Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:720

Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren een van werk of werkzaamheden voor het kappen van populieren over een oppervlakte van maximaal 4.000 m2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Anders dan eisers menen, heeft het college namelijk voldoende kenbaa...

Rechtbank Gelderland 5 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:720 text/xml public 2026-02-05T17:00:13 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-01-30 AWB-25_5994 en AWB-25_5512 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:720 text/html public 2026-01-30T12:49:58 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:720 Rechtbank Gelderland , 30-01-2026 / AWB-25_5994 en AWB-25_5512
Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren een van werk of werkzaamheden voor het kappen van populieren over een oppervlakte van maximaal 4.000 m2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Anders dan eisers menen, heeft het college namelijk voldoende kenbaar en begrijpelijk gemotiveerd waarom er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische en natuurlijke waarden. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 25/5994 (verzoek) en 25/5512 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers
(gemachtigde: mr. B.M. Brandenburg-Stroo),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland
(gemachtigde: mr. I. Nikkels)

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats] (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren een van werk of werkzaamheden voor het kappen van populieren over een oppervlakte van maximaal 4.000 m2 aan de [locatie] in [plaats].
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Anders dan eisers menen, heeft het college namelijk voldoende kenbaar en begrijpelijk gemotiveerd waarom er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische en natuurlijke waarden. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, vervalt van rechtswege de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening.
Procesverloop
2. Bij besluit van 6 maart 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van eisers heeft het college de omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit geschorst.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde hebben deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en J.L. van Eijk. Namens vergunninghouder is [persoon A] verschenen.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst hoe het bestreden besluit tot stand is gekomen. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Vergunninghoudster is voornemens om populieren te kappen over een oppervlakte van maximaal 4000 m2 aan de [locatie] in [plaats]. Op 6 januari 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend om de populieren te kappen. De omgevingsvergunning om de kap mogelijk te maken (de kapvergunning) is verleend bij besluit van 6 maart 2025. Eisers hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen de kapvergunning. Dit besluit is ondertussen onherroepelijk.
4.1.
Naast een kapvergunning voor het kappen van de bomen is ook een omgevingsvergunning nodig voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden. Op 13 februari 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden voor het kappen van de populieren. Bij besluit van 6 maart 2025 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het advies ingewonnen bij de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Berkelland. Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in navolging van het advies van de commissie in stand gelaten met een aanvullende motivering.

Wettelijk kader

5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
5.1.
Op de locatie waar bomen gekapt worden, gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan Buitengebied Berkelland 2020. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Berkelland. Op het perceel geldt de bestemming Bos.
5.2.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ gedefinieerd als:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan;

b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan.

c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
5.3.
In het bestemmingsplan Buitengebied Berkelland 2020 is in artikel 8.5.1 een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning bepaalde werkzaamheden, waaronder het kappen van bomen, te verrichten. Voor de door vergunninghouder te verrichten kap van bomen is dus een omgevingsvergunning nodig voor een omgevingsplanactiviteit. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Concreet moet het college in dit geval toetsen aan artikel 8.5.3 van het oude bestemmingsplan, waarin de voorwaarden zijn opgenomen voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

Heeft het college het verkeerde recht toegepast?

6. Eisers voeren – kort samengevat – aan dat een omgevingsvergunning is verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), terwijl de Omgevingswet van toepassing is.
6.1.
De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun standpunt dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend op grond van het oude recht. Daarvoor is allereerst van belang dat in zowel het primaire besluit als het bestreden meerdere artikelen uit de Omgevingswet zijn genoemd. Ook heeft het college expliciet overwogen dat er een toetsing plaatsvindt aan het omgevingsplan: ‘De locatie van de bomen valt in het Omgevingsplan gemeente Berkelland (waar het bestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020” van rechtswege deel van uitmaakt) en heeft de bestemming “Bos”. Dat, zoals eisers opmerken, niet expliciet de term ‘omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit’ genoemd wordt, maar ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’, maakt het voorgaande niet anders. In het bestreden besluit staat namelijk uitdrukkelijk benoemd dat de grondslag voor de verleende omgevingsvergunning artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat de omgevingsvergunning zou zijn verleend op grond van oude regelgeving.

Is onvoldoende aangetoond dat de beschermde waarden niet worden aangetast?

7. Eisers wijzen op het advies van de commissie waarin – kort samengevat – is overwogen dat het college onvoldoende heeft gekeken naar de ecologische waarde en natuurlijke waarde. Het college heeft dit gebrek vervolgens in de beslissing op bezwaar gepoogd te herstellen met een op 9 oktober 2025 uitgebracht advies door Van Eijk, maar eisers stellen dat desondanks onvoldoende is aangetoond dat te beschermen waarden niet worden aangetast. Het advies van Van Eijk gaat met name in op de natuurlijke waarden van het aanwezige populierenbos. Eisers wijzen erop dat er geen specifiek onderzoek is gedaan naar de aanwezige natuurwaarden. Weliswaar wordt er gerefereerd aan de quickscan natuuronderzoek uit januari 2023, maar eisers stellen dat het college dat advies niet zonder meer aan het besluit ten grondslag had mogen leggen. Van Eijk, noch het college onderbouwen dat de gegevens uit het natuuronderzoek nog actueel zijn. In ieder geval moet worden aangetoond dat de kap van voorliggende 4.000 m2 aan populieren geen afbreuk doet aan de ecologische waarden van onder meer de habitats van voornoemde beschermde aanwezige dieren, de hazelworm, eekhoorn, wielewaal, specht, vleermuis, ree, konijn, haas, steenmarter, levendbarende hagedis en das.
7.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat in artikel 8.5.3 van het oude bestemmingsplan is opgenomen dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als er is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden. In artikel 8.1 (de bestemmingsomschrijving) worden de volgende waarden genoemd: ecologische, natuurlijke en/of cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden. De beroepsgrond richt zich tegen de onderbouwing van de ecologische en natuurlijke waarden.
7.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische en natuurlijke waarden. Daarvoor is allereerst van belang dat Van Eijk (adviseur groen, natuur en landschap van de gemeente Berkelland) op 9 oktober 2025 een advies heeft uitgebracht. Kort samengevat luidt de conclusie van Van Eijk dat de kap van de populieren op geen enkele wijze onevenredige afbreuk doet aan de ecologische en landschappelijke waarden. Qua ecologische waarde is er juist veel te winnen als een nieuw bos met een grote variatie aan bomen en struiken wordt aangepland.
7.3.
De commissie heeft in haar advies opgenomen dat gemeentelijke groenadviseur naar haar oordeel kan worden gekwalificeerd als een deskundige op het gebied van groen, natuur en landschap. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook omdat eisers de deskundigheid van Van Eijk op zichzelf niet hebben betwist. Het bestuursorgaan mag op het advies van Van Eijk afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
7.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat eisers geen tegenrapport hebben ingebracht. Eisers wijzen er slechts in algemene zin op dat er geen specifiek onderzoek is gedaan naar de aanwezige ecologische waarden en dat onvoldoende duidelijk is of de gegevens uit het natuuronderzoek nog actueel zijn. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat de beoordeling in het kader van deze vergunning niet zodanig ver strekt dat alle aanwezige soorten met een veldbezoek in kaart gebracht moeten worden en dat per beschermde soort beoordeeld moet worden of de kap geen afbreuk doet aan de ecologische waarden van die soort. De voorzieningenrechter acht het verder voldoende begrijpelijk en ook redelijk dat Van Eijk heeft aangesloten bij een Quickscan uit 2023. Van Eijk heeft in zijn advies daarnaast expliciet rekenschap gegeven van het feit dat ‘het populierenbos een onderdeel vormt in het leefgebied van enkele beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, reptielen en amfibieën als bijvoorbeeld de eekhoorn. Dat is ook wat eisers al jarenlang zien als omwonenden, zoals zij op zitting hebben toegelicht. Van Eijk komt desondanks tot de conclusie dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de ecologische waarden van de kap van de betreffende populieren.
7.5.
Eisers hebben onvoldoende concrete aanknopingspunten aangedragen voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering en de aansluiting van de conclusies daarop. Het college mocht dus zonder nadere motivering op het advies afgaan. Het college heeft met zijn verwijzing naar het advies voldoende aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische en natuurlijke waarden.

De beroepsgrond slaagt niet.

Had het college moeten toetsen aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

8. Eisers stellen, in het verlengde van hun vorige beroepsgrond, dat de omgevingsvergunning volgens hen niet binnenplans vergund kan worden en dat er om die reden getoetst had moeten worden aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.1.
Zoals eisers in principe terecht aanvoeren moet het college, als de omgevingsplanactiviteit niet binnenplans kan worden vergund, beoordelen of de aangevraagde activiteit met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden vergund. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals onder 7.1 en verder is overwogen, voldoet de kap van de populieren echter aan de binnenplanse voorwaarde van artikel 8.5.3. Daarom hoefde het college in dit geval dus niet te beoordelen of de kap van de populieren buitenplans vergund kan worden.
8.2.
Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat artikel 22.280 en 22.281 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) ook niet tot gevolg hebben dat in dit geval beoordeeld moest worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de toelichting van artikel 22.281 van de bruidsschat volgt, heeft artikel 22.281 van de bruidsschat alleen betrekking op afwijkingsmogelijkheden die onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wabo vielen. De aanlegvergunning viel onder oud recht onder artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Onder het oude recht gold de eis dat zich geen strijd met een goede ruimtelijke ordening mag voordoen niet voor artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Nu de wetgever met de invoering van de overgangsrechtelijke regeling van artikel 22.280 en 22.281 van de bruidsschat een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel heeft willen borgen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op dit moment onderdeel uitmaakt van het beoordelingskader van het verlenen van deze omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft het college ten onrechte geen compenserende maatregelen opgenomen?

9. Eisers stellen dat het college ten onrechte geen enkele vorm van compenserende maatregelen heeft opgenomen in het bestreden besluit. Aan de omgevingsvergunning is bijvoorbeeld geen herplantplicht verbonden.
9.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college, zo blijkt uit artikel 8.5.3. onder b van het oude bestemmingsplan, aan de omgevingsvergunning compenserende maatregelen kan verbinden. Het college heeft in het kader van deze bevoegdheid beoordelingsruimte. Het college heeft voldoende begrijpelijk overwogen dat de herplantplicht reeds is opgenomen in de kapvergunning. Het is daarom logischerwijs niet nodig is om deze verplichting nogmaals op te nemen in deze omgevingsvergunning. Overige aanvullende compenserende maatregelen zijn volgens het college niet noodzakelijk, omdat in de omgeving voldoende bossen aanwezig zijn waar aanwezige dieren (tijdelijk) naar kunnen uitwijken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende kenbaar en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen compenserende maatregelen aan de omgevingsvergunning heeft verbonden.

De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, vervalt van rechtswege de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening.
10.1.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Dit betreft een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (zie artikel 22.8 van de Omgevingswet) waarin feitelijk wordt getoetst aan de Bomenverordening 2023.

Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Het nieuw aan te planten bos is als herplantplicht opgenomen in de kapvergunning.

Dat volgt uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.

Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400).

Dat volgt uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.

Artikel delen