Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2025:12209

Wabo. Aanvraag omgevingsvergunning is buiten behandeling gelaten omdat ontbrekende stukken niet tijdig zijn ingediend. Verweerder heeft een termijn gesteld waarvan hij op voorhand al kon zien aankomen dat die niet zou worden gehaald. Toch buiten behandeling gesteld. Strijd met artikel 4:5 van de Awb.

Rechtbank Limburg 6 January 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2025:12209 text/xml public 2026-01-06T07:00:29 2025-12-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-12-10 ROE 24/3965 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:12209 text/html public 2026-01-05T20:22:32 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:12209 Rechtbank Limburg , 10-12-2025 / ROE 24/3965
Wabo. Aanvraag omgevingsvergunning is buiten behandeling gelaten omdat ontbrekende stukken niet tijdig zijn ingediend. Verweerder heeft een termijn gesteld waarvan hij op voorhand al kon zien aankomen dat die niet zou worden gehaald. Toch buiten behandeling gesteld. Strijd met artikel 4:5 van de Awb.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/3965
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.R. Botman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een woning. De reden voor het buiten behandeling stellen van de aanvraag is dat eiser niet tijdig de gegevens heeft overgelegd waarom verweerder heeft gevraagd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de termijn van vijf weken die verweerder aan eiser heeft gegeven voor het aanleveren van de gegevens te kort is. Verweerder had de aanvraag om die reden niet buiten behandeling mogen stellen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 31 december 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een woning. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 februari 2024 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder – in afwijking van het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften en klachten (hierna: de commissie) – bij zijn beslissing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ingevolge deze bepaling kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

2. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3213) dient een hersteltermijn als hier aan de orde afgestemd te zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden gesteld alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag die eiser op 31 december 2023 bij verweerder heeft ingediend, onvoldoende gegevens en bescheiden bevatte voor een inhoudelijke beoordeling ervan. Verweerder heeft eiser op 5 januari 2024 een uitgebreide lijst met gegevens toegestuurd die nog ontbraken. Voor het aanleveren van deze gegevens heeft verweerder aan eiser een termijn van vijf weken gegeven.

4. Met eiser en de commissie in haar advies is de rechtbank van oordeel dat gelet op de hoeveelheid en de aard van de gevraagde gegevens, een termijn van vijf weken te kort was. Verweerder heeft gesteld dat die termijn niet te kort was, omdat eiser een professionele partij is en hij bij het indienen van de aanvraag al wist welke stukken ontbraken; dat was hem namelijk al op 1 juni 2023 als reactie op het principeverzoek medegedeeld. De rechtbank is van oordeel dat dit geen geldig argument is om een kortere termijn te stellen dan de termijn die nodig was om de aanvraag aan te vullen zoals die er op dat moment lag. De rechtbank herkent dat – zoals verweerder stelt – vlak voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet veel (onvolledige) aanvragen zijn ingediend. Het is begrijpelijk dat verweerder de daardoor oplopende werkvoorraad behapbaar wilde houden. Maar dat is geen geldig argument om een termijn te stellen waarvan verweerder al op voorhand kon zien aankomen dat die niet zou worden gehaald.

5. Over de beslissing van verweerder om vervolgens gebruik te maken van de mogelijkheid in artikel 4:5 van de Awb om de aanvraag buiten behandeling te laten, overweegt de rechtbank het volgende. Het standpunt van verweerder dat slechts sprake is van een schets herkent de rechtbank niet: de aanvraag bevat onder meer tekeningen van de woning met daarin afmetingen. Dat detailtekeningen ontbreken, maakt nog niet dat geen sprake is van een aanvraag waarop na aanvulling kan worden beslist. Ook het standpunt van verweerder dat in december 2023 is besloten om strakkere termijnen te hanteren, kan het bestreden besluit niet dragen, te meer niet nu eiser naar voren heeft gebracht dat voor een andere – vergelijkbare – aanvraag een veel ruimere termijn is gegeven. Daar komt bij dat niet gebleken is dat deze interne beslissing tevoren extern is gecommuniceerd, zodat ook een professionele partij als eiser daarop niet heeft kunnen anticiperen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank een te strakke termijn gesteld, en dat had voor verweerder aanleiding moeten zijn om buitenbehandelingstelling op dat moment achterwege te laten.

6. De conclusie is dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4:5 van de Awb. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het besluit van 13 februari 2024 te herroepen. Dit betekent dat de aanvraag van eiser weer open valt.

8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voorafgaand aan dat besluit zal verweerder eiser opnieuw in de gelegenheid moeten stellen de aanvraag aan te vullen. Het is aan verweerder om daarbij een termijn te stellen die afgestemd is op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden, en die zodanig is dat eiser in staat is alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop ervan aan verweerder aan te leveren.

9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar en beroep. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt in totaal € 3.108,-, namelijk € 1.294,- voor de bezwaarprocedure omdat de gemachtigde van eiser een bezwaarschrift heeft ingediend en aan de hoorzitting heeft deelgenomen, plus € 1.814,- voor de beroepsprocedure omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 9 juli 2024;

- herroept het besluit van 13 februari 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen over de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025

De griffier is verhinderd

rechter

de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 december 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen