Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:2329

De rechtbank verklaart het beroep tegen de weigering van het college om handhavend op te treden tegen het stoken van een pelletkachel ongegrond. Er is geen reden om te twijfelen aan de representativiteit of de kwaliteit van het controleonderzoek, of aan de juistheid van de in de controlerapporten weergegeven waarnemingen. Het college heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van houtstook die...

Rechtbank Gelderland 31 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:2329 text/xml public 2026-03-31T17:00:29 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-25 AWB – 24 _ 9275 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2329 text/html public 2026-03-27T11:29:55 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2329 Rechtbank Gelderland , 25-03-2026 / AWB – 24 _ 9275
De rechtbank verklaart het beroep tegen de weigering van het college om handhavend op te treden tegen het stoken van een pelletkachel ongegrond. Er is geen reden om te twijfelen aan de representativiteit of de kwaliteit van het controleonderzoek, of aan de juistheid van de in de controlerapporten weergegeven waarnemingen. Het college heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van houtstook die een overtreding oplevert. Ook heeft het college kunnen afzien van het verrichten van nader onderzoek naar de schadelijke gevolgen van de (eventuele) verspreiding van rook en fijnstof als gevolg van het gebruik van de pelletkachel.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/9275
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] (voorheen [eiseres (andere achternaam)]), uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M.E. Beukers),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo
(gemachtigden: mr. I.E. van Duuren en mr. L.C. Faber).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats]. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om handhavend op te treden tegen het stoken van een pelletkachel. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en de bestreden besluitvorming. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind (onder 7) staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 12 januari 2024 het college verzocht om handhavend op te treden tegen het stoken van de houtkachel van de derde-partij aan de [locatie]. Op 29 april 2024 heeft het college dit verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en de derde-partij. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank laten weten dat eiseres zelf niet bij de zitting aanwezig kon zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?

3. Eiseres woont op bungalowpark ‘[naam park]’ in [plaats], in bungalow nummer [nummer 1]. Zij ervaart overlast van het stoken van de pelletkachel door de derde-partij op nummer [nummer 2], in de vorm van stank, rook en fijnstof, waardoor zij luchtweg- en gezondheidsklachten heeft. Ondanks overleg met de derde-partij is de situatie onvoldoende verbeterd, zodat eiseres zich op 12 januari 2024 tot het college heeft gewend met het volgende handhavingsverzoek:

“[…] vraag ik u op te treden tegen de overlast die ik ondervind van het gebruik van de houtkachel op [locatie], [postcode] [plaats].”
3.1.
Naar aanleiding van het handhavingsverzoek zijn de percelen en woningen van zowel de derde-partij als eiseres meerdere malen ter controle (onverwacht) bezocht. Op basis van de constateringen heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat van een overtreding van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) of het omgevingsplan van de gemeente Ermelo (hierna: het omgevingsplan) niet is gebleken. Volgens het college is de bij de derde-partij aanwezige pelletkachel op grond van de artikelen 2.25 en 2.26 Bbl vrijgesteld van de vergunningplicht voor het plaatsen van een bouwwerk (de ‘technische bouwactiviteit’ in de Omgevingswet.). Daarnaast is niet gebleken dat de derde-partij haar zorgplicht in de zin van de artikelen 22.18 en 22.20 van het Omgevingsplan verzaakt, door op hinderlijke wijze rook, roet of walm te verspreiden.
3.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing en stelt verschillende vraagtekens bij de kwaliteit van het onderzoek naar de gestelde overlast. In de beslissing op het bezwaar van eiseres heeft het college, mede op basis van nog een controle en in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, het besluit in stand gelaten.
3.3.
Eiseres is het hier niet mee eens en is hiertegen in beroep gekomen.
3.4.
De derde-partij laat in de schriftelijke reactie weten dat zij niet bewust erop uit is om overlast te veroorzaken. Zij gebruikt de pelletkachel voor de verwarming van haar bungalow in de wintermaanden (oktober tot mei), waarbij zij per dag de kachel twee tot drie uren stookt. Daarnaast is op 13 november 2025 een tweede warmtebron geïnstalleerd, namelijk airco-verwarming. Op koude dagen heeft de derde-partij de pelletkachel circa 2,5 uur aan om de woning op te warmen. Daarna houdt de airco de woning warm voor de rest van de dag.

Heeft het college het juiste toetsingskader toegepast?

4. Eiseres betoogt dat de bungalow van de derde-partij bedrijfsmatig wordt verhuurd en dat dus sprake is van een inrichting, waarvoor een ander toetsingskader geldt dan het college in het bestreden besluit heeft toegepast. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting toegelicht dat er sprake is van een inrichting omdat er veel wisselingen in bewoning zijn, dat heeft eiseres gezien. Het gaat dus om verstrekking van logies door de derde-partij. Het college had daar meer onderzoek naar moeten verrichten. Het besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen en bevat een motiveringsgebrek. Ter onderbouwing van haar betoog verwijst eiseres naar een foto van een auto en afbeelding van een WhatsApp bericht van de derde-partij van 29 november 2019, waarin staat dat zij vanaf volgende week een tijdelijke bewoner van haar huisje heeft.
4.1.
Het college volgt het betoog van eiseres niet, omdat zij haar stelling dat de bungalow een verhuurlocatie is niet met bewijzen heeft onderbouwd. Omdat verhuur / verstrekking van logies niet is aangetoond, kan ook niet worden vastgesteld dat de bungalow als een inrichting moet worden beschouwd, waarvoor specifieke milieuregels zouden gelden.
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat eiseres met het handhavingsverzoek uitsluitend heeft verzocht om handhaving vanwege overlast door de pelletkachel (zie onder 3) en in het geheel niet heeft aangevoerd dat de bungalow ook (bedrijfsmatig) zou worden verhuurd. Dit betekent dat de gestelde bedrijfsmatige verhuur en houtstook buiten de reikwijdte van het handhavingsverzoek valt en dat het college daarnaar geen nader onderzoek heeft moeten instellen. Bovendien heeft het college tijdens controles vastgesteld dat geen sprake is van houtstook die een overtreding oplevert. Uit de controles blijkt ook niet van een aanwijzing dat sprake is van houtstook in grotere/bedrijfsmatige omvang. Eiseres heeft hier onvoldoende tegenover gesteld.

Is sprake van een deugdelijk onderzoek naar de gestelde overtreding?

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het onderzoek ter plaatse onvoldoende deskundig en te summier is uitgevoerd, zodat de uitkomsten ervan de conclusie van het college niet kunnen dragen. Volgens eiseres is sprake van een te beperkt aantal meetmomenten op tijdstippen dat er geen rook te zien is. Zo zijn volgens eiseres meetmomenten in het weekend zinvoller, omdat er dan meer wordt gestookt. Ter onderbouwing van haar betoog wijst eiseres nogmaals op eerder genoemde uitspraak van rechtbank Gelderland van 23 januari 2024, omdat daarin is geoordeeld dat de controlemomenten onvoldoende representatief waren gekozen. Daarnaast heeft eiseres ter onderbouwing een USB-stick met filmpjes en foto’s in het geding gebracht.
5.1.
Het college twijfelt niet aan de intensiteit en de kwaliteit van de controles. Er zijn in totaal vijf controles uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat de pelletkachel aan de technische eisen voldoet en dat een goede kwaliteit pelletkorrels wordt gebruikt. Van (rook)overlast is geen enkele keer gebleken, ook niet tijdens de controle op 17 mei 2024 toen de kachel aan stond.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eisers hebben toezichthouders van de gemeente tot aan het bestreden besluit vijf officieel gedocumenteerde controles uitgevoerd, op verschillende dagen en verschillende tijdstippen. Deze controles hebben vanaf de nabijgelegen openbare weg (de Kawoepersteeg), bij de derde-partij in de woning en op het perceel en bij eiseres in de woning en op het perceel plaatsgevonden. Alle vijf de keren is geen rookoverlast of geurhinder geconstateerd. Van twee controlemomenten is bekend dat de kachel toen niet brandde, van één controle is met zekerheid te zeggen dat de pelletkachel brandde en van de overige twee controles is het onbekend of de pelletkachel toen aanstond. Verder heeft de toezichthouder bij een van de controles op het adres van de derde-partij vastgesteld dat de dubbelwandige rookgasafvoer aan het Bbl voldoet en de andere keer dat goede kwaliteit pellets (ENplus/A1) worden gebruikt om de op dat moment brandende kachel te stoken.
5.3.
Hoewel het aantal controles waarbij de pelletkachel brandde beperkt is tot één, ziet de rechtbank daarin geen grond om te oordelen dat het onderzoek niet representatief zou zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat meerdere keren onaangekondigde controles zijn uitgevoerd. Daarnaast heeft het college van eiseres (of anderen) geen objectieve aanwijzingen ontvangen dat op hinderlijke wijze rook of stank wordt verspreid. De USB-stick die eiseres in dat kader heeft ingediend, is daarvoor onvoldoende. De filmpjes en foto’s die daarop staan bevatten geen nadere duiding van wat daar op te zien is of ter onderbouwing van welk betoog ze dienen. Daarnaast heeft eiseres bij een controle op 17 mei 2024 aangegeven op dat moment geen rookoverlast te ervaren, terwijl de pelletkachel toen wel brandde. Dat staat haaks op haar betoog dat zij veel overlast ervaart van het stoken van de pelletkachel van de derde-partij. De verwijzingen van eiseres naar de uitspraak van rechtbank Gelderland van 23 januari 2024 en op zitting nog naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 20 juni 2025, maken dat oordeel niet anders. Daarvoor is van belang dat de situaties in die uitspraken niet vergelijkbaar zijn. Zo staat in de eerste uitspraak vast dat sprake is van geurhinder door houtkachels, maar moet worden vastgesteld of het al dan niet van een (on)aanvaardbaar niveau is. In de tweede uitspraak was slechts sprake van één controlemoment, dat bovendien was aangekondigd, zodat overlast niet te verwachten was. Dat verschilt wezenlijk van de situatie in dit geval, waarin sprake is geweest van vijf onaangekondigde controlemomenten bedoeld om na te gaan of sprake is van rook- en geuroverlast door de pelletkachel. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen reden om te twijfelen aan de kwaliteit van het controleonderzoek en de juistheid van de in de controlerapporten weergegeven waarnemingen. Zodoende heeft het college kunnen concluderen dat van een overtreding geen sprake was.

Nader fijnstofonderzoek

6. Eiseres betoogt dat het college een aanvullend fijnstofonderzoek had moeten (laten) uitvoeren, vanwege de nadelige effecten van houtstook op de gezondheid van omwonenden.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat er geen algemeen aanvaarde inzichten bestaan over beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. Daarnaast is van belang dat niet ter discussie staat dat de pelletkachel van de derde-partij aan de bouwtechnische vereisten voldoet en de door eiseres gestelde gezondheidsklachten niet zijn geobjectiveerd. Verder heeft het college geen overtredingen kunnen vaststellen. De rechtbank ziet in dat wat eiseres verder nog heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van het verrichten van nader onderzoek naar de schadelijke gevolgen van de (eventuele) verspreiding van rook en fijnstof als gevolg van het gebruik van de pelletkachel.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om niet handhavend op te treden in stand kan blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

De reikwijdte van een handhavingsverzoek mag niet meer worden uitgebreid na het primaire besluit, vgl. de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1998, r.o. 5.2.

Vrijdag 16 februari om 17.40 uur, maandag 26 februari om 11.00 uur, maandag 11 maart om 16.00 uur, donderdag 18 april om 20.45 uur en vrijdag 17 mei om 19.00 uur.

ECLI:NL:RBGEL:2024:310.

ECLI:NL:RBNNE:2025:2536.

Zie de uitspraken van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3137, van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3005, en van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3295.

Artikel delen