Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:3254

Omgevingsvergunning opa en technische bouwactiviteit verbouwen en splitsen pand voor begeleide bewoning. Beroepsgronden grotendeels herhaling van bezwaargronden zonder motivering waarom weerlegging daarvan in beslissing op bezwaar onjuist zou zijn. Relativiteitsvereiste diverse voorschriften Bbl. Aannemelijkheidstoets brandveiligheid. Beroep ongegrond.

Rechtbank Limburg 15 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:3254 text/xml public 2026-04-15T16:25:04 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-08 ROE 25/288 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3254 text/html public 2026-04-15T16:24:18 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3254 Rechtbank Limburg , 08-04-2026 / ROE 25/288
Omgevingsvergunning opa en technische bouwactiviteit verbouwen en splitsen pand voor begeleide bewoning. Beroepsgronden grotendeels herhaling van bezwaargronden zonder motivering waarom weerlegging daarvan in beslissing op bezwaar onjuist zou zijn. Relativiteitsvereiste diverse voorschriften Bbl. Aannemelijkheidstoets brandveiligheid. Beroep ongegrond.
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/288
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. E.H.C.K. Reijans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, verweerder,

(gemachtigden: mr. N. van Bijnen en mr. C. Hazenbos).
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2024 (het primaire besluit 1) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit (een zogenoemde ‘opa’) ten behoeve van het verbouwen en splitsen van het pand aan de [adres] te [woonplaats] (het pand) ten behoeve van begeleide bewoning (de huisvesting van minderjarige en jongvolwassen statushouders).

Bij besluit van 15 augustus 2024 (het primaire besluit 2) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor een technische bouwactiviteit ten behoeve van het verbouwen van het pand.

Bij besluit van 17 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 heeft gemaakt, ongegrond verklaard en die besluiten onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. De omgevingsvergunningen zijn na 1 januari 2024 aangevraagd. Daarop is de Omgevingswet en onder meer het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van toepassing.

Het bestreden besluit

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar dat eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 heeft gemaakt onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften Gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: de commissie), ongegrond verklaard en die besluiten onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Verweerder heeft de aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit beoordeeld en de aanvraag in strijd bevonden met het verbod op woningsplitsing als bedoeld in artikel 20.1, onder m, van het Initieel Omgevingsplan Valkenburg aan de Geul 2022 (hierna: het omgevingsplan). Ter plaatse is wonen toegestaan (en was een bovenwoning aanwezig, zo bleek ter zitting) maar er mogen geen woningen worden toegevoegd. Omdat de begane grond ook een woonfunctie krijgt, wordt als het ware één woning toegevoegd volgens verweerder. Verweerder heeft daarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend omdat hij van mening is dat wordt voldaan aan de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij heeft verweerder de gevolgen van de huisvesting op de relevante aspecten beschreven en rekening gehouden met hetgeen het omgevingsplan ter plaatse rechtstreeks toelaat. Ten aanzien van de technische bouwactiviteit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat op basis van de door de vergunninghouder bij de aanvraag overgelegde stukken aannemelijk is dat aan de eisen aan verbouw, gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is voldaan.

De beroepsgronden over de aanvraag, belanghebbendheid van aanvrager en de procedure

3. Eiser heeft in beroep herhaald dat de aanvraag nietig is omdat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COA) exclusief bevoegd is. Dat is volgens eiser in strijd met het legaliteitsbeginsel en in strijd met Europees recht.

4. De rechtbank stelt vast dat deze gronden ook in bezwaar zijn aangevoerd en dat de commissie op die gronden heeft gereageerd. Die reactie houdt in dat de stelling feitelijk onjuist is en dat daarom van strijd met het legaliteitsbeginsel of met Europees recht geen sprake is. Dat de eigenaar van een pand een aanvraag als de onderhavige kan indienen, is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft aangegeven waarom de weerlegging van zijn stellingen onjuist of onvolledig is. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de reguliere procedure heeft gevolgd. Daartoe is gewezen op onder meer de artikelen 5.18, 16.55 en 16.66, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

