Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2025:11544

Bodembeschermingsrecht. Overgangsrecht. Artikel 8:6 Awb. Bijlage 2 Awb. Rechtbank in eerste aanleg bevoegd. Overgangsrecht. Omgevingswet. Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Wet bodembescherming. Locatie voormalig tankstation. Oude brandstoftanks nog aanwezig in de ondergrond. Werkzaamheden. Descente. College uitgegaan van onjuiste informatie. Geen overtreding. In stand laten rechtsgevolgen.

Rechtbank Gelderland 2 January 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2025:11544 text/xml public 2026-01-02T09:58:04 2026-01-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-12-19 AWB 24_8143 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11544 text/html public 2026-01-02T09:56:24 2026-01-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11544 Rechtbank Gelderland , 19-12-2025 / AWB 24_8143
Bodembeschermingsrecht. Overgangsrecht. Artikel 8:6 Awb. Bijlage 2 Awb. Rechtbank in eerste aanleg bevoegd. Overgangsrecht. Omgevingswet. Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Wet bodembescherming. Locatie voormalig tankstation. Oude brandstoftanks nog aanwezig in de ondergrond. Werkzaamheden. Descente. College uitgegaan van onjuiste informatie. Geen overtreding. In stand laten rechtsgevolgen.
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/8143
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe, het college

(gemachtigde: mr. A. de Zeeuw).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente West Betuwe, de gemeente.
(gemachtigde: R.W. Peek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van het college om handhavend op te treden tegen de gemeente.
Achtergrond en procesverloop
2. Eiser woont op het adres [locatie] in [plaats]. Tot omstreeks het jaar 1988 was op deze locatie een tankstation gevestigd, bestaande uit een pompeiland, een ondergrondse benzinetank en een ondergrondse dieseltank (de brandstoftanks). Het pompeiland is na die tijd verwijderd. De brandstoftanks zijn tot op heden nog wel aanwezig in de ondergrond. Deze brandstoftanks hebben een omhooggaand vulpunt, in de vorm van een ijzeren buis, dat zich vlak onder het straatniveau bevindt. Tot omstreeks april/mei 2023 was één van deze vulpunten afgedekt met een putdeksel.
2.1.
Nadat de gemeente in april 2023 een melding kreeg dat de putdeksel niet meer op zijn plek en scheef in het wegdek lag en enkele dagen daarna de putdeksel geheel was verdwenen, heeft de gemeente besloten om geen vervangende putdeksel terug te plaatsen. In plaats daarvan hebben medewerkers van de gemeente volgens haar op 1 juni 2023 de putkraag verwijderd en de ruimte tussen het vulpunt en het straatniveau opgevuld met schoon zand, de ontstane ruimte in het straatwerk bestraat met straatklinkers en de locatie van het vulpunt door middel van GPS ingemeten.
2.2.
Op 8 januari 2024 heeft eiser een verzoek tot handhavend optreden ingediend bij het college. In dit verzoek heeft eiser gesteld dat de gemeente op 1 juni 2023 handelingen heeft verricht waarbij het vulpunt inclusief de verbindingen met de onderliggende tanks naar beneden zijn gedrukt en daarmee zijn beschadigd. Dit heeft volgens eiser mogelijk tot een bodemverontreiniging geleid. Hiermee heeft de gemeente volgens eiser onder meer artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) overtreden. Verder heeft eiser in dit verzoek gesteld dat de gemeente, in strijd met artikel 27 van de Wbb, geen melding heeft gemaakt bij gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (gedeputeerde staten), omdat de gemeente met de werkzaamheden vervuilde grond is gaan beroeren.
2.3.
Op 7 mei 2024 heeft het college het verzoek tot handhavend optreden van eiser afgewezen (het primaire besluit). Het college heeft in het primaire besluit besloten dat de gemeente met de werkzaamheden geen wet- en regelgeving heeft overtreden.
2.4.
Op 2 oktober 2024 heeft het college beslist op het bezwaar van eiser (de beslissing op bezwaar). In de beslissing op bezwaar heeft het college het primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.5.
Op 12 november 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.6.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebbend deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college en namens de gemeente de heer K.T.A. Eland en de gemachtigde van de gemeente.
2.8.
De rechtbank heeft het onderzoek op 16 oktober 2025 gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek bij beslissing van 17 oktober 2025 heropend.
2.9.
Op maandag 8 december 2025 heeft de rechtbank een descente gehouden op de locatie waar het vulpunt van de betreffende brandstoftank in de weg is gesitueerd. Met instemming van partijen tijdens de descente heeft de rechtbank het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting te houden.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar, omdat die niet voldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand te laten. Dat betekent dat het college niet handhavend hoeft op te treden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet zijn, op gevallen waarin de veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 van de Wbb voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is veroorzaakt, de artikelen 13, 27, 88 en 95 van de Wbb, zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing.
5.1.
Op 8 januari 2024 heeft eiser een verzoek tot handhavend optreden ingediend bij het college. In dit verzoek heeft eiser gesteld dat de gemeente op 1 juni 2023 handelingen heeft verricht waarbij het vulpunt inclusief de verbindingen met de onderliggende tanks naar beneden zijn gedrukt en daarmee zijn beschadigd. Dit heeft volgens eiser mogelijk tot een bodemverontreiniging geleid en daarmee heeft de gemeente onder meer artikel 13 van de Wbb heeft overtreden. Dat betekent dat op het verzoek op handhaving het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Bevoegdheid rechtbank

