Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:1132

Omgevingsvergunning voor tijdelijke bewoning beheerderswoning van chaletpark zonder beheerderstaken past binnen beleid van de gemeente. Eigenaar van een chaletwoning op relatief korte afstand is geen belanghebbende omdat niet is gebleken dat hij enige gevolgen van betekenis ondervindt van het toegestane gebruik. Beroep van het chaletpark is ongegrond.

Rechtbank Gelderland 20 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:1132 text/xml public 2026-02-20T17:00:06 2026-02-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-17 ARN 24_9394 en 24_9407 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1132 text/html public 2026-02-17T12:56:28 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:1132 Rechtbank Gelderland , 17-02-2026 / ARN 24_9394 en 24_9407
Omgevingsvergunning voor tijdelijke bewoning beheerderswoning van chaletpark zonder beheerderstaken past binnen beleid van de gemeente. Eigenaar van een chaletwoning op relatief korte afstand is geen belanghebbende omdat niet is gebleken dat hij enige gevolgen van betekenis ondervindt van het toegestane gebruik. Beroep van het chaletpark is ongegrond.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 24/9394 en ARN 24/9407
<?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
<?linebreak?> [eiser], uit [plaats], eiser (zaaknummer ARN 24/9394)
Coöperatie “Chaletpark de Konijnenburg U.A.”, gevestigd in Putten, eiseres (zaaknummer ARN 24/9407)

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten
(gemachtigde: mr. H. Vooren).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij], vergunninghouder (gemachtigde: mr. H. den Besten).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan de vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van de bedrijfswoning op het chaletpark ‘De Konijnenburg’ aan de [locatie] in Putten voor tijdelijke bewoning zonder het uitvoeren van beheerderstaken. Eiser en eiseres zijn het niet eens met de verleende vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk en het beroep van eiseres ongegrond is. Dat betekent dat het beroep van eiser niet inhoudelijk is beoordeeld en dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de verleende vergunning in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.

Is eiser belanghebbende bij het bestreden besluit?

Is eiseres belanghebbende bij het bestreden besluit?

Had het college de duur van de vergunning moeten beperken tot tien jaar?

Kan de bedrijfswoning weer zijn oude functie terugkrijgen?

Beperkt het gebruik voor reguliere bewoning de functie van het chaletpark?

Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank met de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 5 juni 2024 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk bewonen van de bedrijfswoning op het chaletpark ‘De Konijnenburg’ zonder het uitvoeren van beheerderstaken. De vergunning is verleend in afwijking van het omgevingsplan. Vergunninghouder heeft de bedrijfswoning in 2013 gekocht en verblijft er sindsdien. Zij voert geen beheerderstaken voor het chaletpark uit. Uit de voorwaarden van de vergunning blijkt dat de toestemming om de woning te gebruiken zonder beheerderstaken uit te voeren geldt voor degenen die vóór 1 mei 2019 stonden ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Putten. Bij verhuizing of overlijden vervalt de toestemming voor bewoning door personen die geen beheerderstaken uitvoeren.
2.1.
Met het bestreden besluit van 18 november 2024 (het bestreden besluit) op de bezwaren van eiser en eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser en eiseres hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft eiser en eiseres verzocht hun rechtstreekse belang bij hun zaak nader toe te lichten.
2.4.
Eiser en eiseres hebben respectievelijk op 16 juli 2025 en op 23 juni 2025 een nadere toelichting op hun rechtstreekse belang ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [persoon A] namens eiseres, de gemachtigde van het college, en [persoon B] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
2.6.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken gesloten.
2.7.
In de zaak met zaaknummer ARN 24/9407 heeft de rechtbank bij beslissing van 14 oktober 2025 de zaak heropend en eiseres de gelegenheid gegeven een schriftelijke verklaring in te dienen waaruit blijkt dat de secretaris en de penningmeester van het bestuur van eiseres de voorzitter machtigen om namens eiseres beroep in te stellen. Na het indienen van de verklaring heeft vergunninghouder een schriftelijke reactie ingediend.
2.8.
Omdat eiseres verzocht om een tweede zitting, heeft de rechtbank de zaak van eiseres opnieuw op zitting behandeld op 5 februari 2026. Daarbij zijn verschenen: [persoon A] namens eiseres, de gemachtigde van het college en [persoon B] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak met zaaknummer ARN 24/9407 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Belanghebbende
3. Voorafgaand aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ook beoordeelt de rechtbank of aan het beroep van eiseres een juiste machtiging ten grondslag ligt.

