ECLI:NL:RBGEL:2026:1095text/xmlpublic2026-02-20T17:00:062026-02-13Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-02-1724/9241UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1095text/htmlpublic2026-02-17T11:50:082026-02-20Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:1095 Rechtbank Gelderland , 17-02-2026 / 24/9241 Beroep. Omgevingsvergunning. Belanghebbende. Terecht bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond.
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/9241 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen de Stichting Dorpsraad Hurwenen, gevestigd te Hurwenen, eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel (gemachtigde: D.H.M. de Rouw). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Voetbalvereniging HRC '14, gevestigd te Hurwenen, vergunninghouder. Procesverloop 1. Het college heeft bij besluit van 2 juli 2024 een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor de bouw van een sportaccommodatie aan de [locatie] in [plaats 1] (het perceel). 1.1. Bij beslissing op bezwaar van 13 november 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de omgevingsvergunning niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 1.3. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] en [persoon B] namens eiseres en de gemachtigde van het college. Overwegingen Achtergrond van het geschil
2. Eiseres maakt voor haar activiteiten gebruik van het dorpshuis ‘[naam dorpshuis]’ in [plaats 2]. Volgens een in 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst tussen onder meer de gemeente Maasdriel, de vergunninghouder en eiseres is het de bedoeling dat de nu in [plaats 1] vergunde sportaccommodatie ook een dorpshuisfunctie krijgt en als zodanig zal gaan worden gebruikt door eiseres en diverse andere verenigingen en stichtingen. Destijds was het ontwerp van de accommodatie echter voorzien van een verdieping die gebruik als dorpshuis mogelijk maakte. In het nu vergunde bouwplan is die verdieping niet meer aanwezig. Eiseres vreest dat gebruik van de accommodatie als dorpshuis daardoor niet langer mogelijk is. Dat de accommodatie ook mag worden gebruikt voor nevengebruik voor maatschappelijke voorzieningen, volgt uit het bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan]”. Het beroep van eiseres
3. Eiseres betoogt dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens haar heeft het college niet onderkend dat de omgevingsvergunning mogelijk maakt dat het huidige dorpshuis van [plaats 2] naar [plaats 1] wordt verplaatst. Dat gaat ten koste van de leefbaarheid van [plaats 2] en is ook in strijd met het gemeentelijke beleid waarin staat dat er per kern één dorpshuis is. Daarbij komt dat het gezamenlijk gebruik van de accommodatie door de vergunninghouder, eiseres en de andere stichtingen en verenigingen praktisch niet mogelijk is. Eiseres wijst verder op de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 november 2022 over de vaststelling van het bestemmingsplan dat de bouw van de sportaccommodatie mogelijk maakt. Daarin is volgens haar overwogen dat op het perceel alleen maatschappelijke voorzieningen als nevenfunctie van de sportvereniging zijn toegestaan. Gebruik van de accommodatie als dorpshuis voldoet niet aan die voorwaarde, aldus eiseres. Het kader 3.1. Uit artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een belanghebbende tegen een besluit bezwaar kan maken en vervolgens tegen het besluit op bezwaar beroep kan instellen bij de bestuursrechter. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Als er een te ver verwijderd verband is tussen een belang en het bestreden besluit, is dat belang niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit.
In het derde lid van artikel 1:2 van de Awb is opgenomen dat ten aanzien van rechtspersonen mede als hun belangen worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Volgens artikel 2 van de statuten van eiseres heeft zij als doel:
“a. het bevorderen van de leefbaarheid in het dorp [plaats 2] en het bevorderen van het welzijn van haar inwoners.
b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.” Het standpunt van het college 3.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen belanghebbende is. Volgens hem staat de verplaatsing van het dorpshuis van [plaats 1] naar [plaats 2] los van de omgevingsvergunning die in deze zaak voorligt. Het college heeft hierover in het verweerschrift in bezwaar toegelicht dat het perceel volgens het omgevingsplan de bestemmingen “Sport” en “Waarde-Archeologie 5” heeft en dat gronden met de bestemming Sport zijn aangewezen voor sportvoorziening en voor maatschappelijke voorzieningen als nevenfunctie bij de voetbalvereniging. Gelet op de definitie van maatschappelijke voorziening in het omgevingsplan past een dorpshuisfunctie als nevenfunctie binnen deze bestemming. Om die reden en omdat de welstandscommissie een positief advies heeft gegeven, moest het college de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. Het college wijst er verder op dat het gemeentelijke beleid aangaande het aantal dorpshuizen per kern geen onderdeel uitmaakt van het toetsingskader voor de nu verleende omgevingsvergunning. Het oordeel van de rechtbank 3.4. De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres wordt door de vergunning niet rechtstreeks geraakt in haar eigen of haar statutaire belangen zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. Het eigen belang van de stichting is dat zij dat wil kunnen vergaderen in een daarvoor geschikte ruimte terwijl zo’n ruimte in de nu vergunde accommodatie ontbreekt. Haar statutaire belang is dat zij zich richt op de leefbaarheid van [plaats 2]. Die belangen worden door de omgevingsvergunning niet rechtstreeks geraakt. Daarbij is van belang dat de accommodatie niet is voorzien in [plaats 2], maar in [plaats 1]. Dat de bouw van de accommodatie het mogelijk maakt om het huidige dorpshuis van [plaats 2] te verplaatsen naar [plaats 1], geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals hiervoor onder 2 is aangegeven volgt uit het omgevingsplan al dat de accommodatie ook mag worden gebruikt voor nevengebruik voor maatschappelijke voorzieningen. Gelet hierop heeft het college terecht besloten dat eiseres geen belanghebbende is bij het besluit van 2 juli 2024. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent ook dat er geen recht is op een vergoeding van de proceskosten van eiseres of vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. ECLI:NL:RVS:2022:3304. ECLI:NL:RVS:2025:1034. Op grond van artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel en artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.