6. De rechtbank overweegt dat tot 1 januari 2024 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op grond van artikel 8:6, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals die op dat moment gold, in ieder geval bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van een beroep tegen een besluit op grond van de Wbb. Met de op 1 januari 2024 in werking getreden Aanvullingswet bodem Omgevingswet is de Wbb ingetrokken en de Awb gewijzigd in die zin dat in artikel 2 van bijlage 2 van de Awb het onderdeel ‘Wet bodembescherming’ is vervallen.
6.1.
Uit artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet volgt niet, anders dan bijvoorbeeld uit de artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet die als titel ‘eerbiedigend overgangsrecht’ hebben, dat al het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft op een voor dat tijdstip veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 van de Wbb.
6.2.
Het primaire besluit en de beslissing op bezwaar zijn genomen na 1 januari 2024. Dat betekent onder meer dat de Awb, zoals die geldt na 1 januari 2024, van toepassing is. Omdat de Wbb niet meer in artikel 2 van bijlage 2 van de Awb is opgenomen, is niet de Afdeling maar de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar.

Omvang van het geding

7. Eiser heeft op 9 januari 2024 een verzoek tot handhavend optreden ingediend bij het college. In dit verzoek heeft eiser kortgezegd verzocht om handhavend op te treden jegens de gemeente. Eiser stelt dat medewerkers van de gemeente op 1 juni 2023 een controleput hebben verwijderd inclusief de verbindingen met de onderliggende brandstoftanks. Met deze werkzaamheden heeft de gemeente volgens eiser de zorgplichten als bedoeld in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet en de artikelen 13, 27, 28 en 29 van de Wbb overtreden.
7.1.
In het primaire besluit van 7 mei 2024 heeft het college het verzoek van eiser tot handhavend optreden afgewezen. In zijn beroepschrift heeft eiser onder meer gesteld dat tijdens werkzaamheden op 12 september 2024 een geul is gegraven in de verontreinigde grond door een telecombedrijf. Verder heeft eiser verzocht aan de rechtbank om het college dan wel de gemeente te verplichten om verschillende handelingen uit te voeren en de gemeente aansprakelijk te stellen voor de ontstane schade. In zijn pleitnota voert eiser verder aan dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met de artikelen 13.1 en 13.2 van de Omgevingswet, artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 2 en 3 van de Wet publieke gezondheid en de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb.
7.2.
De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak is van de Afdeling dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer mag worden uitgebreid. Het verzoek om handhaving had, zoals hiervoor is overwogen, geen betrekking op de handelingen die namens het telecombedrijf zijn verricht op 12 september 2024 en in het bijzonder de genoemde bepalingen uit de Wbb en de Omgevingswet. Gelet daarop kon de beslissing op bezwaar geen betrekking hebben op deze handelingen en komt, wat daar ook van zij, geen betekenis toe aan wat eiser daarover in bezwaar en beroep heeft gesteld. Verder kon de beslissing op bezwaar ook geen betrekking hebben op de bepalingen die zijn aangevoerd door eiser in zijn pleitnota. Wat betreft de verzoeken van eiser om de gemeente te verplichten om verschillende handelingen uit te laten voeren en de gemeente aansprakelijk te stellen voor de ontstane schade, merkt de rechtbank op dat eiser dit ook niet heeft opgenomen in zijn handhavingsverzoek. De rechtbank zal daarom alleen beoordelen of het college terecht het verzoek tot handhavend op te treden tegen de handelingen die de medewerkers van de gemeente heeft verricht op 1 juni 2023 heeft kunnen afwijzen.

Heeft het college voldoende en deugdelijk onderzoek verricht?