Is eiser belanghebbende bij het bestreden besluit?

4. Alleen een belanghebbende kan bezwaar maken dan wel beroep instellen tegen een besluit. Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Die persoon onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen (zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie) tot het besluit. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. De rechtbank beoordeelt de belanghebbendheid op het moment van indiening van het beroepschrift.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belanghebbende is bij het bestreden besluit omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. Eiser is eigenaar van een recreatiewoning op korte afstand van de bedrijfswoning en zou zelf ook wel een vergunning willen om permanent op het park te wonen. Het chalet van eiser ligt op ongeveer 30 m van het perceel met daarop de bedrijfswoning. Gelet op die korte afstand is het op zichzelf niet uit te sluiten dat eiser enige feitelijke gevolgen kan ondervinden van de bewoning van de bedrijfswoning door vergunninghouder. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat deze gevolgen van enige betekenis zullen zijn. Daarbij is van belang dat in dit geval in het omgevingsplan al is toegestaan dat er een bedrijfswoning binnen de functie ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie 4’ bestaat, zodat er op grond van het omgevingsplan al permanent gewoond mag worden in de bedrijfswoning. Weliswaar moet het daarbij gaat om een persoon van wie – kort gezegd – de huisvesting daar noodzakelijk moet worden geacht, maar het is niet aannemelijk dat eiser in dat geval minder of andere feitelijke gevolgen ondervindt van de bewoning van de bedrijfswoning dan in de nu vergunde situatie. De ruimtelijke effecten die optreden door de permanente bewoning van de bedrijfswoning zullen niet veranderen, zodat het bestreden besluit voor eiser geen gevolgen heeft die niet al konden optreden zonder dat de vergunning was verleend. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk. Als gevolg daarvan komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke beroepsgronden van eiser.

Lig aan het beroep van eiseres een juiste machtiging ten grondslag?

5. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of een beroep dat is ingesteld namens een rechtspersoon is ingesteld door iemand die daartoe gemachtigd is. In dit geval heeft vergunninghouder betoogd dat uit de statuten van eiseres blijkt dat zij in rechte enkel vertegenwoordigd kan worden door het gehele bestuur. De procedure is echter gevoerd door alleen de voorzitter. De voorzitter is daartoe niet bevoegd en eiseres is daarom volgens vergunninghouder niet-ontvankelijk in haar beroep. Voor zover eiseres na de zitting alsnog een machtiging heeft overgelegd voert vergunninghouder aan dat de statuten voorschrijven dat voorafgaand aan de machtiging een schriftelijk besluit van alle bestuurders dan wel een meerderheidsbeslissing van de leden genomen moet worden, en dat is niet het geval.
5.1.
De eis van ondertekening van het beroepschrift brengt met zich dat het beroepschrift alle handtekeningen van bestuurders moet dragen die volgens de wet en de statuten zijn vereist voor vertegenwoordiging van de rechtspersoon in en buiten rechte.
5.2.
De externe vertegenwoordiging van een coöperatie is geregeld in artikel 2:45 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 2:53a van het BW en in de statuten van de desbetreffende coöperatie. Artikel 2:45 van het BW bepaalt dat het bestuur de coöperatie vertegenwoordigt, en dat de statuten de bevoegdheid tot vertegenwoordiging kunnen toekennen aan een of meer bestuurders. Uit de overgelegde statuten van de coöperatie blijkt niet dat de vertegenwoordiging in rechte is toegewezen aan een of meer bestuurders. Artikel 12 lid 1 van de statuten bepaalt dat het bestuur bevoegd is tot vertegenwoordiging van de coöperatie. Dat betekent dat enkel het voltallige bestuur namens de coöperatie kan procederen.
5.3.
De rechtbank controleert of aan dit vereiste voor ontvankelijkheid is voldaan. Zij neemt daarbij de gegevens van het handelsregister van de Kamer van Koophandel als uitgangspunt. Het bestuur van eiseres bestaat uit een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. In dit geval heeft enkel de voorzitter het beroepschrift ondertekend, en ontbreken de handtekeningen van de twee andere bestuursleden. Dat is een gebrek. Als er niet juist is ondertekend, geeft de rechtbank gelegenheid het gebrek te herstellen. Na heropening van de zaak heeft eiseres een machtiging van 9 juli 2024 overgelegd waaruit blijkt dat de secretaris en de penningmeester de voorzitter machtigen het bestuur te vertegenwoordigen in een bezwaar- en/of beroepsprocedure over de omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning. De machtiging is gedateerd op 9 juli 2024 en vermeldt het zaaknummer van de zaak van eiseres bij de rechtbank.
5.4.
Het college en de vergunninghouder hebben er terecht op gewezen dat op 9 juli 2024 nog niet bekend was wat het zaaknummer van de rechtbank was, omdat op die datum nog geen beroep liep. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de machtiging niet op 9 juli 2024 kan zijn getekend. Daaruit volgt evenwel niet dat de machtiging ongeldig of onbruikbaar is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht niet verplicht dat op een machtiging een datum staat. Van belang is dat uit de machtiging blijkt dat toestemming wordt gegeven aan de persoon die de machtiging gebruikt om namens de volmachtgever in rechte op te treden. De rechtbank stelt vast dat uit het overgelegde uittreksel van handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de secretaris en de penningmeester die de machtiging hebben ondertekend samen met de voorzitter het bestuur van eiseres vormen. De machtiging is verder opgesteld op briefpapier van eiseres en is voorzien van natte handtekeningen van de secretaris en de penningmeester. Daarmee is het aanvankelijk geconstateerde gebrek hersteld. Of de machtiging op de juiste wijze tot stand is gekomen hoeft de rechtbank niet te onderzoeken omdat de onderzoeksplicht van de rechtbank zich niet uitstrekt tot de vraag of aan de machtiging een rechtsgeldig intern besluit (wilsvorming) van het bevoegde orgaan van de rechtspersoon ten grondslag ligt. De rechtbank oordeelt verder dat eiseres een belang heeft bij deze zaak omdat zij volgens de statuten verantwoordelijk is voor het beheer van de gemeenschappelijke voorzieningen van het chaletpark. Het al dan niet gebruiken van de bedrijfswoning voor beheerderstaken heeft invloed op de wijze van uitvoeren van de beheerderstaken door eiseres. Het beroep van eiseres is daarom ontvankelijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke beoordeling
6. Nu het beroep van eiseres ontvankelijk is, beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Had college duur van de vergunning moeten beperken tot tien jaar?

