Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:209

Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen.

Rechtbank Gelderland 16 January 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:209 text/xml public 2026-01-16T17:00:05 2026-01-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-01-13 ARN 25/482 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:209 text/html public 2026-01-13T11:18:06 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:209 Rechtbank Gelderland , 13-01-2026 / ARN 25/482
Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/482
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Milieuwerkgroepen Ede, uit Bennekom,
Stichting Mooi Binnenveld, de Koninklijke Nederlandse Natuurvereniging Wageningen e.o. en de Vereniging Mooi Wageningen, eisers

(gemachtigde: mr. J.G. Hubbeling)

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede
(gemachtigde: M. Peters, T. Lucassen)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 1],
(gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt op het adres [adres] ongenummerd te [plaats 2]. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 21 augustus 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt op het adres [adres] ongenummerd te [plaats 2]. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Met het besluit van 19 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, en de gemachtigde van de derde-partij.
Totstandkoming van het besluit
3. Op 22 april 2024 heeft de derde partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt op het perceel kadastraal bekend als gemeente Bennekom, sectie [sectie], nummer [nummer 1]. Op grond van het ter plaatse geldende omgevingsplan, onder andere bestaande uit bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied Ede 2012’ heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch’.
3.1.
Op 21 augustus 2024 is de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt verleend.
3.2.
Op 24 september 2024 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst De Vallei vastgesteld dat de derde partij eerder is gestart met het uitvoeren van de activiteiten dan aangegeven in het bestreden besluit. De aanleg van de drainage was reeds uitgevoerd en de aanleg van de verharding was deels uitgevoerd. Bij uitspraak van 13 november 2024 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers afgewezen omdat de derde partij bij brief van 8 oktober 2024 schriftelijk heeft verklaard dat hij, in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift, geen gebruik zal maken van de vergunning en geen verdere werkzaamheden zal verrichten aan de drainage of verhard oppervlak zal aanbrengen.
3.3.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 augustus 2024. Met het besluit van 19 december 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten met een aanvullende motivering. Deze aanvulling betreft de kadastrale gegevens en de motivering van het besluit. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijke kader

4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied Ede 2012’ van kracht en heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Ede.
4.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
4.2.
In artikel 3.7.1. en 3.7.2. van de planregels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan staat:
3.7.1
Omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/ of diepploegen van gronden;

b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofilering van waterlopen, sloten en greppels;

c. het verwijderen van natuur- en landschapselementen;

d. het verwijderen van zandwegen;

e. het aanleggen en/of verharden van paden en wegen, parkeerplaatsen en/of andere oppervlakteverharding;

f. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering.
3.7.2
Toelaatbaarheid

De in lid 3.7.1. genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:

a. de werken en/of werkzaamheden noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik/ beheer;

b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.

Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten

5. Eisers stellen dat het college onvoldoende integraal en zorgvuldig de effecten op natuur, milieu en leefomgeving heeft beoordeeld. Er is niet nagevraagd of er een omgevingsvergunning voor Natura 2000- of flora- en fauna-activiteiten was aangevraagd bij de gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (hierna: gedeputeerde staten) terwijl dat wel relevant was. Gedeputeerde staten hebben geen omgevingsvergunningen verstrekt voor Natura 2000- of flora- en fauna-activiteiten, noch heeft het bedrijf deze vergunningen aangevraagd. Het plan om grasland om te zetten naar bomenteelt schaadt het leefgebied van beschermde soorten (zoals ransuil en wulp) en kan negatieve milieueffecten veroorzaken. Door dit gebrek aan beoordeling en afstemming is het besluit in strijd met de integrale doelstelling van de Omgevingswet.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd. De onlosmakelijkheid zoals die gold onder de Wabo, is onder de Omgevingswet komen te vervallen. De derde-partij heeft geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit en een flora- en fauna-activiteit aangevraagd bij gedeputeerde staten.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend indien de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de vergunning. Het college hoeft daarom uitsluitend te toetsen aan de regels voor de aangevraagde activiteit (de verharding en drainage) die in het omgevingsplan zijn gesteld.

Wordt aan de voorwaarden in de planregels voldaan?

6. Eisers stellen dat de aanvraag betrekking heeft op agrarisch gebruik binnen een gebied met planregels die het behoud en herstel van agrarische waarden vereisen. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn en geen onevenredige schade toebrengen. Bovendien past het omvormen naar een boomkwekerij niet goed bij het open landschap en de functie van het gebied als waterbergingsgebied, zoals beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan. De verplichte landschappelijke inpassing is onlogisch en belemmert het open karakter van het Binnenveld.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat de aangevraagde omgevingsplanactiviteit uitsluitend ziet op het aanleggen van verhard oppervlak en drainage. Het aanleggen van een boomkwekerij ligt niet ter beoordeling voor en bomenteelt is bovendien op grond van de planregels toegestaan onder de agrarische bestemming. Verder stelt de rechtbank vast dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor de aangevraagde activiteit aan de planregels is voldaan. Het college dient het beoordelingskader uit artikel 3.7.2, aanhef en onder a en b, van de planregels toe te passen. De aangevraagde activiteit, te weten drainage en verharding, is slechts toegestaan indien zij noodzakelijk zijn voor doelmatig gebruik en geen onevenredige schade toebrengen aan de agrarische waarden. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor het doelmatige gebruik van het perceel: de verharding biedt een betere toegang tot het perceel en de drainage is nodig om de productiviteit van de grond te verhogen, hetgeen de bomenteelt ten goede komt. Daarnaast heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de landschapsadviseur, geoordeeld dat er geen onevenredige afbreuk van de landschapswaarden plaatsvindt. Ter zitting heeft het college nog toegelicht dat de voorgeschreven landschappelijke inpassing, die in de omgevingsvergunning is opgenomen, zorgt voor een overgang van een open naar een meer gesloten landschap.

Is het besluit onzorgvuldig genomen?

7. Eisers stellen dat het besluit onzorgvuldig is genomen vanwege fouten in de tekst van de omgevingsvergunning. Hierdoor is een verschil ontstaan tussen de tekst en de bijgevoegde kaarten, wat leidt tot onduidelijkheid over de exacte percelen waarvoor de vergunning is verleend. Dit maakt het besluit niet transparant en onvoldoende begrijpelijk voor derden, wat heeft geleid tot overtredingen. Dit is volgens eisers niet enkel een semantische discussie; zo heeft de derde-partij inmiddels in strijd met de vergunning op het niet vergunde deel van perceel [nummer 1] drainage aangelegd. De omgevingsvergunning is niet duidelijk en dit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de beslissing op bezwaar aanpassingen zijn aangebracht, waardoor de omgevingsvergunning inmiddels voldoende duidelijk is. Zoals het college heeft toegelicht, betrof de aanvraag voor de omgevingsvergunning aanvankelijk twee percelen, maar is deze na een landschapsadvies aangepast tot één perceel, waarbij uitsluitend op het gedeelte met de bestemming ‘Agrarisch’ verharding en drainage zijn toegestaan. Verharding en drainage op andere delen, zoals het noordelijke deel van perceel [nummer 1] en perceel [nummer 2], zijn niet toegestaan. Deze aanpassingen zijn verwerkt in de vergunningstekening en de beslissing op bezwaar, die in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. Hieruit blijkt duidelijk dat de vergunning uitsluitend ziet op het deel van perceel [nummer 1] met de enkelbestemming ‘Agrarisch’.

Habitatrichtlijn

8. Eisers stellen dat het college op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn zelf verplicht is een passende beoordeling te maken van de mogelijke significante effecten van het project op het Natura 2000-gebied Binnenveld. Dit zou volgen uit het Kokkelvisserij-arrest. Het college kan dit niet afschuiven op de provincie of alleen vertrouwen op de initiatiefnemer, die geen omgevingsvergunningen voor Natura 2000- of flora- en fauna-activiteiten heeft aangevraagd. Hierdoor ontbreekt een noodzakelijke toetsing en passende beoordeling, wat in strijd is met het Unierecht en de Habitatrichtlijn. Het college heeft deze plicht genegeerd, ondanks dat de Afdeling in haar uitspraak van 2 april 2025 heeft bepaald dat er bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen meer onderzoek nodig is omdat niet uitgesloten kan worden dat deze middelen negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden.
8.1.
De rechtbank is, anders dan eisers, van oordeel dat het college niet zelf verplicht is een passende beoordeling te maken van de mogelijke effecten van de activiteit op het Natura 2000-gebied. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het Kokkelvisserij-arrest waarop eisers zich beroepen. De bevoegdheid om te beoordelen of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of flora- en fauna-activiteit is vereist, ligt bij gedeputeerde staten. Dat onder de Omgevingswet voor verschillende activiteiten afzonderlijk een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd, betekent niet dat sprake is van strijd met de Habitatrichtlijn. De noodzakelijke toetsing en passende beoordeling blijven namelijk vereist voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het beschikken over de vereiste vergunningen voor alle activiteiten die hij verricht. Indien dit niet het geval is, kan hiertegen handhavend worden opgetreden. In deze zaak ligt uitsluitend de omgevingsvergunning voor het aanleggen van verhard oppervlak en drainage ten behoeve van bomenteelt voor. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen valt hier niet onder. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de bomenteelt sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

Vergoeding proceskosten

9. De derde partij heeft ter zitting verzocht eisers te veroordelen in de proceskosten van deze procedure. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter heeft moeten maken. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om eisers te veroordelen in de proceskosten en wijst het verzoek af.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.7.2, aanhef en onder a en b, van de planregels.

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.7.2, aanhef en onder a en b, van de planregels.

ECLI:NL:RBGEL:2024:7875.

Artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet

Zie artikel 5.7 van de Omgevingswet, waaruit volgt dat een omgevingsvergunning voor verschillende activiteiten zowel los als gelijktijdig kan worden aangevraagd.

ECLI:EU:C:2004:482.

ECLI:NL:RVS:2025:1428.

Kamerstukken II 2013/14, 33962, 3, p. 162

Artikel delen