8. Eiser betoogt dat het college geen deugdelijk onderzoek heeft uitgevoerd voordat het college het handhavingsverzoek heeft afgewezen. Eiser stelt dat het college bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar is uitgegaan van onjuiste informatie. Eiser onderbouwt deze stelling met het argument dat de straatklinkers niet geplaatst hadden kunnen worden zonder dat het vulpunt naar onder gedrukt zou worden. Ter onderbouwing verwijst eiser naar foto’s waarop de putkraag nog aanwezig is en volgens eiser zichtbaar is dat er slechts een afstand van 3 centimeter zit tussen het vulpunt en de bovenkant van de straat. Verder stelt eiser dat het college ten onrechte heeft gesteld dat de gehele putkraag is verwijderd.
8.1.
Het college voert aan dat het college bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar wel is uitgegaan van de juiste informatie. Het college stelt dat de (tweedimensionale) foto’s waarnaar eiser verwijst een vertekend beeld geven van de situatie. Volgens het college is er in de driedimensionale werkelijkheid veel meer ruimte dan eiser stelt. Het vulpunt en de bovenkant van de straat zijn ingemeten met GPS. Uit deze meting blijkt volgens het college dat de afsluiter van het vulpunt is ingemeten op een (diepte)waarde van +0,641 m (de Z-waarde), de bovenkant van het straatwerk is ingemeten op +0,970 m. Het verschil tussen deze waarden bedraagt 0,32 m en dit is dan ook de ruimte die beschikbaar was voor de opvulling met zand en het leggen van straatwerk. Hierdoor was er volgens het college voldoende ruimte om de bestrating dicht te maken met straatklinkers van 8 cm hoog, zonder wijzigingen aan te brengen aan het de onderliggende vulpunt en de brandstoftank.
8.2.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar alle relevante kennis heeft vergaard over de relevante feiten en omstandigheden om te kunnen concluderen dat er geen normen worden overschreden.
8.3.
In de beslissing op bezwaar heeft het college onder meer het volgende opgenomen:

Toelichting

(…)

Wij vinden dit een goed advies en hebben het daarom overgenomen. Voor de motivering van deze beslissing op bezwaar verwijzen wij naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat deel uitmaakt van dit besluit.

(…)

De locatie van het peilpunt is door middel van GPS door het college ingemeten (XYZ-bepaling), zodat deze nog als zodanig kan functioneren. Dit peilpunt is -zoals gebleken op basis van de GPS-gegevens – meer dan 30 centimeter onder de bestrating gelegen.’
8.4.
De rechtbank heeft tijdens de descente vastgesteld dat de bovenkant van het vulpunt is afgesloten met een metalen dop. Deze dop is minder hoog dan de dop die op de foto’s van eiser is te zien. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de bovenkant van de nieuwe dop op het vulpunt op 12 cm diepte is gelegen, gerekend vanaf het straatniveau en dat de straatklinkers 8 cm diep in de straat zijn gelegen. Hiermee is anders dan in de beslissing op bezwaar opgenomen, de ruimte tussen het vulpunt en de bovenkant van de bestrating geen 32 maar 12 cm. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat, anders dan eiser heeft gesteld, de putkraag geheel is verwijderd. De gemachtigde van eiser heeft gelet daarop te kennen gegeven dat eiser geen beslissing meer hoeft op de vraag of het college ten onrechte uit is gegaan van de omstandigheid dat de putrand is verwijderd.
8.5.
De rechtbank oordeelt dat het college bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar niet de nodige kennis heeft vergaard voordat het kon besluiten om het handhavingsverzoek af te wijzen. Het college heeft een onjuiste GPS-meting ten grondslag gelegd aan het besluit. Blijkens deze GPS-meting is het vulpunt op meer dan 30 cm gelegen onder de bestrating terwijl tijdens de descente door de rechtbank is vastgesteld dat dit 12 cm betreft. Dat de afstand van meer dan 30 cm niet juist kon zijn, blijkt ook uit de foto’s die eiser heeft overgelegd bij zijn handhavingsverzoek, omdat daarop is te zien dat het vulpunt hoger ligt dan de onderkant van de putkraag terwijl die putkraag een hoogte van ongeveer 30 cm heeft. Het had op de weg van het college gelegen om naar aanleiding van het handhavingsverzoek en de bijgevoegde foto’s een controle uit te voeren ter plaatse en niet enkel genoegen te nemen met de GPS-meting. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank gaat hierna in op de gevolgen van dit oordeel.

Finale geschilbeslechting

9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8.5 is het beroep gegrond en de beslissing op bezwaar moet daarom worden vernietigd. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven. Daarbij betrekt de rechtbank de tijdens de descente waargenomen feitelijke situatie.

Heeft het college terecht besloten dat geen sprake is van een overtreding?

10. Eiser stelt dat tijdens latere werkzaamheden door het telecombedrijf is gebleken dat het vulpunt in de bodem was gedrukt en tijdens deze werkzaamheden afgegraven grond een afwijkende kleur en een oliegeur had.
10.1.
Het college voert hierover aan dat de uitgevoerde werkzaamheden op 1 juni 2023 niet gekwalificeerd kunnen worden als handelingen die tot een (nieuwe) verontreiniging of aantasting van de bodem hebben geleid of de bestaande verontreiniging kan hebben beïnvloed. Het college stelt dat tijdens de werkzaamheden namelijk niet gegraven is. Tijdens de werkzaamheden is namelijk alleen de putruimte opgevuld met schoon zand waarna op het schone zand de bestrating is aangebracht.
10.2.
Artikel 27, eerste lid, van de Wet bodembescherming luidt: Degene die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en daarbij kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem die door die handelingen wordt veroorzaakt, maakt zo spoedig mogelijk melding van de verontreiniging of de aantasting bij gedeputeerde staten van de provincie waar zij plaatsvindt, en geeft daarbij aan welke van de in artikel 13 bedoelde maatregelen hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen.
10.3.
Artikel 8, eerste lid, van de Wbb luidt: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het uitvoeren of gebruik maken van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt, die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten.
10.4.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat sprake is van een verontreinigde bodem ter plekke en dat de putdeksel is verwijderd. Verder staat ook niet ter discussie dat ruimte tussen de straat en het vulpunt is opgevuld met (schoon) zand en het ontstane gat in het wegdek is bestraat met klinkers. Wel staat tussen partijen ter discussie of tijdens deze werkzaamheden schade is toegebracht aan het vulpunt en of de gemeente in strijd heeft gehandeld met artikel 27 van de Wbb door de werkzaamheden niet te melden bij gedeputeerde staten.
10.5.
De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen besluiten dat de gemeente niet in strijd heeft gehandeld met artikel 27 van de Wbb. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de verrichte werkzaamheden op 1 juni 2023 de bodem is verontreinigd dan wel aangetast. Met de verrichte werkzaamheden is enkel de putruimte om het vulpunt opgevuld met schoon zand en het gat in het wegdek bestraat met straatklinkers. Dat daarbij het vulpunt naar beneden is gedrukt en beschadigd, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft tijdens de descente vastgesteld dat het vulpunt niet beschadigd is en ook geen zichtbare verschijnselen vertoonde dat dit vulpunt onder (hevige) druk verder in de bodem is gedrukt. Tijdens de descente is met een rolmaat de diepte van het vulpunt en de tank gemeten. Daarbij zijn geen belemmeringen (zoals kniks in de vulbuis) geconstateerd. Ook is niet gebleken van verzakkingen als gevolg van schade aan het vulpunt of de tank, terwijl verzakkingen wel voor de hand liggen als er beschadigingen aan de tank of de vulbuis zijn opgetreden. Gelet hierop is het niet aannemelijk sprake is geweest van enige beroering van de diepere ondergrond. Dat tijdens latere werkzaamheden grond uit de bodem is opgegraven die vreemd gekleurd was en een sterke oliegeur had, ook als dat juist zou zijn, betekent niet dat die verontreiniging is veroorzaakt door de verrichte werkzaamheden op 1 juni 2023. Zo blijkt uit de onderzoeken die de Provincie Gelderland in het verleden heeft verricht dat de bodem ter plekke al reeds was verontreinigd. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de verrichte werkzaamheden geschaard kan worden onder de categorie handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wbb. De beroepsgrond slaagt niet.
10.6
De rechtbank is concluderend van oordeel dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven omdat tijdens de descente alsnog is gebleken dat de conclusie van de beslissing op bezwaar (namelijk dat er geen overtreding heeft plaatsgevonden) juist is.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat de beslissing op bezwaar in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtsbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand. Dit betekent dat het college niet handhavend hoeft op te treden tegen de gemeente.

Griffierecht en proceskosten

11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

12. Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van zijn proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van het het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt dat een kostenvergoeding betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Blijkens de nota van toelichting bij het Bpb wordt daarmee bedoeld een persoon van wie het verlenen van rechtsbijstand tot zijn beroepsmatige taak behoort. Ook moet het verlenen van rechtsbijstand, blijkens de nota van toelichting, een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening.
13.1
In dit geval is het beroepschrift ingediend door een professionele rechtsbijstandverlener. Op de zitting en tijdens de descente is eiser vertegenwoordigd door zijn vader als gemachtigde. Gesteld noch gebleken is dat de vader van eiser aan de voorwaarden voor toepassing van het Bpb voldoet. Gelet hierop is er wel aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding voor het indienen van het beroepschrift, maar niet voor het bijwonen van de zitting en de descente. Dat betekent dat eiser recht heeft op een bedrag van € 907,- aan proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 907,-.

- dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit is de rand in het straatwerk waar de putdeksel op rust.

Zie Kamerstukken II 2017/18, 34864, nr. 3, p. 81-82.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:712.

Zie artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2606, r.o. 3.1.

Artikel delen