Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:7185

Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen. Het college heeft erkend dat niet is onderzocht of wordt voldaan aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet. Het door eiser overgelegde bouwkundig rapport is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een onmiskenbare strijd met de zorgplicht.

Rechtbank Den Haag 10 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:7185 text/xml public 2026-04-10T13:51:02 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 SGR 25/3144 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7185 text/html public 2026-04-10T13:48:49 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7185 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / SGR 25/3144
Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen. Het college heeft erkend dat niet is onderzocht of wordt voldaan aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet. Het door eiser overgelegde bouwkundig rapport is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een onmiskenbare strijd met de zorgplicht.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/3144
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college
(gemachtigde: mr. E. van Bennekom).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Dit verzoek betreft een schuur in de tuin van zijn buren aan de [adres 1] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen hiervan geheel in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 12 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 4 april 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiser heeft nadere stukken overgelegd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader

3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van het bouwwerk geldt het [bestemmingsplan] Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas.

4. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Feitelijke situatie

5. Eiser woont aan de [adres 2] in [plaats]. In 2019 hebben zijn buren op het naastgelegen perceel aan de [adres 1] een schuur gebouwd in de ruimte tussen de beide woningen. Deze schuur staat op enkele centimeters afstand van de zijgevel van de woning van eiser, op grond die eigendom is van de buren. Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend omdat hij als gevolg van de schuur vocht- en geluidsoverlast ervaart in zijn woning.

Standpunten van partijen

6. Eiser betoogt dat het college zijn handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat de schuur vochtproblemen veroorzaakt in en aan zijn woning. Volgens eiser is de gevel van zijn woning verzadigd geraakt en zijn de binnenmuren van zijn woning beschimmeld. Door de ligging van de schuur is het volgens eiser bovendien niet meer mogelijk om onderhoud uit te voeren aan zijn gevel en evenmin aan de schuur zelf. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog een bouwkundig rapport van Mays Company overgelegd. Eiser ervaart verder geluidsoverlast vanuit de schuur, omdat de buren deze gebruiken voor kluswerkzaamheden. Volgens eiser is de schuur dan ook gebouwd en in gebruik in strijd met het burenrecht. Hij meent dat het college de planologische toelaatbaarheid van de schuur ten onrechte laat prevaleren boven het tegengaan van de overlast die hij ervaart. Hij acht dit in strijd met de zorgplicht die op het college rust.

7. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de schuur geen omgevingsvergunning is vereist en dat ook wordt voldaan aan artikel 4.204, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Ten aanzien van de schuur wordt volgens het college verder gehandeld in overeenstemming met de specifieke zorgplicht voor bestaande bouwwerken uit artikel 3.5 van het Bbl. Er is volgens het college daarom geen sprake van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden.

Is sprake van een overtreding?

Mocht de schuur vergunningvrij worden gerealiseerd?

8. Eiser heeft niet gemotiveerd betwist dat de schuur voldoet aan de vereisten die worden gesteld in artikel 22.36 van het Omgevingsplan. Dat betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor het oprichten en in stand houden van de schuur geen omgevingsvergunning is vereist.
Wordt voldaan aan het Bbl?
9. Op grond van het Bbl moet een bouwwerk beschikken over een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Uit een handhavingsrapport van 1 november 2024 volgt dat – zoals door het college in de bezwaarfase ook is erkend – de schuur aanvankelijk op natuurlijke wijze afwaterde richting de zijgevel van de woning van eiser en dat de vereiste waterafvoervoorziening ontbrak. Het college heeft na de hoorzitting in bezwaar op grond van een handhavingsrapport van 15 januari 2025 geconstateerd dat er alsnog een waterafvoer aan de schuur is gerealiseerd en dat de schuur niet meer afwatert richting de zijgevel van de woning van eiser. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de constateringen in het handhavingsrapport. Omdat ten tijde van het bestreden besluit een waterafvoervoorziening aanwezig was, heeft het college mogen aannemen dat in zoverre geen sprake meer was van een overtreding van het Bbl.
9.1.
De rechtbank overweegt verder dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de schuur geen strijd oplevert met artikel 3.5 van het Bbl. In dit artikel is een specifieke zorgplicht voor bestaande bouwwerken opgenomen. Uit de formulering van artikel 3.5 van het Bbl volgt dat deze zorgplicht uitsluitend ziet op de bouwkundige staat van het bouwwerk en niet op de positionering ervan. Nu niet in geschil is dat de bouwkundige staat van de schuur in orde is, is geen sprake van een overtreding van artikel 3.5 van het Bbl.
9.2.
Gelet op het voorgaande is geen sprake van een overtreding van het Bbl waartegen het college handhavend had moeten optreden.

Is sprake van een overtreding van de algemene zorgplicht?

10. Op grond van artikel 1.6 van de Omgevingswet draagt een ieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 van de Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht voor iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Zoals volgt uit artikel 1.8 van de Omgevingswet en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet, hebben de zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet een vangnetfunctie en zijn deze met name van belang bij activiteiten die niet nader zijn gereguleerd. Uit artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat indien voor een activiteit wel specifieke regels zijn gesteld en deze worden nageleefd, daarmee eveneens wordt voldaan aan de zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet.
10.1.
De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat er specifieke regels zijn vastgesteld ter voorkoming van vochtschade bij derden als gevolg van de positionering van de schuur. Dat betekent dat de situatie waarop artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet betrekking heeft, zich hier niet voordoet.
10.2.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet blijkt dat de algemene zorgplichten in de Omgevingswet voortbouwen op algemene zorgplichten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in diverse wetten waren opgenomen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat handhavend optreden op grond van dergelijke zorgplichten in beginsel slechts aan de orde kwam bij onmiskenbare strijd met de zorgplicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze rechtspraak niet zou gelden ten aanzien van de algemene zorgplichten die zijn opgenomen in artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet.
10.3.
Het college heeft ter zitting erkend dat het niet heeft onderzocht of wordt voldaan aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet, omdat het deze zorgplichten te algemeen acht als grondslag voor handhavend optreden. De rechtbank deelt dit standpunt van het college niet. Zoals hiervoor is overwogen kan bij het ontbreken van een meer specifieke regel en als sprake is van onmiskenbare strijd met een algemene zorgplicht, op grondslag van die algemene zorgplicht handhavend worden opgetreden. Nu het college niet heeft onderzocht of die situatie zich in dit geval voordoet, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust dit niet op een draagkrachtige motivering. Het hiertegen gerichte betoog van eiser slaagt. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Daartoe wordt als volgt overwogen.
10.4.
Hiervoor is overwogen dat het vangnetkarakter van een algemene zorgplicht met zich meebrengt dat handhaving hiervan alleen aan de orde is bij handelen dat onmiskenbaar in strijd met de zorgplicht is. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke onmiskenbare strijd in dit geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat uit het door eiser overgelegde bouwkundig rapport volgt dat de beperkte afstand tussen de schuur en de gevel van de woning van eiser leidt tot onvoldoende natuurlijke ventilatie en dat hierdoor onder meer een verhoogd risico op vochtbelasting ontstaat, is hiervoor onvoldoende. Of de aanwezigheid van de schuur daadwerkelijk tot schade aan de woning van eiser heeft geleid of zal leiden, vergt nader onderzoek. Reeds daarom is van een onmiskenbare strijd met de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet geen sprake.

11. De conclusie van het voorgaande is dat de aanwezigheid van de schuur geen overtreding oplevert waartegen het college handhavend kon optreden. Voor zover eiser meent dat de aanwezigheid van de schuur strijd oplevert met het burenrecht omdat hij hierdoor schade lijdt, hij hierdoor wordt gehinderd in de mogelijkheden om zijn gevel te onderhouden en hij door het gebruik dat van de schuur wordt gemaakt onrechtmatige geluidshinder ondervindt, kan hij zich tot de civiele rechter wenden.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Dat betekent dat het college niet handhavend hoeft op te treden tegen de aanwezigheid van de schuur.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 april 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Ingevolge artikel 22.27, onder a, van het omgevingsplan geldt het verbod, zoals bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan niet voor de activiteiten bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. op de grond staand;

2. gelegen in achtererfgebied;

3. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4. niet hoger dan 5 meter;

5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

Ingevolge artikel 22.36 van het omgevingsplan is, voor zover relevant, in ieder geval in overeenstemming met het omgevingsplan:

a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

5 meter;

0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 3.5 van het Bbl is degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, van het Bbl heeft een bouwwerk een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

Ingevolge artikel 3.111, tweede lid, van het Bbl wordt, als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Ingevolge artikel 4.204, eerste lid, van het Bbl heeft een bouwwerk een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater waarmee het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

Ingevolge artikel 4.204, tweede lid, van het Bbl, wordt, als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.204 regels zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Ingevolge artikel 1.4 van de Omgevingswet is deze wet niet van toepassing op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze wet anders blijkt.

Ingevolge artikel 1.6 van de Omgevingswet draagt een ieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving,

Ingevolge artikel 1.7 van de Omgevingswet is een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving verplicht:

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken,

als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

Ingevolge artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet wordt in ieder geval voldaan aan de verplichtingen zoals bedoeld in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Ow, voor zover bij wettelijk voorschrift of besluit specifieke regels zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet, en die regels worden nageleefd.

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

Dit volgt uit artikel 3.111, eerste lid, van het Bbl voor bestaande bouw en uit artikel 4.204, eerste lid, van het Bbl voor nieuwbouw.

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 67 en 70.

Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, blz. 67.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5756.

Artikel delen