Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:4543

Vovo tegen last onder dwangsom vanwege diverse strijdigheden met de Omgevingswet en het Omgevingsplan vanwege het huisvesten van arbeidsmigranten afgewezen. De planregeling is niet evident in strijd met de Dienstenrichtlijn en met het vrij verkeer van werknemers. Geen concreet zicht op legalisatie. Geen strijd met evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Kortsluiting.

Rechtbank Den Haag 19 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:4543 text/xml public 2026-03-19T09:30:30 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-05 26-58 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4543 text/html public 2026-03-17T10:17:50 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4543 Rechtbank Den Haag , 05-03-2026 / 26-58
Vovo tegen last onder dwangsom vanwege diverse strijdigheden met de Omgevingswet en het Omgevingsplan vanwege het huisvesten van arbeidsmigranten afgewezen. De planregeling is niet evident in strijd met de Dienstenrichtlijn en met het vrij verkeer van werknemers. Geen concreet zicht op legalisatie. Geen strijd met evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Kortsluiting.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 26/58 en SGR 26/46

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Kashyap),

en
het college van burgemeester en wethouders van Lisse, het college
(gemachtigde: mr. L.M. Hansen).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij], te [woonplaats], belanghebbende.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die het college eiseres heeft opgelegd vanwege diverse strijdigheden met de Omgevingswet en het Omgevingsplan Lisse - waaronder het huisvesten van arbeidsmigranten - in de panden [adres 1] en [adres 2], en op perceel [perceel] te [plaats]. Eiseres is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het bestreden besluit stand kan houden.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Op 9 augustus 2024 heeft het college een handhavingsverzoek van belanghebbende ontvangen, waarin wordt verzocht handhavend op te treden tegen diverse strijdigheden op de percelen [adres 1] en [adres 2] en het perceel kadastraal bekend als [perceel] (de locaties).
2.1.
Op 9 september 2024 en 22 oktober 2024 hebben toezichthouders van de gemeente de locaties bezocht, waarbij zij hebben vastgesteld dat daar sprake is van strijdigheid met het geldende bestemmingsplan. Van deze constateringen is op 10 september 2024 en 23 oktober 2024 een rapportage opgemaakt.
2.2.
Op 30 oktober 2024 heeft het college een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom verzonden aan eiseres. Op 19 november 2024 heeft eiseres een schriftelijke zienswijze ingediend naar aanleiding van dit voornemen.
2.3.
Het college heeft met het besluit van 12 februari 2025 eiseres een last onder dwangsom opgelegd om onder andere vóór 13 mei 2025:

- Het (laten) bewonen van de woning [adres 1] te [plaats] door meer dan 1 huishouden te

(laten) staken en nadien blijvend gestaakt te houden. Dit op verbeurte van een dwangsom

van €10.000,- per constatering (met een submaximum van €10.000,- per week) met een

maximum van €20.000,- (lastgeving 1).

- Het (laten) bewonen van de woning [adres 2] te [plaats] door meer dan 1 huishouden te (laten) staken en nadien blijvend gestaakt te houden. Dit op verbeurte van een dwangsom

van €10.000,- per constatering (met submaximum van €10.000,- per week) met een

maximum van €20.000,- (lastgeving 2).

- De bewoning in de garage [adres 2] te [plaats] te (laten) staken en nadien gestaakt te

houden en de met bewoning verband houdende huisraad te verwijderen en nadien blijvend

verwijderd te houden. Daarbij gaat het om de slaapplaatsen, de keuken en de badkamer. Dit

op verbeurte van een dwangsom van €5.000,- per constatering (met een submaximum van

€5.000,- per week) met een maximum van €10.000,- (lastgeving 3).
2.4.
Met het besluit van 8 april 2025 is de begunstigingstermijn verlengd tot en met 4 weken na de beslissing op het bezwaar.
2.5.
Met het bestreden besluit van 3 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaak SGR 26/46) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (zaak 26/58).
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], en de gemachtigde van het college.
2.8.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader

3. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
3.1
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Lisse (het omgevingsplan). Ingevolge artikel 22.1 van de Omgevingswet bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit onder andere het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” (het bestemmingsplan), het paraplubestemmingsplan “Herziening begrippen” (het

paraplubestemmingsplan) en de zogeheten Bruidsschat. Op het perceelgedeelte waarop de woningen [adres 1] en [adres 2] staan rust op grond van het bestemmingsplan de enkelbestemming “Wonen”. Ter plaatse van de tot woning verbouwde garage aan de [adres 2] geldt de bestemming “Agrarisch - Bollenteelt – Bollenzone 3”.
3.2
Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
3.3
In artikel 33.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan is bepaald dat de voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
3.4
Daarnaast geldt het paraplubestemmingsplan “Herziening begrippen” (het

paraplubestemmingsplan). Artikel 5 van het paraplubestemmingsplan voorziet, voor zover hier van belang, in vervanging van bepalingen in het bestemmingsplan.
3.5
Op grond van artikel 5.3 van de planregels van het paraplubestemmingsplan wordt onder ‘bedrijfsmatige kamerverhuur’ verstaan: ‘een samenstel van verblijfsruimten, uitsluitend of mede bestemd of gebruikt om daarin aan anderen dan de rechthebbende en de personen behorende tot diens huishouden, woonverblijf, niet in de zin van zelfstandige woongelegenheid, te verschaffen, al dan niet met gehele of gedeeltelijke verzorging; een en ander kan onder meer blijken uit het feit dat voor de kamers afzonderlijk huur wordt berekend en/of betaald en elke kamer zelfstandig wordt bewoond, waarbij al dan niet sprake is van enkele gemeenschappelijke voorzieningen.’ Onder de definitie van bedrijfsmatige kamerverhuur valt niet: ‘de verhuur van één of twee kamers door de bewoner of eigenaar/bewoner van een woning aan niet meer dan in totaal vier personen, dit mits de gezamenlijke gebruiksoppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gebruiksoppervlakte van de woning, zulks met een maximum van 50 m2; de verhuur van een gedeelte van de woning ten behoeve van verblijfsrecreatie (in de vorm van Bed & Breakfast).’
3.6
Op grond van artikel 5.4 van de planregels van het paraplubestemmingsplan wordt onder ‘woning of wooneenheid’ verstaan: ‘een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; onder woning of wooneenheid worden mede zorgwoningen begrepen.’
3.7
Op grond van artikel 5.7.13 van de planregels van het paraplubestemmingsplan wordt onder ‘tijdelijke arbeidsmigrant’ verstaan: elke inwoner komende uit die landen die tot de Europese Unie zijn toegetreden, met uitzondering van Nederland en die naar Nederland komt om hier tijdelijk te werken en te verblijven (< 6 maanden). Het betreft geen arbeidsmigranten die hier zich permanent willen vestigen.
3.8
Op grond van artikel 5.9, onder a, van de planregels van het paraplubestemmingsplan is het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte niet toegestaan met uitzondering van het gebruik als mantelzorg als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht.
3.9
Op grond van artikel 5.9, onder b, van de planregels van het paraplubestemmingsplan is het gebruik van bedrijfswoningen, woningen en/of wooneenheden anders dan voor één huishouden niet toegestaan.
3.10
Op grond van artikel 5.10.2 van de planregels van het paraplubestemmingsplan kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van de specifieke gebruiksregels en toestaan dat in een (deel van een) woning (..) bedrijfsmatige kamerverhuur ten behoeve van huisvesting wordt toegestaan met inachtneming van het volgende:

a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;

b. de benodigde parkeerplaatsen (1 parkeerplaats per huurder) worden bij voorkeur op eigen

terrein gerealiseerd, indien dit fysiek niet mogelijk is, moet aangetoond worden dat de

parkeerbehoefte in de openbare ruimte op een redelijke wijze opgevangen kan worden,

c. elke afzonderlijke kamer heeft een oppervlakte van minimaal 12 m2.

Bestreden besluit

4. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de locaties in strijd is met het bestemmingsplan, mede omdat voor het huisvesten van arbeidsmigranten in de vorm van kamerbewoning in dit geval geen omgevingsvergunning is verleend voor het afwijken van de specifieke gebruiksregels van het omgevingsplan. Het college is ook niet bereid medewerking te verlenen aan de huidige activiteit op de locaties, zodat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Van strijd met de Dienstenrichtlijn of indirecte discriminatie is volgens het college geen sprake.

Gronden

5. Eiseres voert aan dat de plan- en beleidsregels waarop het bestreden besluit is gebaseerd buiten toepassing dienen te worden gelaten wegens strijd met de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt; PB 2006, L 376/36). Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2025- waar een vergelijkbare planregel aan de orde was waarin een verbod op kamerverhuur was opgenomen (bewoning niet meer dan één huishouden). De Afdeling oordeelde in die zaak dat de Dienstenrichtlijn op die planregeling van toepassing is. Eiseres betoogt - eveneens onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025 - dat er sprake is van een belemmering van het recht zoals is neergelegd in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Daarop wordt in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan.
5.1
Daarnaast stelt eiseres dat het onwenselijk is dat op grond van gemeentelijk beleid toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid bij voorbaat is uitgesloten ten aanzien van het huisvesten van arbeidsmigranten in woningen. Daarom kan de conclusie dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie volgens haar niet in stand blijven.

Verder voert eiseres aan dat handhaving in dit specifieke geval onevenredig is, omdat er een schrijnend tekort aan huisvesting voor arbeidsmigranten is, waarbij arbeidsmigranten een kwetsbare groep zijn met minder kans bij het vinden van passende woonruimte dan anderen.

Standpunt van het college

6. Het college stelt zich - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van

9 januari 2019 - op het standpunt gesteld dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is. Ook personen die handelen als particulier worden geraakt door het kamerverhuurverbod. De Dienstenrichtlijn is niet van toepassing op eisen die op iedereen, zonder onderscheid, van toepassing zijn. De planregels kunnen niet worden aangemerkt als eisen die specifiek de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit reguleren, of daarop specifiek van invloed zijn, zodat de Dienstenrichtlijn niet op de planregels van toepassing is. De planregels kunnen dus ook niet worden aangemerkt als een territoriale beperking als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a van de Dienstenrichtlijn. Het college verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023.
6.1
Verder dient volgens het college in een handhavingsprocedure als deze de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Daarvan is naar de mening van het college, onder meer gelet op de uitspraak van de Afdeling van

9 januari 2019, geen sprake. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van

10 december 2025 leidt niet tot een ander oordeel, omdat in die zaak beroep was ingesteld tegen de vaststelling van een bestemmingsplan, aldus het college.
6.2
Ten aanzien van de gronden over het recht zoals is neergelegd in artikel 45 VWEU en concreet zicht op legalisatie heeft het college verwezen naar de oordelen die zijn uitgesproken in de uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van

2 december 2022, zaken SGR 22/6032 en 22/6033 en van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 27 maart 2023. Daarnaast is handhavend optreden volgens het college in dit geval niet onevenredig. Het college heeft daarbij eveneens verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 27 maart 2023. Bovendien is aan eiseres eerder een omgevingsvergunning verleend voor de huisvesting van 30 arbeidsmigranten op het naburige perceel aan de [adres 3]. Van een onmogelijkheid om gebruik te maken van alternatieve locaties is dus geen sprake. Bij handhavend optreden is reeds in algemene zin een zwaarwegend belang gediend. Daarbij acht het college van belang dat in dit geval een handhavingsverzoek is ingediend. Indien het college niet handhavend zou optreden, zou daarvan tevens een ongewenste precedentwerking uitgaan. Eiseres heeft bovendien louter een financieel belang dat onvoldoende zwaarwegend is om van handhavend optreden af te zien, aldus het college.

Is de Dienstenrichtlijn van toepassing en is de planregeling daarmee evident in strijd?

