 2.2. Eiser woont direct naast de woning, op het adres [adres 2] , in een woning zonder dakopbouw, en kan zich niet met het genomen besluit verenigen. Beoordeling door de rechtbank Goede procesorde
3. Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van strijd met de goede procesorde, doordat het beroepschrift niet is voorzien van een motivering van de gronden en dat de gronden niet eenvoudig in de toegezonden brieven te vinden is, en dat voor zover er al gronden zijn, die zich richten tegen het besluit van 22 mei 2025 en niet tegen het bestreden besluit. 3.1. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van strijd met de goede procesorde. Het door eiser ingediende beroepschrift voldoet aan de door daaraan door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde eisen. Het beroepschrift is voorzien van gronden. Dat die gronden niet altijd niet direct voldoende en duidelijk nader zijn onderbouwd doet daarbij niet ter zake. Eiser heeft zijn beroepsgronden ook nader uitgewerkt in de bij het beroepschrift gevoegde door hem geannoteerde versie van het bestreden besluit op bezwaar. Procedurele beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat de voorbereiding en besluitvorming rond de vergunning onzorgvuldig en onvolledig is geweest. Essentiële informatie en stukken zijn niet of zeer laat met hem gedeeld. 4.1. De rechtbank overweegt dat eiser niet stelt welke essentiële informatie en stukken niet of laat met hem zijn gedeeld. Niet gebleken is dat het college niet alle op de procedure betrekking hebbende stukken aan hem heeft toegezonden. Het college heeft in het verweerschrift afdoende aannemelijk gemaakt dat dat wel is gebeurd. 4.2. Eiser stelt dat de bouwtekeningen van een andere woning zijn gebruikt. Ook bevat de aanvraag onvolledige en foutieve gegevens, onder meer in bouwtekeningen. 4.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de ingediende bouwtekeningen voldoen aan de daaraan in de Omgevingsregeling gestelde eisen en dat de aanvraag voldoet aan de aanvraagvereisten. Eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van onvolkomenheden in de ingediende bouwtekeningen en de aanvraag. Dat vergunninghouder bouwtekeningen van een andere woning heeft gebruikt is juist, en dat is ook toegestaan, mits de bouwtekeningen aan de daaraan gestelde eisen voldoen. 4.4. Eiser voert aan dat er geen of onvoldoende sprake is geweest van participatie. Dat is in contrast met wat in het besluit is opgenomen over precedentwerking van een opbouwplan op [straatnaam] nummer 16, waarbij wel goed is overlegd en afgestemd met de directe buren; eiser heeft aangedrongen op het volgen van de dakopbouw zoals gerealiseerd op [adres 3] . 4.5. De gemeenteraad kan gevallen van activiteiten aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden ingediend. In dit geval is echter geen sprake van een buitenplanse omgevingsactiviteit. Verder worden in de Omgevingswet geen eisen gesteld aan participatie. Het college heeft weliswaar een Verordening participatie en uitdaagrecht gemeente Rijswijk 2024 vastgesteld, maar hierin is voor binnenplanse omgevingsactiviteiten geen beleid vastgesteld over de eisen die de gemeente stelt aan participatie. Of wel of geen participatie heeft plaatsgevonden, is in dit geval dan ook geen reden om de gevraagde vergunning te weigeren. Overigens heeft wel participatie plaatsgevonden. Uit het bestreden besluit blijkt dat vergunninghouder diverse malen over het bouwplan overleg heeft gevoerd met eiser, hetgeen overigens niet tot overeenstemming over het bouwplan heeft geleid. Wat eiser naar voren brengt over participatie inzake het bouwplan voor een dakopbouw op [adres 3] maakt is hier niet van belang, aangezien in dit geval geen eisen worden gesteld aan participatie en in deze procedure niet ter zake in hoeverre participatie heeft plaatsgevonden ten aanzien van het bouwplan voor [adres 3] . 