Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:1460

Omgevingswet. Last onder dwangsom vanwege bijgebouw dat volgens het college in strijd met het omgevingsplan op het perceel aanwezig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onduidelijk waar het achtererfgebied begint en daarom of het bijgebouw vergunningvrij aanwezig is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Rechtbank Limburg 19 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:1460 text/xml public 2026-02-19T09:00:07 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-12 ROE 25/3114 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1460 text/html public 2026-02-12T11:34:39 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1460 Rechtbank Limburg , 12-02-2026 / ROE 25/3114
Omgevingswet. Last onder dwangsom vanwege bijgebouw dat volgens het college in strijd met het omgevingsplan op het perceel aanwezig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onduidelijk waar het achtererfgebied begint en daarom of het bijgebouw vergunningvrij aanwezig is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/3114
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2026 in de zaak tussen [naam] en [naam] , uit Arcen, verzoekers
(gemachtigde: mr. D.N. Lavain),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, het college
(gemachtigde: mr. E. Moors).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een last onder dwangsom die aan verzoekers is opgelegd wegens de aanwezigheid van een tuinhuis zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van de overtreding die aan de last onder dwangsom ten grondslag ligt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (verzoekster), tezamen met haar dochter [naam] , de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit

3. Verzoekers zijn eigenaar van het perceel plaatselijk bekend als [adres] in Arcen. Op 22 april 2025 heeft een gemeentelijke toezichthouder geconstateerd dat een bijgebouw (hierna: het tuinhuis) met een oppervlakte van 36 vierkante meter en een hoogte van 2,60 meter op het perceel aanwezig was, zonder dat daarvoor een bouwvergunning was verleend. Het tuinhuis steekt 3,47 meter uit voor de voorgevel van de woning. Eveneens op 22 april 2025 heeft de toezichthouder verzoekers een waarschuwingsbrief gestuurd waarin hen werd aangegeven dat het tuinhuis illegaal gebouwd was en dat het verwijderd of verplaatst moest worden naar het achtererfgebied.
3.1.
Op 22 september 2025 heeft het college vervolgens aan verzoekers het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege de aanwezigheid van het tuinhuis. Daarin heeft het college aan verzoekers aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan het eventueel legaliseren van de overtreding.
3.2.
Verzoekers hebben hun zienswijzen geuit tegen het voornemen van het college. Vervolgens heeft het college op 27 oktober 2025 met het bestreden besluit de aangekondigde last onder dwangsom aan verzoekers opgelegd. Volgens het college is het tuinhuis in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet op het perceel aanwezig. Het college heeft verzoekster gelast om uiterlijk 1 januari 2026 de overtreding te beëindigen. Doen verzoekers dit niet, dan verbeuren zij een dwangsom van € 800,- per week, tot een maximum van € 8.000,-.
3.3.
Verzoekers hebben tegen de last onder dwangsom bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Desgevraagd heeft het college aangegeven akkoord te gaan met het verlengen van de begunstigingstermijn tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Spoedeisend belang

4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter zal daarom eerst beoordelen of verzoekers een voldoende spoedeisend belang hebben.
4.1.
Het bestreden besluit betreft het verwijderen of verplaatsen van het tuinhuis op het perceel op straffe van een dwangsom waarvan de begunstigingstermijn verloopt na deze uitspraak. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, moeten verzoekers het tuinhuis afbreken of verplaatsen voordat er een beslissing is genomen op hun bezwaarschrift. Bij het uitblijven daarvan verbeuren zij een dwangsom. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.

Toetsingskader

5. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.

Is sprake van een overtreding?

6. Tussen partijen is allereerst in geschil of het tuinhuis in strijd met het omgevingsplan ‘gemeente Venlo’ (het omgevingsplan) aanwezig is op het perceel. In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
6.1.
Ingevolge de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt voor de toepassing van de wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, onder ‘omgevingsplanactiviteit’ verstaan:

activiteit, inhoudende:

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan”.
6.2.
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
6.3.
In artikel 22.27 van het omgevingsplan is bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 22.26, niet geldt voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op, voor zover relevant, een van de volgende bouwwerken:

a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. op de grond staand;

2. gelegen in achtererfgebied;

3. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4. niet hoger dan 5 meter;

5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

7. De discussie tussen partijen ten aanzien van de overtreding is gelegen in de vraag of het tuinhuis in het achtererfgebied is gelegen en daarmee, gelet op bovengenoemd artikel, vergunningvrij is.

8. In artikel 1.1, eerste lid, van het omgevingsplan is, voor zover hier van belang, bepaald dat begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn op hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Uit bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) blijkt dat onder “achtererfgebied” wordt verstaan, voor zover hier van belang: gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
8.1.
Uit dezelfde bijlage bij het Bbl blijkt verder dat onder “openbaar toegankelijk gebied” wordt verstaan: wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

9. Tussen partijen is in geschil of de weg [adres] als openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is moet worden aangemerkt. Volgens verzoekers is dat niet het geval, omdat deze weg niet te betreden is voor eenieder, maar alleen voor bewoners van het Villa Parc Arcen.
9.1.
Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen via Google Streetview en Google Maps het volgende vastgesteld. Het Villa Parc is van twee richtingen te benaderen. Aan de oostkant wordt het Villa Parc via de [adres] bereikt. De [adres] is openbaar toegankelijk en gaat over op de [adres] . De [adres] biedt toegang tot het Villa Parc. Bij de ingang van de [adres] is een toegangshek aanwezig. Voor dit hek staat een bord met de tekst ‘eigen weg’. Volgens verzoekers is het hek altijd dicht en moet er aangebeld worden via een intercom-systeem om toegang tot het Villa Parc te krijgen. Er is naast het toegangshek een fietspad aanwezig dat voor fietsers en voetgangers doorgang biedt. Aan de westkant van het Villa Parc is het vakantiepark Roompot gelegen. Vanuit deze richting is het Villa Parc alleen bereikbaar voor fietsers en voetgangers. Dit is geen doorgaande weg, maar een doorlopende weg.
9.2.
Op de [adres] is volgens verzoekers op de hoek van iedere zijweg, waaronder [adres] , een bord aanwezig waar de tekst ‘verboden toegang’ op is vermeld. Daarnaast is het onderhoud van [adres] in eigen beheer van verzoekers en de andere bewoners van de straat, hoewel de voorzieningenrechter daarbij opmerkt dat de eigendomssituatie in dit geval enkel als aanwijzing kan dienen en niet bepalend is voor de vraag of de straat voor publiek algemeen toegankelijk is of niet.
9.3.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat op het Villa Parc zelf geen beelden van Google Streetview raadpleegbaar zijn. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het college erkend niet ter plaatse geweest te zijn en niet te kunnen verklaren in hoeverre voornoemde omstandigheden juist zijn.

10. Gelet op deze verklaring van de gemachtigde van het college en de feiten en omstandigheden zoals haar nu bekend zijn, is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd geraakt dat de weg [adres] omschreven kan worden als openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is. Zij is daarom van oordeel dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zoals bedoeld in bijlage 1 van het Bbl. Door dit motiveringsgebrek is niet duidelijk geworden waar het achtererfgebied begint en of het tuinhuis daar deels of volledig op gevestigd is. Daarom is niet met zekerheid vast te stellen of het tuinhuis conform de uitzondering in artikel 22.27 van het omgevingsplan vergunningvrij, en daardoor niet in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan, op het perceel aanwezig is.
10.1.
Resumerend is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van een overtreding van het omgevingsplan. Zij ziet daarin reden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat het college op het bezwaar van verzoekers heeft beslist. Aan een bespreking van de overige gronden van het verzoek van verzoekers komt de voorzieningenrechter daarom niet toe.

Conclusie

11. Het verzoek wordt toegewezen. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat het college op het bezwaar van verzoekers heeft beslist. Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekers. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaan deze proceskosten uit een bedrag van € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht van € 194,00 aan hen dient te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat het college op het bezwaar van verzoekers heeft beslist;

veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.868,00;

bepaalt dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht van € 194,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 12 februari 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 februari 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen