Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:2357

Geen evidente privaatrechtelijke belemmering. Uit een e-mail van een medewerker van de gemeente blijkt voldoende dat er een overeenkomst bestaat tussen de gemeente en eiseres over een huurafhankelijk zakelijk recht van opstal voor het hebben en houden van een havenkraan.

Rechtbank Gelderland 1 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:2357 text/xml public 2026-04-01T17:00:11 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-26 ARN 25_3688 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2357 text/html public 2026-03-27T11:49:50 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2357 Rechtbank Gelderland , 26-03-2026 / ARN 25_3688
Geen evidente privaatrechtelijke belemmering. Uit een e-mail van een medewerker van de gemeente blijkt voldoende dat er een overeenkomst bestaat tussen de gemeente en eiseres over een huurafhankelijk zakelijk recht van opstal voor het hebben en houden van een havenkraan.
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/3688
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de tijdelijke omgevingsvergunning voor het verhogen van de havenkraan van 22 meter aan de [locatie] (ongenummerd), kadastraal bekend sectie [sectie] nummer [nummer] in [plaats]. Eiseres is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen de tijdelijke vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 19 juli 2024 een aanvraag ingediend voor het verhogen van de bestaande havenkraan.
2.1.
Bij besluit van 10 februari 2025 heeft het college een tijdelijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend tot 1 januari 2030 voor het verhogen van de havenkraan tot 34 meter.
2.2.
Bij beslissing op het bezwaar van eiseres van 10 juli 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de beroepsgrond van eiseres.

Is er sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering?

4. Eiseres betoogt dat het college haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college stelt ten onrechte dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De grond waarop de verhoging van de havenkraan moet komen is weliswaar eigendom van de gemeente Arnhem, maar eiseres en de gemeente hebben constructief gewerkt aan de totstandkoming van een opstalovereenkomst. Uit de e-mail van 14 april 2025 blijkt ondubbelzinnig dat het voornemen tot vestiging van het recht van opstal al bestond. Vervolgens is de opstalovereenkomst ook daadwerkelijk ondertekend op 24 juli 2025. Ten onrechte heeft het college op het bezwaar besloten zonder rekenschap te geven van de actuele stand van zaken rond de vestiging van het recht van opstal.
4.1
Het college stelt zich op het standpunt dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering aanwezig is waardoor eiseres het bouwplan niet kan verwezenlijken. Eiseres is namelijk geen eigenaar van het betreffende perceel. Tussen de eigenaar van het perceel (de gemeente) en eiseres was nog geen overeenkomst gesloten over het gebruik en de bebouwing op het perceel, en op het moment van de beslissing op bezwaar was het recht van opstal nog niet gevestigd.
4.2.
Voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, bestaat slechts aanleiding, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming ook niet hoeft te geven.
4.3.
Hoewel de gemeente eigenaar is van de grond waarop de verhoging van de havenkraan is voorzien, is de rechtbank van oordeel dat op het moment van de beslissing op bezwaar geen sprake was van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Daarvoor is de e-mail van 14 april 2025 van een medewerker van de gemeente van belang. Uit deze e-mail blijkt voldoende dat er een overeenkomst bestaat tussen de gemeente en eiseres over een huurafhankelijk zakelijk recht van opstal voor het hebben en houden van een havenkraan.

In de e-mail schrijft de medewerker immers:

“ […] Voor de volledigheid; het recht van opstal heb je al eerder ontvangen en is door partijen getekend. [persoon A] heeft de notaris gevraagd het document te laten passeren, zodat het wordt vastgelegd in het register en ook wordt gepubliceerd. Ze zal vandaag bij de notaris informeren naar de stand van zaken. In afwachting van de registratie kan je conform de stukken (vergunning, huur- en opstalrechtovereenkomst) starten met de (bouw) werkzaam heden. […] ”
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank had het college vanwege deze e-mail niet kunnen aannemen dat ten tijde van de beslissing op bezwaar van 10 juli 2025 nog sprake was van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Vanwege deze e-mail was het namelijk op dat moment niet evident dat er een privaatrechtelijke belemmering was voor de uitvoering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat het college eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het besluit van 10 juli 2025. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. Dit omdat het college eerst zelf inhoudelijk een beslissing moet nemen over het bezwaar van eiseres tegen de omgevingsvergunning.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 juli 2025;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 5.1 eerste lid aanhef en onder a van de Omgevingswet en artikel 8.0a tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0377.

Uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3393, onder 4.2.

Artikel delen