7. Eiseres betoogt dat de duur van de vergunning maximaal tien jaar mag bedragen. Met de verleende vergunning kan vergunninghouder tot aan haar overlijden dan wel verhuizing in de woning blijven wonen. Het Beleidsplan Recreatie staat echter een maximale periode van tien jaar toe voor het bewonen van een bedrijfswoning door niet-beheerders. Dat blijkt ook uit een latere notitie en een brief die is gestuurd.
7.1.
In september 2019 heeft de gemeenteraad het Beleidskader recreatie, ruimtelijke instrumenten voor vakantieparken, vastgesteld. Uit artikel 2.4 volgt dat de vóór 1 mei 2019 ingeschreven bewoners in beheerderswoningen van vakantieparken een persoonsgebonden woonverklaring ontvangen waardoor na verhuizing of overlijden de beheerderswoning weer beschikbaar is voor het vakantiepark. In dit beleidskader is geen maximale termijn van tien jaar opgenomen. Het college is op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden om te handelen in overeenstemming met dit beleid. Weliswaar is er op 15 maart 2021 een ambtelijke notitie opgesteld die meerdere opties geeft voor de bewoning van bedrijfswoningen binnen een recreatieve bestemming, maar deze ambtelijke notitie heeft geen officiële status en werkt in zoverre niet beperkend ten opzichte van het beleidskader. Daarnaast is er op 11 juni 2021 een voorstel aan het college gedaan waarin als beslispunten staat dat bewoners van bedrijfswoningen op vakantieparken een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar kunnen krijgen. Of het college het voorstel heeft aangenomen is onduidelijk, maar hoe dan ook is een beperking tot tien jaar niet neergelegd in beleid. Nu het Beleidskader recreatie van september 2019 de geldende beleidsregels bevat en in dat beleidskader geen beperking van tien jaar is opgenomen, is er geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte voor een langere duur dan tien jaar heeft kunnen verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.

Kan de bedrijfswoning weer zijn oude functie terugkrijgen?

8. Eiseres betoogt dat het besluit niet zorgvuldig is genomen omdat herstel van de oorspronkelijke functie niet mogelijk is, terwijl dat wel het uitgangspunt is van het Beleidsplan Recreatie. Het college gaat voorbij aan het feit dat de bedrijfswoning niet in eigendom is van eiseres en dat zij er ook geen belang bij heeft om de bedrijfswoning aan te kopen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is herstel van de oorspronkelijke functie als beheerderswoning van het vakantiepark mogelijk, omdat de verleende omgevingsvergunning tijdelijk van aard en persoonsgebonden is. Na verhuizing of overlijden van degenen die vóór 1 mei 2019 in de woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente, herleeft de oorspronkelijke beheerdersfunctie van de woning. De beroepsgrond slaagt niet.

Beperkt het gebruik voor reguliere bewoning de functie van het chaletpark?

9. Eiseres betoogt dat zij geen conflicterende belangen wil tussen recreatief gebruik en reguliere bewoning. Zij vreest dat er door conflicterende belangen tussen de bewoners van de beheerderswoning en toeristen op het park over en weer klachten komen over “woongenot”. Ook stelt zij vast dat er sinds het gebruik voor reguliere bewoning sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Eiseres heeft er verder op gewezen dat bij de levering van de beheerderswoning aan de vergunninghouder in 2014 civielrechtelijk is afgesproken dat het eiseres niet is toegestaan een nieuwe (tweede) beheerderswoning aan te vragen, op straffe van een boete ten behoeve van de eigenaar van de huidige beheerderswoning. Het college heeft daar volgens hem ten onrechte geen rekening mee gehouden.
9.1.
Eiseres heeft haar vrees voor klachten over het woongenot niet verder geconcretiseerd. Gelet hierop en omdat permanente bewoning van de bedrijfswoning ook zonder de omgevingsvergunning al is toegestaan aan iemand die beheerderstaken uitvoert, is niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van deze vergunning zal leiden tot onevenredige ruimtelijke gevolgen voor eiseres. Om dezelfde reden vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat het aantal verkeersbewegingen onevenredig zal toenemen. De verwijzing van eiseres naar de civielrechtelijke afspraken die bij de levering van de beheerderswoning aan vergunninghouder zijn gemaakt voor het geval een tweede beheerderswoning wordt aangevraagd, geeft geen aanleiding voor een andere uitkomst. Het college moet in zijn besluitvorming beoordelen of de gevraagde vergunning kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Omgevingswet kan het daarbij alleen gaan over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Hieruit volgt dat de civielrechtelijke gevolgen van de verlening van een omgevingsvergunning niet door het college in zijn besluitvorming kunnen worden betrokken. Dat is alleen anders als sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van de vergunning in de weg staat. Eiseres heeft niet uitdrukkelijk gesteld dat de verlening van de vergunning leidt tot een evidente privaatrechtelijke belemmering. De door haar overgelegde leveringsaktes en hetgeen zij naar voren heeft gebracht, geven ook geen aanleiding om te oordelen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Dat eiseres onder bepaalde omstandigheden verplicht is om een boete te betalen, is niet voldoende om een dergelijke evidente privaatrechtelijke belemmering aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
In de zaak met zaaknummer ARN 24/9394

10. Het beroep van eiser is gegrond. Dat betekent echter niet dat eiser gelijk krijgt. Het college heeft zijn bezwaar ongegrond verklaard, maar had het niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard. Omdat er maar een mogelijke beslissing is op het bezwaar, voorziet de rechtbank zelf in de zaak. De rechtbank verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Omdat het beroep van eiser gegrond is, krijgt hij het griffierecht terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

In de zaak met zaaknummer ARN 24/9407

11. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

in de zaak met zaaknummer ARN 24/9394:

verklaart het beroep van eiser gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 18 november 2024 voor zover het bezwaar van eiser daarin ongegrond is verklaard;

verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;

in de zaak met zaaknummer ARN 24/9407:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 5.21 lid 2 aanhef en onder b van de Omgevingswet en artikel 8.0a lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (buitenplanse omgevingsplanactiviteit).

Artikel 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 1:2 eerste lid van de Awb.

Zie bijvoorbeeld ABRvS van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284 onder 5.1.

Op grond van artikel 12 van de planregels en de bijlage Lijst recreatieterreinen van bestemmingsplan ‘Krachtighuizen 2013’ dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan van de gemeente Putten.

Dat volgt uit artikel 1.9 van de planregels.

Artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb.

Artikel 6:6 van de Awb.

Zie bijvoorbeeld ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7611, ro. 2.2.

Artikel delen