4.6. Eiser heeft voorgesteld de dakopbouw zodanig aan te passen dat vermijdbare hinder en schade bij de buren wordt voorkomen, bijvoorbeeld door een balkon/dakterras aan de achterzijde in plaats van aan de voorzijde te realiseren. Volgens eiser is dat voorstel door het college en door vergunninghouder genegeerd. 4.7. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat het college moet beslissen aan de hand van de aanvraag zoals die is ingediend. De aanvraag voor deze dakopbouw ligt voor, en het college hoeft dan ook niet te beoordelen of een door eiser gewenste aanpassing van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning leidt. 4.8. De procedurele gronden van eiser slagen niet. Inhoudelijke beroepsgronden
5. Eiser heeft de volgende inhoudelijke beroepsgronden aangevoerd:
- de aanvraag is in strijd met artikel 13, lid 3, sub c, van de beheersverordening en met het Beeldkwaliteitsplan [wijk] ;
- het perceel bevindt zich in de krappe hoek van het blok, zodat extra zorgvuldig moet worden gekeken naar inpasbaarheid ten opzichte van aangrenzende percelen. Ook wordt de beeldbepalende hoek van het woonblok aangetast;
- de dakopbouw heeft onnodig veel ramen aan de achterzijde, en ook zijn ramen en kozijnen van de dakopbouw niet in lijn met de ramen en kozijnen op de bestaande verdiepingen;
- de dakopbouw op het adres [adres 3] kan niet als precedent gelden, omdat deze een balkon aan de achterzijde heeft;
- sprake zal zijn van afname van zonlicht op het dak van eisers woning en in zijn achtertuin. Eiser kan door afname van zon op het dak van zijn woning zijn plan om zonnepanelen op zijn dak te installeren niet meer uitvoeren;
- door zicht vanuit de dakopbouw op zijn achtertuin zal eisers privacy geschonden worden;
- de afwerking van de zijmuur van de dakkapel is niet juist uitgevoerd, en had in baksteen, steenstrips of steenstrippanelen moeten worden uitgevoerd, net als de originele zijgevel van de woning. 5.1. Hieronder beoordeelt de rechtbank – na weergave van het toetsingskader - de inhoudelijke beroepsgronden. Toetsingskader
6. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghouder was vóór 1 januari 2024 de beheersverordening “ [wijk] , 1e herziening” (beheersverordening) van kracht. Die beheersverordening maakt nu deel uit van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan gemeente Rijswijk (Omgevingsplan). Het perceel ligt binnen het besluitvlak “woongebied” en op de bij dat plan horende kaart is ter plaatse de aanduiding “extra bouwlaag toegestaan” opgenomen. 6.1. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.26 van het Omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. 6.2. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Omgevingsplan volgt – voor zover hier van belang – dat de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en ook niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. 6.3. Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. 6.4. In artikel 13, lid 3, onder c, van de beheersverordening is bepaald dat voor het bouwen van gebouwen de aanduidingen op de kaart gelden en de volgende bepaling: de diepte, breedte, goothoogte, hoogte en dakvorm van de woningen en andere hoofdgebouwen, zoals aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan, niet mag worden vergroot, met uitzondering van een vergroting op grond van het bepaalde in dit lid onder f en verder zijn toegestaan. 6.5. In artikel 13, lid 5, onder e, van de beheersverordening is bepaald dat het college bevoegd is, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen van artikel 12 van deze voorschriften, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3 onder c: voor het realiseren van een kap op hoofdgebouwen in twee bouwlagen, die plat zijn afgedekt dan wel het uitbreiden van een bestaande derde bouwlaag en die op de kaart zijn aangegeven met de aanduiding “extra bouwlaag toegestaan”, waarbij de dakhelling van de kap binnen de marges moet blijven van minimaal 40 graden en maximaal 90 graden en de hoogte niet meer toeneemt dan 3,50 m. Het beleid is er daarbij op gericht:
- geen toepassing te geven aan deze bevoegdheid op en nabij Rijks- en gemeentelijke monumenten, aan de randen van de wijk en op beeldbepalende punten;
- uitsluitend medewerking te verlenen indien de gevelwand zich voor kappen leent;
- in vormgeving, maatvoering en materiaaltoepassing aan te sluiten bij de bebouwing in de omgeving;
- bij de beoordeling van aanvragen rekening te houden met het reeds aanwezig zijn van kappen in het betreffende blok en naar materiaalgebruik en vormgeving daarbij aan te sluiten;
- bij het beoordelen van aanvragen rekening te houden met het bepaalde in het beeldkwaliteitsplan “ [wijk] ”. 6.6. In artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. 6.7. In artikel 22.281 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid. Strijd met de beheersverordening
7. De rechtbank stelt met het college en eiser vast dat het bouwplan in strijd is met artikel 13, lid 3, onder c, van de beheersverordening. Weliswaar is op de kaart van de beheersverordening ter plaatse van de woning de aanduiding “extra bouwlaag toegestaan” vermeld, maar daarnaast moet het bouwplan voldoen aan het vereiste in artikel 13, derde lid, onder c dat de woning niet wordt vergroot. Aan dat vereiste wordt niet voldaan. Artikel 13, lid 5, onder e van de planregels
8. Het college heeft terecht geconstateerd dat het bevoegd is om op grond van artikel 13, lid 5, sub e, van de beheersverordening een binnenplanse vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 13, lid 3, sub c voor het uitbreiden met een derde bouwlaag. Daarin is weliswaar vermeld dat het moet gaan om een kap, maar gelet op de mogelijkheid van een dakhelling van maximaal 90 graden is ook een binnenplanse vrijstelling mogelijk voor een gehele derde bouwlaag met een plat dak, mits voldaan is aan de voorwaarden die in die bepaling zijn vermeld. Voldaan is verder aan het vereiste in die bepaling dat de hoogte niet verder toeneemt dan 3,50 meter, aangezien uit de bouwtekening kan worden afgeleid dat de dakopbouw 3,14 meter hoog wordt. 8.1. De rechtbank beoordeelt hieronder of aan de overige in artikel 13, lid 5, onder e, van de beheersverordening vermelde voorwaarden is voldaan. 8.2. De voorwaarde onder het eerste gedachtestreepje houdt in dat geen toepassing kan worden geven aan deze bevoegdheid op en nabij rijks- en gemeentelijke monumenten, aan de randen van de wijk en op beeldbepalende punten. Niet in geschil is tussen partijen dat die situatie zich niet voordoet. 8.3. De voorwaarde onder het tweede gedachtestreepje vermeldt dat uitsluitend medewerking wordt verleend indien de gevelwand zich voor kappen leent. Tussen partijen is niet in geschil dat de gevelwand zich wel voor kappen leent. 8.4. In artikel 13, vijfde lid, onder e, derde en vierde gedachtestreepje van de beheersverordening is bepaald dat dakopbouwen in vormgeving, maatvoering en materiaaltoepassing moeten aansluiten bij de bebouwing in de omgeving en dat bij het beoordelen van aanvragen rekening moet worden gehouden met het reeds aanwezig zijn van kappen in het betreffende blok en deze moet naar materiaalgebruik en vormgeving daarbij aan sluiten. 8.5. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan aan de voorwaarden in het derde en vierde gedachtestreepje voldoet en baseert zich daarbij op het stedenbouwkundig advies. Daarin wordt het volgende vermeld:
“Om meer eenheid te creëren in het dakenlandschap is in 2012 een uitgebreide analyse verricht waarbij onderzocht is op welke plekken en in welke vorm toekomstige dakopbouwen binnen de wijk [wijk] kunnen worden toegevoegd. Uit deze analyse blijkt dat voor wat betreft dit bouwperceel een extra bouwlaag c.q. dakopbouw kan worden toegestaan. Daarnaast zijn binnen dit bouwblok (rij woningen met dezelfde architectuur) reeds meerdere dakopbouwen gerealiseerd, onder andere op de nrs 16, 24, 25, 26 & 27. Een dakopbouw past hiermee prima in het straatbeeld van de [straatnaam] . Zeker als de aangevraagde dakopbouw in volume en vormgeving ook nog aansluit bij bovengenoemde voorbeelden.
