ECLI:NL:RBGEL:2026:851text/xmlpublic2026-02-11T17:00:222026-02-05Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Gelderland2026-02-0526/51 en 26/155UitspraakVoorlopige voorzieningNLArnhemBestuursrecht; BestuursprocesrechtBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:851text/htmlpublic2026-02-05T12:31:282026-02-11Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBGEL:2026:851 Rechtbank Gelderland , 05-02-2026 / 26/51 en 26/155 Omgevingswet; BOPA; parkeergarage Intratuin; ETFAL; voorlopige voorziening afgewezen.
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 26/51 en 26/155 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussenV.O.F. Meubelmakerij Gregory Salemink, uit Duiven, (gemachtigde: mr. M.M. Breukers), en CarVision B.V.
verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Duiven (gemachtigden: mr. M. van Poorten en J.M. Venema). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: I.T. Duiven B.V. uit Duiven (Intratuin)
(gemachtigde: mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden). Samenvatting 1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de aan Intratuin verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een parkeergarage op het perceel [locatie 1] in Duiven. Verzoekers exploiteren een bedrijf op naastgelegen percelen en zijn het niet mee eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij hebben bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij een verzoek om voorlopige voorziening te treffen ingediend. Daartoe voeren zij een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 23 september 2025 heeft het college Intratuin een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een parkeergarage. Verzoekers hebben hiertegen afzonderlijk bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen. 2.1. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 23 januari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben namens CarVision deelgenomen: [persoon A] en [persoon B]. Verder was aanwezig [persoon C], bijgestaan door de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigden. Intratuin heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon D], bijgestaan door de gemachtigde. Tevens waren namens Intratuin aanwezig [persoon E], [persoon F] en [persoon G] Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van de besluiten
3. Intratuin is gevestigd aan de [locatie 2] in Duiven. Intratuin bouwt jaarlijks een grote kerstafdeling in haar tuincentrum (tussen oktober-december geopend). Hier komen veel bezoekers op af. De parkeergelegenheid op eigen terrein is onvoldoende om alle bezoekers van een parkeerplaats te voorzien. Intratuin verwijst bezoekers daarom naar parkeerplaatsen in de directe omgeving, waaronder het perceel aan de [locatie 1]. 3.1. Om de parkeerproblemen structureel aan te kunnen pakken is Intratuin voornemens een parkeergarage te bouwen. Het bouwplan bestaat uit de realisatie van een bovengrondse parkeergarage op het bestaande parkeerterrein aan de [locatie 1]. De te realiseren parkeergarage zal in totaal circa 1.290 parkeerplaatsen bieden. Op de begane grond worden circa 312 plaatsen gerealiseerd, op de eerste verdieping circa 325 plaatsen, op de tweede verdieping circa 325 plaatsen, en op de dakvloer circa 328 plaatsen. Verder krijgt de parkeergarage een lift en een trappenhuis. Met het bestreden besluit heeft het college de daarvoor gevraagde omgevingsvergunning verleend. 4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de parkeergarage is voorzien, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Graafstaete’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Duiven. 4.1. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.2. Het perceel waar de parkeergarage wordt gebouwd heeft de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’, en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – parkeren 1’. Tussen partijen is niet in geschil dat een parkeergarage ter plaatse is toegestaan. Wel is het bouwplan in strijd met de planregels omdat het bouwvlak wordt overschreden. Ook is het bouwplan in strijd met de planregels omdat de bouwhoogte wordt overschreden in verband met de te plaatsen liftschacht op het dak. 5. Het college heeft voor het overschrijden van het bouwvlak en daardoor niet in acht te nemen minimale afstandseis tot de perceelgrens een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit verleend. Verder heeft het college met toepassing van artikel 3.3.1., aanhef en onder a, een binnenplanse omgevingsvergunning verleend voor de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte. 6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de omgevingsvergunning te dienen doelen. 6.1. Verzoekers stellen – kort samengevat – dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van een parkeergarage met overschrijding van het bouwvlak voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De kerstafdeling leidt jaarlijks tot een extreme verkeersoverlast en er wordt van de planvoorschriften afgeweken door de bouw tot op de erfgrens toe te staan. Daardoor wordt de zichtbaarheid van de panden van verzoekers belemmerd. Bovendien verdwijnt elke vorm van open ruimte, waardoor er sprake is van verstening en een gebrek aan groen en waterafvoer. Dit veroorzaakt risico’s op hittestress en wateroverlast, in strijd met de uitgangspunten van een gezonde leefomgeving en landelijk beleid. Het was ook mogelijk de parkeergarage iets meer naar achter te plaatsen, waardoor de zichtbaarheid van de panden van verzoekers gewaarborgd zou zijn. Bovendien leidt bouw op de perceelgrens tot een verkeersonveilige situatie, doordat de ingang van de garage direct na een flauwe bocht is ingetekend. 6.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt is dat het college dient te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent onder meer dat, als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is bovendien aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. 6.2.1. Dat er andere alternatieve locaties zijn die een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert is niet aannemelijk gemaakt. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het college vanwege de locatie de omgevingsvergunning had moeten weigeren. 6.2.2. Intratuin heeft ervoor gekozen de aanvraag in te dienen voor het perceel waar al wordt geparkeerd en waarbij parkeren bij recht al is toegestaan. Verder heeft Intratuin ervoor gekozen de parkeergarage op de rand van het perceel te bouwen omdat, zo is op de zitting nader toegelicht, op deze manier het meest aantal parkeerplekken kan worden gerealiseerd. Een verschuiving naar achteren zou ertoe leiden dat ongeveer 300 parkeerplaatsen minder gerealiseerd zouden kunnen worden, omdat ook rekening gehouden moet worden met de locatie van de hellingbaan waarmee de auto’s de bovenliggende verdiepingen kunnen bereiken. Daarom is ervoor gekozen het volledige perceel te bebouwen. Hierbij is – zo blijkt ook uit de ruimtelijke onderbouwing – meegewogen dat het perceel omsloten wordt door wegen en als het ware op een eiland ligt. Daardoor wordt – ook bij volledige bebouwing van het perceel – voldoende afstand gehouden tot omliggende bebouwing en wordt de brandveiligheid gewaarborgd. De voorzieningenrechter acht dit niet onredelijk. 6.2.3. Dat de bouw op de perceelgrens leidt tot een verkeersonveilige situatie is verder niet aannemelijk gemaakt. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er een paar wijzigingen zijn doorgevoerd ten opzichte van de eerste plannen, waaronder het scheiden van in- en uitgaand verkeer. Hierdoor kruist het uitgaand verkeer niet met de voetgangers, hetgeen de veiligheid vergroot. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de bouw van een parkeergarage bij recht is toegestaan, en alleen van de planregels wordt afgeweken om bouw op de perceelgrens toe te staan. Bovendien blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing en het verkeerskundige onderzoek dat de parkeergarage tot betere spreiding van verkeersstromen zal leiden. Doordat de parkeergarage aansluit op de [locatie 3] ontstaat een logischer en beheersbaarder verkeerspatroon voor het op- en afrijden. Tijdelijk kan verkeer ook via de [locatie 2] worden verwezen als er meer capaciteit noodzakelijk is. Ook zal het leiden tot minder onveilige situaties: doordat er in principe niet meer in Noord wordt geparkeerd zijn er minder voetgangers die de wegen oversteken en daardoor is er ook een betere doorstroming voor het verkeer. 6.2.4. Dat de vermindering van de zichtbaarheid van de panden van verzoekers door de bouw van de parkeergarage op de perceelgrens, vergeleken met wat al mogelijk was binnen het bouwvlak op grond van het omgevingsplan, zodanig onevenredig dat het bij de afweging van belangen tot weigering van de vergunning had moeten leiden is verder ook niet aannemelijk gemaakt. 6.2.5. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de op bouw van een parkeergarage op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat, zoals verzoeker CarVision heeft aangevoerd, sprake is van handje-klap tussen het college en Intratuin is – wat daar ook van zij - niet aannemelijk gemaakt. Dat Intratuin en het college vooroverleg hebben gehad over de aanvraag van deze omgevingsvergunning betekent immers niet dat het college de aanvraag niet op de juiste wijze heeft beoordeeld. Het betoog van verzoekers slaagt daarom niet. Kan de parkeergarage worden gekwalificeerd als een ‘bedrijfsgebouw’ als bedoeld in de planregels?
