Beroep ongegrond. Vergunning voor handelsreclame verleend. Voor vestigen en inpandig verbouwen sportschool geen vergunning vereist. Gebrek wegens ontbreken positieve weigering in dictum gepasseerd met artikel 6:22 Awb.
Rechtbank Limburg 6 February 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:1070
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-02-2026
Datum publicatie
06-02-2026
Zaaknummer
ROE 23/3789
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1070text/xmlpublic2026-02-06T15:45:352026-02-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-02-03ROE 23/3789UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLRoermondBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1070text/htmlpublic2026-02-06T15:44:432026-02-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:1070 Rechtbank Limburg , 03-02-2026 / ROE 23/3789 Beroep ongegrond. Vergunning voor handelsreclame verleend. Voor vestigen en inpandig verbouwen sportschool geen vergunning vereist. Gebrek wegens ontbreken positieve weigering in dictum gepasseerd met artikel 6:22 Awb.
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/3789
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F.Y. Gans), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld (gemachtigde: mr. M.H.L. Crens). Samenvatting 1. Eiseres exploiteert een snackbar aan [adres] te [plaats] . Aan de overzijde van haar onderneming is een sportschool gevestigd. De exploitant van deze sportschool (vergunninghouder) heeft voor drie activiteiten een omgevingsvergunning aangevraagd, te weten; het maken van handelsreclame, het gebouw verbouwen tot sportschool en het gebouw in gebruik nemen als sportschool. Het college heeft voor de activiteit ‘maken van handelsreclame’ een omgevingsvergunning verleend. Daarnaast heeft het college het standpunt ingenomen dat voor de andere twee aangevraagde activiteiten geen vergunning nodig is. Volgens eiseres is voor het vestigen en de inpandige verbouwing van de sportschool wel een vergunning nodig. Zij voert hiertegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het vestigen en de inpandige verbouwing van de sportschool vergunningvrij is. Om die reden heeft het college deze activiteiten niet hoeven te beoordelen. De rechtbank constateert daarbij dat het college niet expliciet op deze aanvragen heeft beslist. Dit gebrek passeert de rechtbank echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen de verleende vergunning voor het maken van handelsreclame zijn geen beroepsgronden aangevoerd. Daarom zal de rechtbank daar niet op ingaan. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het college heeft op 1 juni 2023 een vergunning verleend voor het maken van handelsreclame. In hetzelfde besluit heeft het college aangegeven dat voor het verbouwen en het in gebruik nemen van het gebouw als sportschool geen vergunning nodig is. 2.1. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit dat er geen vergunning nodig is voor het verbouwen en het in gebruik nemen van het gebouw als sportschool. Met de beslissing op bezwaar van 14 november 2023 (het bestreden besluit) is het college bij het standpunt gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een vergunning is ingediend op 1 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Weigering vergunningverlening voor het verbouwen en in gebruik nemen van het gebouw als sportschool. 4. De rechtbank stelt vast dat het college in het besluit van 1 juni 2023 alleen heeft beslist op het onderdeel van de aanvraag dat ziet op het maken van handelsreclame. Alleen voor deze activiteit is een vergunning verleend en het dictum van het besluit ziet alleen op deze activiteit. Het college heeft geen (expliciet) besluit genomen over de andere twee aangevraagde activiteiten: het vestigen van de sportschool en het intern verbouwen daarvan. Uit de motivering van het besluit van 1 juni 2023 blijkt wel dat het college zich op het standpunt stelt dat voor die activiteiten geen vergunning nodig is. 5. Volgens vaste rechtspraak geldt dat het bestuursorgaan, als voor een aangevraagde activiteit geen vergunningplicht bestaat, niet bevoegd is daarvoor een vergunning te verlenen. In dat geval moet het bestuursorgaan de aanvraag voor die activiteit afwijzen door middel van een positieve weigering. Dit betekent dat het dictum van het besluit duidelijk moet vermelden dat voor deze activiteiten geen vergunning wordt verleend omdat ze vergunningvrij zijn. Het expliciet opnemen van een positieve weigering in het dictum is van belang voor de rechtszekerheid van zowel de aanvrager als eventuele derde-belanghebbende(n). Alleen dan is duidelijk welke onderdelen van de aanvraag zijn geweigerd en kunnen belanghebbenden daartegen bezwaar of beroep instellen. Nu het college voor de twee aangevraagde activiteiten geen positieve weigering in het dictum heeft opgenomen, en dit niet heeft hersteld in het bestreden besluit, is het bestreden besluit op dit punt onvolledig en kleeft er een gebrek aan het bestreden besluit. Het college had deze onderdelen expliciet moeten afwijzen. 6. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres door dit gebrek niet is benadeeld. Het opnemen van een positieve weigering in het dictum had niet tot een andere uitkomst van de procedure geleid, omdat het college in de motivering van het besluit duidelijk heeft aangegeven dat en waarom voor deze twee activiteiten geen vergunning nodig is. Het is ook niet aannemelijk dat, mede gelet op de eventuele andere belanghebbende(n), iemand door deze schending in zijn rechtspositie is geschaad. Zowel voor de aanvrager als voor omwonenden was immers op basis van de motivering van het bestreden besluit duidelijk wat het standpunt van het college over deze activiteiten is. De rechtbank zal dit gebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. 7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank hierna de beroepsgronden van eiseres tegen het vestigen en het intern verbouwen van de sportschool afzonderlijk bespreken. Is voor het vestigen van de sportschool een vergunning nodig? 8. De rechtbank stelt vast dat het perceel waarop de sportschool is gevestigd, volgens het bestemmingsplan ‘Kernen gemeente Simpelveld’ (bestemmingsplan) de bestemming ‘Bedrijf’ heeft met de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’. In het bestemmingsplan staat dat deze gronden bestemd zijn voor bedrijven van categorie 1 en 2, zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, of bedrijven die qua milieueffecten daarmee gelijk te stellen zijn. 9. Eiseres stelt dat het vestigen van de sportschool niet vergunningvrij is, omdat een sportschool geen bedrijf van categorie 1 of 2 is volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten en ook niet gelijk te stellen is qua milieueffecten. 10. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteit ‘sportschool’ onder de definitie van ‘bedrijf’ valt zoals opgenomen in het bestemmingsplan, en dat deze activiteit niet voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Daarom moet de rechtbank beoordelen of het college de bedrijfsactiviteit ‘sportschool’ terecht qua milieueffecten heeft gelijkgesteld met bedrijven in categorie 1 of 2. De rechtbank is van oordeel dat de planregels vragen om een vergelijking van de milieubelasting tussen de bedrijfsactiviteit ‘sportschool’ en bedrijven uit deze categorieën. Het college heeft hiervoor gebruik gemaakt van de handreiking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genaamd ‘Bedrijven en milieuzonering’ (de handreiking). De rechtbank vindt dit passend, omdat deze handreiking duidelijk maakt welke milieubelasting en richtafstanden horen bij verschillende bedrijfsactiviteiten. Volgens de handreiking valt een sportschool onder milieucategorie 2. De rechtbank oordeelt daarom dat het gebruik van de gronden voor een sportschool past binnen de bestemming ‘Bedrijf’ van het bestemmingsplan. Dit gebruik is rechtstreeks toegestaan en dus vergunningvrij. Omdat geen vergunningplicht bestaat, hoefde het college geen belangenafweging te maken en hoefde het de aanvraag op dit punt niet verder te beoordelen. Is een vergunning vereist voor de inpandige verbouwing van de sportschool? 11. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een bouwwerk te bouwen of te verbouwen. Er zijn echter uitzonderingen voor bepaalde inpandige verbouwingen. Zo is geen vergunning nodig als het gaat om veranderingen aan een bestaand bouwwerk waarbij de draagconstructie, de brandcompartimentering of de beschermde subbrandcompartimentering niet worden aangepast en er geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume plaatsvindt. 12. Eiseres stelt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat de inpandige verbouwing van de sportschool vergunningvrij is. Volgens eiseres heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat aan de voorwaarden van vergunningvrij bouwen is voldaan. Eiseres betoogt dat mogelijk toch sprake is van aanpassingen waarvoor een vergunning vereist is. 13. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvraag en de overgelegde stukken blijkt dat de verbouwing uitsluitend betrekking heeft op interne wijzigingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de draagconstructie, de brandcompartimentering of de beschermde subbrandcompartimentering worden aangepast en er zijn ook geen aanwijzingen dat uitbreiding van de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume zal plaatsvinden. De rechtbank oordeelt daarom dat de voorgenomen verbouwing onder de uitzonderingen valt en vergunningvrij is. Het college heeft dit voldoende gemotiveerd. Eiseres stelt daarom ten onrechte dat het college de activiteit verder had moeten beoordelen. Discrepantie tussen aangevraagde situatie en feitelijke situatie 14. Eiseres voert aan dat de feitelijke situatie van de sportschool afwijkt van hetgeen in de aanvraag voor het vestigen van de sportschool is vermeld. Volgens eiseres heeft de sportschool meer leden en ruimere openingstijden dan in de aanvraag is aangegeven. Eiseres stelt dat het college daarom eerst onderzoek had moeten doen naar de feitelijke situatie, voordat werd beslist op de aanvraag. 15. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Doorslaggevend is dat het gebruik van de sportschool in dit geval vergunningvrij is. Dit betekent dat er geen vergunning is verleend waaraan voorschriften over ledenaantal of openingstijden kunnen worden verbonden of getoetst. Uit het bestemmingsplan volgt ook niet dat voor dit gebruik specifieke voorwaarden gelden, zoals openingstijden of een maximum aantal leden. Afwijkingen tussen de feitelijke situatie en de aanvraag zijn in deze procedure dus niet relevant, nu geen vergunningplicht bestaat en er om die reden geen voorschriften zijn overtreden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat voor het vestigen en het inpandig verbouwen van de sportschool geen vergunning is vereist. 16.1. Omdat de rechtbank vaststelt dat er sprake is van een gebrek en deze met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeert, moet het college wel het griffierecht ter hoogte van € 184,- en de proceskosten van eiseres vergoeden. Aan dit uitgangspunt ligt ten grondslag dat de eisende partij in deze gevallen beroep heeft moeten instellen om het betreffende gebrek in de besluitvorming te laten herstellen en daarvoor kosten heeft moeten maken. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor 1). De vergoeding voor de proceskosten in beroep bedraagt dan in totaal € 1.868,-. 16.2. De door eiseres gevraagde proceskosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het primaire besluit niet is herroepen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 1.868,-; bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 februari 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2024:131. De Staat van bedrijfsactiviteiten is opgenomen in Bijlage 1 van het bestemmingsplan. Dit volgt uit artikel 5.1.1, aanhef onder a, van het bestemmingsplan. Zie artikel 1.16 van het bestemmingsplan. Zie ‘Bedrijven en milieuzonering, handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk’ editie 2009, p. 186. Zie artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo Zie artikel 3, achtste lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.