Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:1875

Vovo tegen omgevingsvergunning voor slopen woning toegewezen. Het college heeft het toetsingskader niet goed toegepast, omdat de artikelen 4.5.1 en verder van de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie” in het bestreden besluit niet zijn genoemd. De daarin wel genoemde artikelen 22.26 en 22.29 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat) zijn in dit geval niet van toepassi...

Rechtbank Den Haag 13 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:1875 text/xml public 2026-02-13T12:14:10 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-05 26-216 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1875 text/html public 2026-02-13T12:13:53 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1875 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / 26-216
Vovo tegen omgevingsvergunning voor slopen woning toegewezen. Het college heeft het toetsingskader niet goed toegepast, omdat de artikelen 4.5.1 en verder van de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie” in het bestreden besluit niet zijn genoemd. De daarin wel genoemde artikelen 22.26 en 22.29 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat) zijn in dit geval niet van toepassing. Uit de stukken is niet duidelijk geworden welke documentatie vergunninghouder heeft overgelegd, die is vereist op grond van de artikelen 4.5.3 en 4.5.4 van de planregels. Tevens is niet voldaan aan het vereiste in de artikelen 4.5.3, aanhef en onder b, en 4.5.4, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels, omdat vergunninghouder bij het indienen van de aanvraag geen stukken heeft overgelegd waarmee is aangetoond dat de cultuurhistorische waarden niet verloren gaan. Uit het bestreden besluit en de toelichting van het college op de zitting blijkt dat voorafgaande aan het bestreden besluit nog geen advies van een cultuurhistorisch deskundige voorhanden was, terwijl een dergelijk advies op grond van artikel 4.5.5, onder c, van de planregels wel is vereist.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/216
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Smits),

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college

(gemachtigde: R.A. Noorhoff).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], te [woonplaats] (vergunninghouder).

(gemachtigde: mr. J.L.C. de Bruijn)
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het slopen van een woning aan het adres [adres] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kleven aan de omgevingsvergunning gebreken, waarvan niet met zekerheid kan worden gezegd dat die in de bezwaarprocedure kunnen worden hersteld. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 heeft het college de genoemde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De garage van de woning van verzoeker is geschakeld aan de te slopen woning.
2.1.
Op 16 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen in die zin dat van de omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
2.2.
Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Ook vergunninghouder heeft gereageerd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1.
Uit de gedingstukken blijkt dat alleen het gedeelte van de woning van vergunninghouder dat grenst aan de woning van verzoeker nog niet is gesloopt. Op de zitting is gebleken dat vergunninghouder de sloopwerkzaamheden zo spoedig mogelijk wil hervatten. Gelet hierop heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek.

Bestreden besluit

4. In het bestreden besluit is overwogen dat het project in overeenstemming is met de regels van het omgevingsplan gemeente Alphen aan den Rijn. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is volgens het college geen bezwaar tegen het project. Daarbij betrekt het college dat op 15 oktober 2025 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een woning op hetzelfde perceel, die past in de regels met betrekking tot de cultuurhistorische waarden. Het slopen van de woning is daarmee verantwoord, aldus het college.

Toetsingskader

5. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
5.1.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
5.2.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Alphen aan den Rijn (het omgevingsplan).
5.3.
Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
5.4.
Ter plaatse van het betrokken perceel geldt, voor zover relevant, het bestemmingsplan “Cultuurhistorie”. Op het perceel is de bestemming “Waarde – Cultuurhistorie – Ensembles” van kracht. In artikel 4.5.1, onder a, van de planregels is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, geheel of gedeeltelijk te slopen.
5.5.
Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
5.6.
In artikel 4.5.3 (Slopen bij behoud van cultuurhistorische waarden) van de planregels is bepaald dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.5.1 kan worden verleend, mits:

a. de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en door de sloopactiviteiten dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind en

b. aanvrager met documentatie het bedoelde onder a gemotiveerd aantoont.
5.7.
In artikel 4.5.4 (Slopen bij verstoren of vernietigen cultuurhistorische waarden, uitsluitend bij zwaarwegende belangen) van de planregels is bepaald dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.5.1, waarvan aangenomen kan worden dat de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, worden verstoord dan wel vernietigd, uitsluitend kan worden verleend, mits:

a. aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont waarom bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de te slopen cultuurhistorische waarden in redelijkheid niet te handhaven zijn;

b. aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont hoe vanuit de cultuurhistorische waarden nieuwe ontwikkelingen worden gerealiseerd, passend binnen de karakteristiek als gebleken uit de cultuurhistorische waardenkaart;

c. documentatie plaatsvindt van de te slopen cultuurhistorische waarden;

d. voor bijzondere materiële relicten een duurzaam toekomstperspectief ex situ wordt gewaarborgd.
5.8.
Op grond van artikel 4.5.5, onder c, van de planregels wint het college advies in door een door hen aan te wijzen ter zake deskundige inzake cultuurhistorie.

Toetsing aan beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit (slopen van een bouwwerk)

6. Verzoeker voert aan dat op grond van artikel 4.5.1 tot en met en 4.5.5 van de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie” geldt dat de vergunning voor de sloop van het ensemble met cultuurhistorische waarden enkel kan worden verleend als de aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont waarom bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de te slopen cultuurhistorische waarden in redelijkheid niet te handhaven zijn. Het bestreden besluit en de daarbij behorende documenten geven er volgens verzoeker geen blijk van dat de aanvrager dergelijke documentatie heeft overgelegd. Het college heeft ook ten onrechte geen advies gevraagd aan een deskundige inzake cultuurhistorie, aldus verzoeker.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de artikelen 4.5.1 en verder van de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie” in het bestreden besluit niet zijn genoemd, ook niet in de paragraaf ‘Toetsingskader’. Daarin zijn wel de artikelen 22.26 en 22.29 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat) vermeld, maar die artikelen zijn in dit geval niet van toepassing, omdat die over de activiteit bouwen gaan en niet over slopen. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus het onder 5-5.8 van deze uitspraak vermelde toetsingskader niet juist toegepast. Het bestreden besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.
7.1.
Het college heeft op de zitting aangegeven dat in dit geval artikel 4.5.3 van de planregels van toepassing is, maar heeft niet gemotiveerd waarom aan dit artikel moet worden getoetst in plaats van aan artikel 4.5.4 van de planregels.
7.2.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat in de Cultuurhistorische waardenkaart, bijlage 1 bij de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie”, op pagina 18 van catalogus 9 de cultuurhistorisch waarde van het ensemble “Raadhuisstraat, lint” als volgt is beschreven:

“Kerngebied van het vroegere dorp [plaats] , bestaande uit deels zeer compacte, deels losse lintbebouwing langs dijkstructuur van de Oude Rijn. Fragmentarisch behouden historische bebouwing, bestaande uit vrijstaande woonhuizen, bedrijfjes en woon-winkelpanden. In het noordelijke deel een cluster kleinschalige panden met oudere bouwrestanten en verkavelingsstructuren. Het ensemble is illustratief voor de oudste bebouwingsstructuren in de gemeente, waar zich het eerst bebouwing ontwikkelde langs de dijkstructuren. Kenmerkend is het afwisselende en in tijd gelaagde karakter van de bebouwing.”
7.3.
Uit de stukken is niet duidelijk geworden welke documentatie vergunninghouder heeft overgelegd waaruit blijkt dat (1) door de sloopactiviteiten dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind of (2) dat bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de te slopen

cultuurhistorische waarden in redelijkheid niet te handhaven zijn, hetgeen is vereist op grond van de artikelen 4.5.3 en 4.5.4 van de planregels.
7.4.
Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat vergunninghouder met het indienen van het nieuwbouwplan heeft aangetoond dat de cultuurhistorische waarden niet verloren gaan. Op de zitting is echter ook gebleken dat vergunninghouder deze stukken niet heeft overgelegd bij het indienen van de aanvraag om de omgevingsvergunning voor het slopen van zijn woning. Dat betekent dat niet is voldaan aan het vereiste in de artikelen 4.5.3, aanhef en onder b, en 4.5.4, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels.
7.5.
Bovendien blijkt uit het bestreden besluit en de toelichting van het college op de zitting dat voorafgaande aan het bestreden besluit nog geen advies van een cultuurhistorisch deskundige voorhanden was, terwijl een dergelijk advies op grond van artikel 4.5.5, onder c, van de planregels wel is vereist. In het (nadien opgestelde) advies van Dorp Stad & Land (DS&L) van 21 januari 2026 is niet beschreven wat de cultuurhistorische waarden zijn, wat het effect van de sloop daarop is en of die waarden volledig behouden blijven dan wel niet onevenredig worden aangetast dan wel worden verstoord of vernietigd. Deze informatie is ook van belang voor de vraag of de beoordelingsregels van artikel 4.5.3 dan wel artikel 4.5.4 van de planregels toegepast moeten worden. Daarover moet alsnog advies aan DS&L worden gevraagd, nádat vergunninghouder de documentatie heeft overgelegd als bedoeld in artikel 4.5.3, onder b, dan wel artikel 4.5.4, onder a tot en met c, van de planregels.
7.6.
Omdat de voorzieningenrechter niet vooruit kan lopen op de uitkomst van de toetsing aan de juiste beoordelingsregels, kan niet met zekerheid worden gezegd dat de hiervoor geconstateerde gebreken kunnen worden hersteld. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het bestreden besluit te schorsen tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7.7.
Ten behoeve van een definitieve geschilbeslechting in bezwaar zal de voorzieningenrechter hierna ook de andere bezwaargronden van verzoeker bespreken.

Veiligheid belendingen

8. Verzoeker voert aan dat niet is gebleken dat passende maatregelen getroffen worden om schade aan het belendend perceel te voorkomen als bedoeld in artikel 7.15, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dit is volgens verzoeker een rechtstreeks werkende bepaling, op de naleving waarvan het college moet toezien. Volgens verzoeker wordt in het bestreden besluit en in de daarbij behorende stukken niet gesproken over maatregelen die moeten worden getroffen om zijn woning veilig te stellen.
8.1.
Op grond van artikel 7.15, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbl worden bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden maatregelen getroffen ter voorkoming van gevaar voor de veiligheid van belendingen.
8.2.
Op grond van artikel 5.34, derde lid, onder a, van de Omgevingswet kunnen regels over het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning ook worden gesteld bij:

omgevingsplan, voor zover het gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
8.3.
Op grond van artikel 4.5.5 onder b van de regels van het bestemmingsplan “Cultuurhistorie” kunnen met het oog op de cultuurhistorische waarden voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
8.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ziet het belang dat artikel 7.15, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbl dient niet op de bescherming van de cultuurhistorische waarden, die de omgevingsvergunningplicht van artikel 4.5.1 van de planregels beoogt te beschermen. Het college kan daarom in deze omgevingsvergunning geen voorschriften stellen over maatregelen ter bescherming van de veiligheid van belendingen, zoals de woning van verzoeker. Dit betoog van verzoeker slaagt daarom niet. Artikel 7.15, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbl is overigens zoals verzoeker terecht opmerkt rechtstreeks werkend, zodat het college op grond daarvan handhavend kan optreden als dat nodig zou zijn.

Uitgestelde inwerkingtreding?

9. Verzoeker voert aan dat het op de weg van het college had gelegen om toepassing te geven aan artikel 16.79, tweede lid, van de Omgevingswet, nu deze bepaling juist is bedoeld voor situaties als deze, waarbij er regels gelden ter bescherming en behoud van het te slopen object.
9.1.
Op grond van artikel 16.79, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet treedt een omgevingsvergunning in werking met ingang van de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt.
9.2.
In het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel is bepaald dat in afwijking van het eerste lid het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepaalt dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld.
9.3.
Aangezien het slopen van een woning leidt tot een toestand die niet kan worden hersteld, had het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden besluit toepassing moeten geven aan artikel 16.79, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het college heeft dat in het verweerschrift ook erkend. Het college dient in de beslissing op het bezwaar van verzoeker ook dit gebrek te herstellen.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 16 oktober 2025 wordt geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat gedurende deze periode van de verleende omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt.
10.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit van 16 oktober 2025 tot vier weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026.

griffier

de voorzieningenrechter is verhinderd

mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen