Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBGEL:2026:733

Weigering intrekking milieuvergunning vleeskuikenhouderij. Het college heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd.

Rechtbank Gelderland 5 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:733 text/xml public 2026-02-05T17:00:16 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-02 24-3302 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:733 text/html public 2026-01-30T13:13:46 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:733 Rechtbank Gelderland , 02-02-2026 / 24-3302
Weigering intrekking milieuvergunning vleeskuikenhouderij. Het college heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/3302
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, het college
(gemachtigde: E. Verbree).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats], vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om de aan vergunninghouder verleende milieuvergunning van 19 augustus 2013 gedeeltelijk in te trekken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het besluit niet goed genoeg is gemotiveerd.
Procesverloop
2. Het college heeft op 19 augustus 2013 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” verleend voor een timmerwerkplaats en een omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu (verandering)” (hierna: milieuvergunning) voor het houden van 16.000 vleeskuikens in vier stallen.
2.1.
Eiseres heeft in de aanvraag van 17 mei 2022 aangegeven dat uit de meitellingen uit de periode van 2010 tot op heden blijkt dat in de afgelopen jaren nooit meer dan 5.400 vleeskuikens zijn gehouden. Eiseres verzoekt het college daarom om de milieuvergunning van 19 augustus 2013 gedeeltelijk in te trekken. Het college is daartoe volgens eiseres bevoegd op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.2.
In het primaire besluit van 13 februari 2023 heeft het college geweigerd om de omgevingsvergunning gedeeltelijk in te trekken.
2.3.
Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend.
2.4.
Eiseres heeft op 21 mei 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank omdat niet tijdig op het bezwaarschrift is beslist.
2.5.
Op 6 juni 2023 heeft een toezichthouder een controle uitgevoerd op het bedrijf. In het controlerapport staat het volgende:

“De heer [derde-partij] loopt mee naar de stal voor de koeien die voornamelijk in de winter wordt gebruikt. Er zijn momenteel 4 koeien die in het weiland staan. Er zijn 9 dierplaatsen in de rundveestal met daarnaast een hok voor kalveren. De 2 kippenstallen achterop het terrein zijn in gebruik voor de gemelde kippen. We zijn niet naar binnen gegaan vanwege de vogelgrieprisico's en daaraan gelieerde terughoudendheid. Hij houdt op dit moment 2-sters kippen en heeft daarvoor ruimte voor dit aantal als maximum omdat hij niet beschikt over meer uitloopruimte. Als hij een ander concept zou doen kan hij er eventueel meer houden. Van de 4 stallen zijn er 2 in gebruik. De andere 2 zijn in gebruik als opslagruimte voor hem zelf, er is geen stalinrichting hierin aanwezig. Daarnaast zijn er 2 schapen aanwezig.

De heer [derde-partij] wil de rechten niet in laten trekken. Als hij ze kwijt is en wel wil veranderen moet er weer aangekocht worden of het veranderen kan niet meer.”
2.6.
In het bestreden besluit van 16 juli 2024 heeft het college het besluit van 13 februari 2023 in stand gelaten, met de volgende motivering:

“Er is een vergunning verleend voor 16.000 vleeskuikens. Tijdens een controle van 6 juni 2023 constateerden wij dat twee van de vier vergunde stallen in gebruik zijn ten behoeve van het houden van pluimvee (2-sters kippen). De toezichthouder kon de stal vanwege de vogelgriep niet betreden om na te gaan hoeveel kippen aanwezig waren.

Het college stelt vast dat de vergunde milieusituatie niet afwijkt van de ruimtelijke bestemming. Bezwaarmaker stelt overigens niet dat dit anders is.

Met het oog op regelgeving gaf de ondernemer aan dat daarmee het maximaal aantal 2-sters kippen gehouden. Hij onderzoekt op dit moment de mogelijkheden om andere concepten te gebruiken waarbij hij een hoger aantal kippen mag houden. Bovendien bleek tijdens de controle dat de ondernemer ook vier koeien buiten hield op het land. Het is niet uitgesloten dat de bedrijfsvoering zodanig wordt gewijzigd dat meer rundvee gehouden wordt. In de rundveestal is op dit moment fysiek al ruimte voor dierplaatsen voor het houden van meer rundvee.

Tijdens de controle is dus gebleken dat wel sprake is van een agrarisch bedrijf dat in werking is. Het was en is in de agrarische sector een hectische tijd met veel onzekerheden. De coronapandemie, maar ook de stikstofproblematiek en vogelgriep, hebben voor onzekerheden en tegenslagen gezorgd. Ook op dit moment is er op het gebied van de stikstof voor de ondernemers nog geen duidelijkheid over de toekomst.

De ondernemer gaf aan dat hij de agrarische bedrijfsvoering structureel wil voortzetten. Hij heeft de hoop dat zijn zoon te zijner tijd het agrarisch bedrijf kan voortzetten. Hij heeft niet eerder signalen ontvangen dat hij op korte termijn concrete stappen zou moeten ondernemen om te voorkomen dat hij bestaande rechten die van belang zijn voor structurele voortzetting van zijn bedrijfsvoering zou verliezen.

Dit afwegende tegen de belangen van de verzoeker en de algemene belangen maakt dat wij het onevenredig bezwarend vinden om gebruik te maken van onze bevoegdheid tot het gedeeltelijk intrekken van de vergunning.”
2.7.
Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op dit alsnog genomen besluit. Eiseres heeft beroepsgronden ingediend en het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Op deze zitting zijn ook twee beroepen van eiseres tegen vergelijkbare weigeringsbesluiten van het college behandeld (zaaknummers 24/3299 en 24/3301). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het wettelijk kader?

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken is gedaan op 17 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

4. Artikel 2.33, tweede lid, van de Wabo luidt als volgt:

“Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:

a. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.”

Wat is het toetsingskader?

5. Uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo en uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de intrekking van een omgevingsvergunning op grond van deze bepaling geen verplichting is, maar een bevoegdheid. Deze bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van de milieuvergunning bestaat als er gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren minder dieren zijn gehouden dan het aantal waarop de omgevingsvergunning recht geeft. Daarbij moet niet het aantal dieren per stal worden bekeken, maar het aantal dieren dat per diercategorie in de inrichting als geheel mag worden gehouden.

Bij de toepassing van deze bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college in een individueel geval een gemotiveerde afweging maken of het gelet op de betrokken belangen wel of geen gebruik wenst te maken van deze bevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid moet het college de relevante belangen inventariseren en afwegen, waaronder de belangen van de vergunninghouder, zoals zijn financiële en bedrijfsbelangen. Het college kan met het oog op de rechtszekerheid van de vergunninghouder aan zijn belangen bij het behoud van de vergunning een zwaarwegend gewicht toekennen. Daarbij mag het college verder in aanmerking nemen of het niet gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De rechter toetst vervolgens of het college redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Is het college bevoegd om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken?

6. Tussen partijen is niet in geschil dat er gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren niet meer dan 5.400 vleeskuikens zijn gehouden, zodat het college bevoegd is om de milieuvergunning in te trekken voor (16.000 – 5.400) 10.600 vleeskuikens.

Is de belangenafweging afdoende gemotiveerd?

7. Eiseres betoogt dat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens eiseres heeft het college alleen de (financiële) belangen van vergunninghouder in de afweging betrokken en de milieubelangen, zoals de verbetering van de geursituatie en de vermindering van ammoniakdepositie, niet. Volgens eiseres is de verwachting dat vergunninghouder in de nabije toekomst volledig gebruik van de veranderingsvergunning zal maken niet onderbouwd met stukken en is ook onduidelijk hoe het college heeft meegewogen of het niet (geheel) gebruik maken van de vergunning de vergunninghouder kan worden aangerekend.
7.1.
Als het college zich op het standpunt stelt dat er een bevoegdheid bestaat om de milieuvergunning (gedeeltelijk) in te trekken, dan dient het college de relevante belangen in kaart te brengen. Aan de ene kant zijn dat de belangen van vergunninghouder en aan de andere kant de (positieve) milieugevolgen van deze (gedeeltelijke) intrekking, zoals de verbetering van de geluid- of geursituatie voor omwonenden of de vermindering van de ammoniakdepositie. In het bestreden besluit is op de positieve milieugevolgen in het geheel niet ingegaan, waardoor de belangenafweging een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kent. De omstandigheid dat in de milieuvergunning de milieugevolgen zijn beoordeeld maakt, anders dan het college heeft betoogd, niet dat deze milieugevolgen bij een intrekkingsbesluit niet in kaart hoeven te worden gebracht. Dit standpunt zou er ook op neerkomen dat (positieve) milieugevolgen nooit een belang vormen om mee te nemen in het intrekkingsbesluit. Dat stikstofdepositie in de natuurvergunning een rol speelt, maakt daarnaast niet dat dit milieugevolg niet ook bij de intrekking van een milieuvergunning moet worden meegewogen. Ammoniakdepositie vormt immers ook bij het verlenen van de milieuvergunning een milieuaspect dat dient te worden beoordeeld.
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft onderbouwd dat vergunninghouder in de nabije toekomst volledig gebruik zal maken van de milieuvergunning voor 16.000 vleeskuikens. Uit de stukken blijkt niet dat er voornemens zijn om de twee leegstaande stallen, die al meer dan 13 jaar niet meer worden gebruikt voor het houden van vleeskuikens, weer in gebruik te nemen voor het houden van vleeskuikens. Ook het voornemen om meer rundvee te gaan houden is niet concreet gemaakt. Over een bedrijfsovername is slechts aangegeven dat de hoop bestaat op voortzetting maar dit is niet onderbouwd. Bovendien is onduidelijk of die bedrijfsovername ziet op het aanwezige aantal dieren of het vergunde aantal.

In het verweerschrift heeft het college met betrekking tot de bedrijfsbelangen bij behoud van een (slapende) milieuvergunning verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 september 2025, maar die uitspraak is niet vergelijkbaar met deze zaak. In die zaak was er namelijk wel een concreet plan om de bedrijfsvoering te wijzigen en daarvoor was al vóór het intrekkingsverzoek een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Daarvan is in dit geval geen sprake.

De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het college dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Proceskosten en griffierecht

9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen.

De rechtbank merkt de zaken met zaaknummers 24/3299, 24/3301 en 24/3302 aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal proceskosten toekennen in deze drie zaken. Deze proceskosten zijn reeds toegekend in de zaak met zaaknummer 24/3299.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 16 juli 2024;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2142), overweging 4.3 en 7.

Zie overweging 7.2 van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1892).

ECLI:NL:RBOVE:2025:5451.

Artikel delen