Deze voorbeelden en dan met name nr. 16 met een vergelijkbaar terras aan de achterzijde, kunnen daarmee als precedent worden beschouwd voor het onderhavige bouwplan.” 8.6. Eiser voert aan dat de dakopbouw op [adres 3] door het college ten onrechte als precedent wordt gebruikt, omdat deze – in tegenstelling tot dit bouwplan - een balkon aan de achterzijde heeft. 8.7. In het besluit van 22 mei 2025 is in navolging van dit advies inderdaad vermeld dat de dakopbouw op [adres 3] met een vergelijkbaar terras aan de achterzijde als precedent kan worden beschouwd voor het onderhavige bouwplan, terwijl onderhavig bouwplan geen terras aan de achterzijde heeft. In het bestreden besluit is echter geconstateerd dat dit een kennelijke verschrijving is en dat bedoeld is dat de dakopbouw van [adres 3] vergelijkbaar is met dit bouwplan, behalve het terras aan de achterzijde. De rechtbank acht aannemelijk dat sprake is van een verschrijving. Voor zover eiser bedoelt dat de dakopbouw niet past bij de dakopbouw op [adres 3] omdat die dakopbouw aan de achterkant wel een terras heeft en daarom niet aansluit aan bebouwing in de omgeving, volgt de rechtbank dat niet. In het advies wordt ook verwezen naar de dakopbouwen op de dichterbij gelegen woningen met nummers 24, 25, 26 en 27, welke geen achterterras hebben en geheel doorlopen tot de achtergevel. Onderhavige dakopbouw is daarmee dan ook in lijn. Voor zover eiser van mening is dat de dakopbouw moet doorlopen tot de erker aan de voorkant van de gevel, overweegt de rechtbank dat in de naastgelegen dakopbouwen in het betreffende huizenblok evenmin een dakopbouw is gerealiseerd die tot aan de erker aan de voorkant loopt, zodat de dakopbouw in dat geval net niet zou passen bij de naastgelegen opbouwen. Er is derhalve voldoende getoetst aan vergelijkbare bestaande dakopbouwen uit de omgeving ( [straatnaam] ). Er is geen reden om te twijfelen aan het stedenbouwkundig advies. Het college kon op basis daarvan oordelen dat aan het derde en vierde gedachtestreepje is voldaan. Het betoog slaagt niet. 8.8. In de voorwaarde onder het vijfde gedachtestreepje is vermeld dat bij het beoordelen van de aanvraag rekening wordt gehouden met het bepaalde in het Beeldkwaliteitsplan [wijk] (Beeldkwaliteitsplan). Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat de extra bouwlaag zoals is aangevraagd mogelijk is volgens het Beeldkwaliteitsplan uit 2003, zoals dat in 2008 is aangepast. Het Beeldkwaliteitsplan is in 2008 aangepast in verband met wijziging van de beheersverordening om een extra bouwlaag mogelijk te maken op het betreffende huizenblok aan de [straatnaam] . In het Beelkwaliteitsplan uit 2008 is tekening 6.3 aangepast. In die tekening is weliswaar vermeld dat op de betreffende woning twee bouwlagen en een kap zijn toegestaan maar dat betekent niet dat op die twee bouwlagen alleen een kap mogelijk is. In het Beeldkwaliteitsplan worden geen eisen gesteld aan de vorm van de kap. Dat blijkt uit paragraaf 6.2 van het Beeldkwaliteitsplan uit 2008 waarin is vermeld:
“In dit hoofdstuk wordt elke kapvorm als kap aangegeven. De ruimte onder zo’n kap kan als een complete bouwlaag worden beschouwd. In het kader van het beeldkwaliteitsplan is alleen gekeken naar de verschijningsvorm van een kap en niet naar het feit of ze een hele verdieping vormen.”
Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat een dakopbouw (met een plat dak) op zich wel mogelijk is op deze woning, ook in deze volgens eiser beeldbepalende hoek.
Eiser heeft verder slechts gesteld dat het bouwplan in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan, maar heeft dat niet onderbouwd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan in strijd is met de in dat plan beschreven waarden en/of de algemene toetsingscriteria in hoofdstuk 5 en specifieke criteria voor het deelgebied [straatnaam] in hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.2 van het Beeldkwaliteitsplan. De rechtbank concludeert dat voldoende rekening is gehouden met het Beeldkwaliteitsplan. Het betoog slaagt niet. 8.9. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de voorwaarden die zijn vermeld in de gedachtestreepjes in artikel 13, lid 5, onder e van de beheersverordening. 8.10. Nu niet is betwist dat aan de overige voorwaarden in artikel 13, vijfde lid, onder f, van de beheersverordening is voldaan, was het college bevoegd de vrijstelling te verlenen. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties en belangenafweging
9. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 13, lid 5 onder e van de beheersverordening een extra bouwlaag op de woning is toegestaan. Het college stelt dat de afweging of het plaatsen van een dakopbouw op deze rij woningen evenredig is qua zonlichtinval en schaduwwerking al is gemaakt bij de vaststelling van de beheersverordening. Omdat op grond van de beheersverordening een dakopbouw op de woning is toegestaan, met als enige voorwaarde dat aan welstandseisen moet worden voldaan, aan welke voorwaarde is voldaan, is hier volgens het college sprake van een gebonden beschikking. Schaduwwerking is bovendien niet opgenomen als afwegingscriterium in genoemde bepaling. 9.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de binnenplanse omgevingsplanactiviteit moet voldoen aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit volgt dit uit artikel 22.281 van het Omgevingsplan. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 9.2. Gelet op deze vaste rechtspraak is de rechtbank, anders dan het college, van oordeel dat geen sprake is van een gebonden beschikking. Dat de planwetgever een extra bouwlaag op deze woning op zich toelaatbaar heeft geacht neemt niet weg dat het college voor een concreet bouwplan pas een omgevingsvergunning kan verlenen indien het college gebruik wil maken van de bevoegdheid tot het verlenen van de binnenplanse vrijstelling. In dat kader moet het college beoordelen of voldaan is aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en moeten de belangen worden afgewogen. Daarbij dienen ook de belangen van eiser, zoals schaduwwerking, betrokken te worden. Dat aan de voorwaarden in artikel 13, lid 5, onder e, van de beheersverordening is voldaan en deze belangen van eiser niet bij de voorwaarden zijn vermeld doet daar niet aan af. 9.3. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van onevenredige schaduwwerking, is dat standpunt onvoldoende onderbouwd. De stedenbouwkundige heeft in zijn advies ten aanzien van schaduwwerking vermeld dat de dakopbouw vanwege zijn ligging mogelijk zorgt voor extra schaduw in de achtertuinen van de aangrenzende percelen en met een bezonningsstudie de mate van schaduwwerking in beeld kan worden gebracht. Het college kan naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de opmerking dat het standpunt dat sprake is van onevenredige schaduwwerking ook zonder bezonningsstudie door een onafhankelijk deskundige niet aannemelijk is. Ook kan het college niet volstaan met de opmerking dat eiser onevenredige schaduwwerking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover het college zich (alsnog) baseert op de zonnestudie die vergunninghouder op 8 juli 2025 bij het college heeft ingediend volgt de rechtbank dat niet, nu het college in het bestreden besluit zelf opmerkt dat die zonnestudie niet door een onafhankelijk bureau is uitgevoerd, zodat de zonnestudie niet bij de heroverweging kan worden betrokken. 9.4. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, gelet op en het ontbreken van een beoordeling van evenwichtige toedeling van functies en van een belangenafweging en de onvoldoende beoordeling van de stelling van eiser over onevenredige schaduwwerking van de dakopbouw, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering. Welstand
10. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser met betrekking tot de afwerking van de zijmuur en over de ramen en kozijnen van de dakopbouw. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag het college, hoewel zij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij haar rust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn conclusie over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, hoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel niet nader te worden toegelicht. 10.1. De rechtbank acht het aannemelijk dat de welstandscommissie de door eiser aangevoerde aspecten, gelet op de toetsingscriteria van de Welstandsnota gemeente Rijswijk 2015 – waaraan is getoetst – heeft meegenomen in de beoordeling. Eiser heeft de gestelde strijdigheid met het welstandsaspect niet onderbouwd en niet een advies van een deskundige overgelegd waarin het oordeel van de welstandscommissie wordt bestreden. In wat eiser heeft aangevoerd heeft het college dan ook geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan het oordeel van de welstandscommissie. Het betoog van eiser over welstand slaagt niet. Bestuurlijke lus 11. Zoals hierboven is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de rechtbank het college (door middel van een zogenoemde “bestuurlijke lus”) in de gelegenheid stellen om dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het college kan dit gebrek herstellen door alsnog eisers stelling dat de dakopbouw zorgt voor onevenredige schaduwwerking in de achtertuin van zijn woning alsnog zorgvuldig te (laten) onderzoeken door middel van een bezonningsstudie van een terzake deskundige en afdoende te beoordelen. Met inachtneming daarvan zal het college alsnog toereikend gemotiveerd moeten beoordelen of het met het oog op een evenwichtige toedeling van functies en een weging van de relevante belangen gebruik wil maken van de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid. 11.1. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank meedelen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, dient het college binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak. Eiser en vergunninghouder worden daarna in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 11.2. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 16.55, lid 7, van de Ow Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, r.o. 14. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4081.