Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:4702

Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb

Rechtbank Den Haag 18 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:4702 text/xml public 2026-03-18T15:44:33 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-04 SGR 25/99 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4702 text/html public 2026-03-18T15:33:14 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4702 Rechtbank Den Haag , 04-03-2026 / SGR 25/99
Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/99
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen [eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats], eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden
(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar, mr. J.C.L de Bruijn en mr. S. Roth).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats]. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een besluit tot afwijzing van een handhavingsverzoek van eisers, onder verwijzing naar een eerder genomen afwijzend besluit. Volgens het college zijn er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek mocht afwijzen met verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 31 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college een verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen het slopen van kozijnen en vervangen door kunststof kozijnen op de eerste en tweede verdieping van het pand aan de [adres 1] van derde-partijen afgewezen.
2.1.
Eisers wonen op het perceel [adres 2]. Eisers hebben op

5 september 2024 bij het college een verzoek tot handhaving ingediend. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat de kozijnen op de eerste en tweede verdieping van het pand aan de [adres 1] zijn gesloopt en door kunststof kozijnen zijn vervangen zonder over een daartoe strekkende omgevingsvergunning te beschikken. Het college moet hiertegen handhavend optreden, aldus eisers.
2.2.
Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen. Volgens het college komt het handhavingsverzoek overeen met het door eisers op 12 september 2019 ingediende handhavingsverzoek, dat bij besluit van 14 juni 2023 is afgewezen. Er is volgens het college geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het handhavingsverzoek van 12 september 2019. Daarom wijst het college op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het handhavingsverzoek af.
2.3.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het afwijzende besluit en verzocht om hiertegen rechtstreeks beroep in te stellen. Het college heeft ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep. De rechtbank heeft het bezwaar van eiser op grond van artikel 7:1a van de Awb aangemerkt als rechtstreeks beroep bij de rechtbank.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van eiser in de zaak met nummer SGR 25/7924.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht het college artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toepassen?

3. De rechtbank stelt vast dat het handhavingsverzoek van 5 september 2024 op dezelfde overtreding ziet als het handhavingsverzoek van 12 september 2019. Het college heeft dit verzoek daarom terecht aangemerkt als een herhaalde aanvraag.
3.1.
Als na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt ingediend, moet de aanvrager daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermelden. Het moet dan gaan om nieuwe feiten of omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. Als er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan de aanvraag meteen worden afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd zoals hiervoor bedoeld. Ook de door eisers naar voren gebrachte inwerkingtreding van de Omgevingswet is niet als zodanig aan te merken. Er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat deze gewijzigde wetgeving zou kunnen leiden tot een inhoudelijk ander besluit dan afwijzing van het handhavingsverzoek. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 februari 2025, waaruit volgt dat het college, in verband met de rechtszekerheid, geen last onder dwangsom kan opleggen. Deze uitspraak heeft betrekking op de besluitvorming die is gevolgd op het eerdere handhavingsverzoek van eisers van 12 september 2019. In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

Artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

ECLI:NL:RVS:2025:436.

Artikel delen