7. Verzoeker Salamink heeft op zitting betoogd dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat de parkeergarage in strijd is met de planregels omdat de parkeergarage geen bedrijfsgebouw is als bedoeld in de planregels nu het niet ten dienste staat van een bedrijf op het perceel. 7.1. Het perceel [locatie 1] heeft de enkelbestemming Bedrijventerrein en – voor zover van belang – de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – parkeren 1’. Op grond van artikel 3.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming Bedrijventerrein bestemd voor a. bedrijven met een lokale functie, b. detailhandel perifeer, c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - parkeren' [sb-p1 en sb-p2] tevens bestemd voor parkeren en d. voor bijbehorende voorzieningen, zoals kantoren en technische ruimten. Hierbij zijn onder meer toegestaan (sub e) daarbij behorende gebouwen en (sub h) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - parkeren' zowel gebouwde als onbebouwde - op maaiveldniveau - parkeervoorzieningen. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen is in artikel 3.2.1. van de planregels een aantal specifieke regels opgenomen. 7.2. Uit artikel 3.1. van de planregels volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat op gronden met de bestemming Bedrijventerrein alleen bedrijfsgebouwen zijn toegestaan. De term ‘bedrijfsgebouw’ wordt in dit artikel ook niet genoemd. Ook gebouwen zijn toegestaan. In artikel 1.30 van de planregels is ‘gebouw’ gedefinieerd als elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Een parkeergarage voldoet aan deze definitie. Nu bovendien uitdrukkelijk is bepaald dat zowel gebouwde als onbebouwde - op maaiveldniveau – parkeervoorzieningen zijn toegestaan is van strijd met het Omgevingsplan geen sprake. Het betoog slaagt daarom niet.
Is het perceel eigendom van vergunninghouder?
8. Verzoeker Salemink heeft betoogd dat onduidelijk is wie eigenaar is van het betreffende perceel en of sprake is van een ontvankelijke aanvraag. Ter zitting is aangegeven dat inmiddels duidelijk is wie eigenaar is en is deze grond ingetrokken. Participatie
9. Voor zover verzoekers betogen dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van de verleende omgevingsvergunning en dat onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden overweegt de voorzieningenrechter dat het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Uit de Notitie adviesrecht, verplichte participatie en delegatiebesluit 2024 volgt dat de gemeenteraad van de gemeente Duiven voor vergunningen als onderhavig geen participatie verplicht heeft gesteld. 9.1. Ter zitting is van de zijde van Intratuin toegelicht dat zij bij alle omliggende bedrijven langs is geweest om de plannen toe te lichten. Zo ook bij verzoekers. Op verzoek van CarVision is het plan bovendien op diverse punten aangepast. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat gelet op de aard en inhoud van de verleende vergunning in dit geval voldoende. Participeren vereist een poging om input van anderen op een voornemen op te halen voordat een aanvraag wordt ingediend. Participeren wil echter niet zeggen dat anderen moeten instemmen met het voornemen. Het betoog slaagt daarom niet.
Waardedaling panden
10. Verzoekers stellen dat het bestreden besluit zal leiden tot een waardedaling van hun panden. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de vraag of verzoekers aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de schade aan de orde kan komen in een procedure naar aanleiding van een daartoe ingediend verzoek. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de waardevermindering van de panden van verzoekers zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan zij hebben gedaan. Het betoog slaagt daarom niet.
Schade aan omliggende panden als gevolg van de bouw
11. Verzoeker Salemink heeft aangevoerd dat hij vreest dat de bouw van de parkeergarage zal leiden tot schade aan zijn pand. 11.1. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een knip gemaakt tussen een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit en voor een omgevingsplanactiviteit. De technische bouwactiviteit heeft betrekking op wat voorheen - onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht – wel als de “bouwbesluit-toets” werd aangeduid en waar onder meer de veiligheid werd getoetst (artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012). De aanvraag van Intratuin en het bestreden besluit zien op ruimtelijk bouwen en dus op de vraag of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een technische vergunning is niet aangevraagd en daar heeft het besluit derhalve ook geen betrekking op. Aan de vraag of voldoende gewaarborgd is dat door de bouwwerkzaamheden geen schade zal ontstaan aan omliggende panden komt de voorzieningenrechter in deze procedure dan ook niet toe. Conclusie en gevolgen 12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dan ook af. 13. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd. Zie o.a. AbRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559 zie artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet Onder de Omgevingswet is de figuur van planschade vervangen door nadeelcompensatie