Weigering omgevingsvergunning voor omzetting bijgebouw naar hoofdgebouw voor zelfstandige bewoning. Omgevingswet. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Weigering onvoldoende gemotiveerd.
Rechtbank Gelderland 30 December 2025
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:11245
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-12-2025
Datum publicatie
30-12-2025
Zaaknummer
ARN 25/1475
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11245text/xmlpublic2025-12-30T17:00:192025-12-18Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2025-12-19ARN 25/1475UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemBestuursrecht; BestuursprocesrechtBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11245text/htmlpublic2025-12-22T09:55:222025-12-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2025:11245 Rechtbank Gelderland , 19-12-2025 / ARN 25/1475 Weigering omgevingsvergunning voor omzetting bijgebouw naar hoofdgebouw voor zelfstandige bewoning. Omgevingswet. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Weigering onvoldoende gemotiveerd.
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1475 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten, het college (gemachtigde: mr. M.R. Prins en H.G.M. Witjes). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken en verbouwen van een bijgebouw tot een zelfstandige woning. 1.1. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college. Procesverloop 2. Eiser is eigenaar van de woning en het bijbehorende perceel aan de [locatie] in [plaats] (het perceel). Op het perceel staat een bijgebouw waarin eiser voorheen een museum exploiteerde (het museumgebouw). Voor de exploitatie van het museum is geen vergunning verleend. 2.1. Het perceel van eiser is gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Aalten’ (het omgevingsplan). Het perceel valt daarmee binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan Aalten, onderdeel bestemmingsplan ‘Kern Aalten 2011’ (tijdelijk deel van het omgevingsplan – Kern Aalten 2011). In dit tijdelijke deel van het omgevingsplan heeft het perceel de bestemming ‘Wonen’, met de bouwaanduiding ‘Vrijstaand’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie hoog’. 2.2. Op 24 mei 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Eiser wil met de omgevingsvergunning toestemming krijgen voor het inpandig verbouwen tot en het gebruiken van het voormalig museumgebouw als een zelfstandige woning (het bouwplan). Eiser wil het museumgebouw verbouwen tot een gelijkvloerse woning die hij vanwege toenemende medische beperkingen samen met zijn vrouw zelf wil gaan bewonen. 2.3. Op 20 augustus 2024 heeft het college besloten om de aanvraag van eiser af te wijzen omdat het bouwplan in strijd is met tijdelijke deel van het omgevingsplan – Kern Aalten 2011 (het primaire besluit). Op grond van artikel 31.2.1a, onder 2, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan – Kern Aalten 2011 is slechts één woning toegestaan op het perceel. 2.4. Op 18 februari 2025 heeft het college besloten op het bezwaar van eiser (de beslissing op bezwaar). Het college heeft de motivering van het primaire besluit aangevuld, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Beroepsgronden Is onvoldoende gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
5. Eiser betoogt dat het college in de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft onderbouwd dat het bouwplan in strijd is met het criterium ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. In de beslissing op bezwaar is volgens eiser niet gemotiveerd waarom het woon- en leefklimaat van omwonenden verslechtert als gevolg van het bouwplan. Eiser wijst erop dat de gronden waarop het museumgebouw is gesitueerd al de functie ‘wonen’ hebben. Verder stelt eiser dat het bouwplan geen negatieve gevolgen heeft op de omgeving. Zo blijft volgens eiser het groene karakter van het perceel behouden, is het museumgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg en richt de transformatie zich vooral op de binnenkant van het museumgebouw. Tot slot stelt eiser dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan de medische situatie van hem en zijn vrouw en de omstandigheid dat als gevolg van het bouwplan eiser en zijn vrouw langer zelfstandig kunnen blijven wonen. 5.1. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft hierbij beoordelingsruimte en de rechtbank toetst de beslissing van het college terughoudend. 5.2. In de beslissing op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen:
‘Uitnodigingskader Woningbouw
(…)
De aanvraag voor het inpandig verbouwen van een voormalig museum tot een zelfstandige woonruimte is getoetst aan het vastgestelde Uitnodigingskader Woningbouw. De aanvraag voldoet niet aan het onderdeel ‘Ruimtelijke toets’ van dit kader. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het huidige ruimtelijke beleid van de gemeente Aalten, dat gericht is op het waarborgen van een evenwichtige en duurzame inrichting van het gebied. Het toevoegen van een woning op het achtererf leidt naar ons oordeel tot ruimtelijke problemen, zoals een onjuiste functieverdeling en een verminderde leefkwaliteit. Ook wordt beoogd ongewenste precedentwerking te voorkomen.
(…)
Woon- en leefklimaat omwonende
De aanvraag leidt ertoe dat er op het achtererf van het perceel [locatie] een woning wordt toegevoegd. De woonomgeving van de bewoners van de aangrenzende percelen gaat hierdoor veranderen. Ook zal de uitvoering van het plan ertoe leiden dat ter plaatse de ruimtelijke structuur verandert, en de functie van het bijbehorende bouwwerk verandert naar een woonfunctie. Het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Aalten maakt ter plaatse een vrijstaande woning mogelijk, met bijbehorende bijgebouwen op het achtererf. Door het toevoegen van een permanente woning op het achtererf is geen sprake meer van een juiste functieverdeling.’ 5.3. De rechtbank oordeelt dat het college in de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan in strijd is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de beslissing op bezwaar heeft het college alleen volstaan met de opmerkingen dat het bouwplan niet past binnen het beleid, leidt tot ruimtelijke problemen, leidt tot ongewenste precedentwerking en de omgeving door de tweede woning wordt veranderd. Het college heeft dit niet gespecificeerd op het concrete bouwplan. Het college heeft onder meer nagelaten om te benoemen waarom op deze specifieke locatie een tweede woning leidt tot een onjuiste functieverdeling en waarom een tweede woning leidt tot een vermindering van de leefkwaliteit. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank gaat hierna in op de gevolgen van dit oordeel. Heeft het college in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel?
6. Eiser betoogt dat het college in de beslissing op bezwaar heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiser voert daartoe aan dat het college in meerdere gevallen wel een tweede woning heeft toegestaan in het achtererf. Het voorkomen van precedentwerking kan volgens eisers hierom ook geen rol spelen bij het afwijzen van het bouwplan. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van rechtens vergelijkbare zaken, die het college ongelijk heeft behandeld. Oftewel, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een vergelijkbaar bouwplan? Anders dan eiser stelt, heeft het college voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Het college heeft namelijk uiteengezet dat de door eiser aangedragen gevallen niet vergelijkbaar zijn gelet op de specifieke omstandigheden, óf dat een ander planologisch regime van toepassing was ten tijde van het verlenen van de betreffende omgevingsvergunning. Dit laatste heeft eiser niet weersproken. De stelling van eiser ter zitting dat deze gevallen wel aantonen dat het onder omstandigheden mogelijk is om een tweede woning toe te staan op een perceel doet aan het voorgaande niets af. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat in de genoemde gevallen sprake was een verbetering van de ruimtelijke situatie. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen die ongelijk worden behandeld. De beroepsgrond slaagt niet. Finale geschilbeslechting
7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.4 is het beroep gegrond en de beslissing op bezwaar moet daarom worden vernietigd. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank of de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven. Daarbij betrekt de rechtbank de in het verweerschrift van het college opgenomen argumenten. 8. De rechtbank is van oordeel dat het college met de gegeven motivering in het verweerschrift niet alsnog toereikend heeft gemotiveerd waarom het bouwplan in strijd is met het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college stelt in het verweerschrift dat het aangevraagde gebruik aanmerkelijk intensiever is en een fors andere uitstraling naar de (woon)omgeving heeft. Hierbij neemt het college in aanmerking dat het perceel geen rechtstreekse ontsluiting heeft vanaf de openbare weg, maar uitsluitend bereikbaar is via een (gedeeld) pad dat langs bestaande woningen leidt. Dit betekent volgens het college dat alle extra verkeersbewegingen via dat pad en over de volle lengte daarvan moet worden afgewikkeld. Het college heeft echter nagelaten te specificeren hoeveel extra verkeersbewegingen het verwacht door het aangevraagde gebruik en waarom het niet wenselijk is dat dit aantal verkeersbewegingen worden afgewikkeld via dat pad. Ook is niet verder toegelicht waarom het gevraagde gebruik een “fors andere uitstraling naar de (woon)omgeving” heeft. Zo gaat het in dit geval om een bestaand bouwwerk dat alleen inpandig zal worden verbouwd waardoor het bijvoorbeeld niet tot extra schaduwwerking of verstening leidt. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat de beslissing op bezwaar in strijd is met het motiveringsbeginsel. In de beslissing op bezwaar en met de gegeven motivering in het verweerschrift is onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan in strijd is met het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar en ziet geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten. 9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing op bezwaar; draagt het college om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen; veroordeelt het college in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 1.814,- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Als bedoeld in artikel 5.1, aanhef en 1, onder a, van de Omgevingswet. Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd. Uitspraak van de afdeling van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3041, r.o. 6.1.