7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de oplegging van een last onder dwangsom de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling aan de orde te stellen niet zover strekt dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. In een procedure als deze, waarin wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent. Een planregel is alleen evident in strijd met hoger recht als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet.
7.1
Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025 zou kunnen voortvloeien dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op de nu aan de orde zijnde planregeling. Maar, dat laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onverlet dat de planregels in die zaak geen voorwerp waren van een exceptieve toetsing, omdat de uitspraak is gedaan op beroepen tegen de vaststelling van een bestemmingsplan. De uitspraak van de Afdeling van

10 december 2025 doet dan ook niet af aan de toepasselijkheid van het evidentiecriterium.
7.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat het hiervoor onder 2.18 vermelde artikel 5.10.2 van het paraplubestemmingsplan niet identiek is aan die de planregel die de Afdeling in de uitspraak van 10 december 2025 heeft vernietigd. Zo wordt in artikel 5.3.1 van de planregels dat in de zaak bij de Afdeling aan de orde was gesproken van seizoensarbeiders en in artikel 5.10.2 van het paraplubestemmingsplan van bedrijfsmatige kamerverhuur.

De door de Afdeling vernietigde bepaling komt dus niet overeen met de door eiseres bestreden bepaling in het paraplubestemmingsplan. Verders is een gebruiksverbod van een woning door meer dan één huishouden in de Afdelingsuitspraak van 10 december 2025 niet in strijd bevonden met de Dienstenrichtlijn. Daarnaast is in artikel 5.10.2 van het paraplubestemmingsplan, anders dan in artikel 5.3.2. van de planregels als bedoeld in de uitspraak van 10 december 2025, geen directe verwijzing naar collegebeleid opgenomen. Voor zover het collegebeleid – zoals eiseres stelt – restrictief is met betrekking tot de toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, brengt dat nog niet met zich mee dat de planregeling in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Bij exceptieve toetsing die wordt gevraagd, gaat het immers om de vraag of de planregel zelf evident in strijd met hogere regelgeving.
7.3
Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de geldende planregeling niet evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Er is dus geen reden om de artikelen 5.3, 5.4, 5.9 en 5.10.2 van het paraplubestemmingsplan onverbindend te achten of buiten toepassing te laten. Deze grond slaagt daarom niet.

Is er sprake van discriminatie en/of evidente strijd met het vrij verkeer van werknemers?

8. In artikel 45 van het VWEU is het vrij verkeer van werknemers geregeld. Dat houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
8.1
Eiseres stelt dat sprake is van (indirecte) discriminatie omdat Nederlanders worden bevoordeeld, aangezien vooraf zonder gedegen onderzoek is aangenomen dat arbeidsmigranten overlast veroorzaken. In de last is namelijk overwogen dat het verbod voor meerdere huishoudens is ingesteld om een verstoring van de leefomgeving door arbeidsmigranten te voorkomen.
8.2
De voorzieningenrechter kan eiseres op zichzelf volgen in het standpunt dat de huisvesting van arbeidsmigranten niet vanzelf met zich meebrengt dat sprake is van overlast. Het college zal daarover in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning een afweging moeten maken. In deze procedure staat echter vast dat die aanvraag er niet is. De oplegging van deze last levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen (indirecte) discriminatie op, omdat sprake is van handhaving van voor eenieder geldende planregels.
8.3
Ook als er - zoals eiseres stelt - van zou moeten worden uitgegaan dat in de gemeente Lisse geen behoefte is aan kamers voor studenten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college er terecht op wijst dat de mogelijkheid van kamerbewoning ook voor andere groepen dan studenten een oplossing kan bieden. Dat de regels over kamerbewoning alleen relevant zijn voor arbeidsmigranten heeft eiseres daarom niet aannemelijk gemaakt.
8.4
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de planregeling niet evident in strijd is met het vrij verkeer van werknemers. Er is dus evenmin reden om op deze grond de artikelen 5.3, 5.4, 5.9 en 5.10.2 van het paraplubestemmingsplan onverbindend te achten of buiten toepassing te laten. Ook deze grond slaagt daarom niet.

Is sprake van een overtreding?

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het huisvesten van arbeidsmigranten in de vorm van kamerbewoning, zonder te beschikken over een omgevingsvergunning voor het afwijken van de specifieke gebruiksregels van het omgevingsplan een overtreding oplevert van artikel 5.1, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang gelezen met artikel 22.26 van het Omgevingsplan. Het college was op grond van artikel 18.2, tweede lid, van de Omgevingswet bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.

Beginselplicht tot handhaving

10. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Concreet zicht op legalisatie?

11. Van concreet zicht op legalisatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake, alleen al omdat eiseres ten tijde van het bestreden besluit geen aanvraag om een legaliserende omgevingsvergunning heeft ingediend. Dat het, naar eiseres stelt, zinloos is om een omgevingsvergunning aan te vragen, omdat vast staat dat die aanvraag wordt afgewezen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het ligt op de weg van eiseres om een aanvraag te doen en om vervolgens in een bezwaar- en beroepsprocedure op te komen tegen de (verwachte) weigering. Een dergelijke procedure is – anders dan deze handhavingsprocedure – de aangewezen procedure om de rechtmatigheid van een weigering van een omgevingsvergunning te beoordelen. In dat kader kan eiseres ook een beroep doen op de in deze zaak door aangehaalde landelijke beleidsdocumenten over het belang van huisvesting en te stellen eisen aan huisvesting van arbeidsmigranten.

Is handhavend optreden onevenredig?

12. Eiseres heeft een beroep gedaan op de uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 oktober 2013 (“Case of Winterstein and others v. France”, zaaknr. 27013/07), waaruit volgt dat juist bij kwetsbare groepen rekening moet worden gehouden met hun speciale behoeftes, zoals in het geval van arbeidsmigranten, groepshuisvesting. In het kader van die evenredigheidstoets is volgens het EHRM van belang dat alternatieve huisvestingsmogelijkheden serieus worden onderzocht, zodat daarmee de nodige aandacht wordt besteed aan de gevolgen van handhaving. Eiseres stelt dat in bezwaar en de zienswijze onder verwijzing naar diverse onderzoeken is onderbouwd dat arbeidsmigranten juist groepshuisvesting nodig hebben zoals verkamering van woningen.
12.1
In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 27 maart 2023, is in r.o. 8.4 overwogen dat op voorhand niet doorslaggevend is of er voldoende alternatieve huisvestingsmogelijkheden voor arbeidsmigranten te vinden zijn. Ook als dat niet het geval is, levert dat volgens de voorzieningenrechter van de Afdeling geen vrijbrief op om in strijd met het bestemmingsplan te handelen. Dat geldt zeker in het geval van de appellanten in die procedure, omdat de beschikbaarheid van voldoende huisvestingsmogelijkheden voor arbeidsmigranten geen belang dat haar rechtsreeks aangaat. Zij heeft als verhuurder van woonruimte niet de taak om voor voldoende huisvesting van arbeidsmigranten te zorgen en is voor haar bedrijfsvoering ook niet afhankelijk van de inzet van dergelijke arbeidsmigranten.
12.2
De voorzieningenrechter volgt dit oordeel van de voorzieningenrechter van de Afdeling. Daargelaten dat de beschikbaarheid van voldoende huisvestingsmogelijkheden voor arbeidsmigranten eiseres als verhuurder van woonruimte niet rechtstreeks aangaat, heeft eiseres naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet concreet gemaakt dat dit handhavend optreden ertoe leidt dat binnen de gemeente onvoldoende rekening kan worden gehouden met de specifieke belangen van arbeidsmigranten.

Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?

13. Eiseres voert tevens aan dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. In dit verband heeft eiseres gewezen op de ongelijke behandeling ten opzichte van Oekraïense vluchtelingen die, bestaande uit meerdere huishoudens, zonder vergunning zijn gehuisvest in een woning aan de [straatnaam] te [plaats].
13.1
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat een gelijk geval als dat van eisers anders (gunstiger) is behandeld door het college. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025, waarin is overwogen dat de opvang van Oekraïense oorlogsvluchtelingen niet vergelijkbaar is met de huisvesting van arbeidsmigranten. Nu geen sprake is van gelijke gevallen, slaagt het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit standhoudt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

ECLI:NL:RVS:2025:6007.

ECLI:NL:RVS:2019:35.

ECLI:NL:RVS:2023:2087.

ECLI:NL:RBDHA:2022:14759.

ECLI:NL:RVS:2023:1197.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4266 en van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1751.

ECLI:NL:RVS:2025:6007, r.o. 8.18.

Arrest van het Hof van 15 december 2016, ECLI:EU:C:2016:955, r.o. 34.

Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.

ECLI:NL:RVS:2025:1036.

Artikel delen