6. De rechtbank stelt vast dat genoemd artikel 5.18 onjuist is geciteerd maar ook geen betrekking heeft op de te volgen procedure. Dat artikel gaat namelijk over de beoordelingsregels. Artikel 16.55 van de Omgevingswet gaat over aanvraagvereisten. Zoals de commissie en verweerder naar aanleiding van het bezwaar al hebben verduidelijkt, is in artikel 16.65 van de Omgevingswet geregeld wanneer afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Daarbij is toegelicht dat dit geen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval is waarin afdeling 3.4 van de Awb wordt gevolgd en dat dit geval ook niet hoefde te worden aangewezen. Verder heeft verweerder geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om op grond van het vierde lid, van artikel 16.65 van de Omgevingswet afdeling 3.4 van de Awb toe te passen. Aan het bepaalde in artikel 16.66 van de Omgevingswet wordt niet toegekomen. De rechtbank volgt verweerder in dat betoog. Verder heeft eiser ook deze grond in bezwaar al aangevoerd en in beroep herhaald zonder aan te geven waarom de weerlegging van zijn bezwaar onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.

De beroepsgronden over de omgevingsplanactiviteit

7. Eiser voert in beroep aan dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is en dat niet wordt voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Onder andere is in dit verband aangevoerd dat hier sprake is van een vorm van (tijdelijke) kamerbewoning die in strijd is met artikel 1.256 van het omgevingsplan. Verder heeft verweerder de aspecten geluid, verkeer en parkeren onjuist beoordeeld en is daarom ook met de belangen van omwonenden onvoldoende rekening gehouden, aldus eiser. Ook staat een privaatrechtelijke belemmering aan uitvoering van de omgevingsvergunning in de weg en heeft verweerder de participatieverplichting geschonden. Tevens betoogt eiser dat alternatieve mogelijkheden voor huisvesting van statushouders niet zijn onderzocht.

8. Deze gronden zijn grotendeels een herhaling van de bezwaargronden en daarop heeft verweerder inhoudelijk gereageerd. Eiser heeft in beroep niet concreet aangegeven waarom de weerlegging van zijn bezwaren onvolledig of onjuist is. De rechtbank overweegt in aanvulling daarop dat verweerder zich in navolging van de commissie terecht op het standpunt stelt dat het gebruik van het pand voor huisvesting van statushouders niet in strijd is met de geldende bestemming ‘Centrum’ met aanduiding ‘Overige zone – centrum’, ingevolge het omgevingsplan en het daarvan onderdeel uitmakende bestemmingsplan ‘Initieel omgevingsplan gemeente Valkenburg’. Ingevolge die bestemming is ter plaatse ‘wonen’ toegestaan en daarvan is geen definitie opgenomen. Dat ‘woning’ wel in het bestemmingsplan is gedefinieerd, betekent niet dat ter plaatse alleen wonen in woningen is toegestaan, zoals eiser kennelijk betoogt. De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit heeft dus terecht geen betrekking op het toestaan van gebruik van het pand in afwijking van het omgevingsplan voor bewoning door statushouders. Het omgevingsplan laat dat gebruik rechtstreeks toe (evenals overigens de voorheen in het pand aanwezige ‘Horeca van categorie 5’, waaronder kort gezegd wordt verstaan het verstrekken van recreatief nachtverblijf zoals in een hotel). De ruimtelijke gevolgen van bewoning zijn afgewogen bij het vaststellen van het omgevingsplan en dat ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Reeds op grond van het voorgaande slagen de beroepsgronden niet.

De beroepsgronden over de bouwtechnische activiteit

9. Eiser heeft in beroep herhaald dat hij zich ernstig zorgen maakt over de naleving van de brandveiligheidsvoorschriften. De tekeningen bieden volgens hem onvoldoende zekerheid. Verder heeft verweerder ten onrechte nagelaten een brandveiligheidsadvies in te winnen, aldus eiser. Verder heeft eiser aangevoerd dat ook onduidelijk is of aan de technische voorschriften op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu is voldaan.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser ter onderbouwing van zijn betoog wetsartikelen heeft geciteerd, die betrekking hebben op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Bouwbesluit 2012, waarbij (ten onrechte) is vermeld dat is geciteerd uit de toepasselijke Omgevingswet en het Bbl. Voor het brandveiligheidsadvies heeft eiser gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2012. Die uitspraak betreft echter een geheel andere situatie, namelijk een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer voor het veranderen van een rundveehouderij. Ter ondersteuning van de gronden over veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu heeft eiser gewezen op twee uitspraken van de Afdeling, die betrekking hebben op respectievelijk een buiten behandeling stelling van een verblijfsvergunning asiel en een afwijzing om handhavend op te treden tegen een metaalbewerkingsbedrijf. De rechtbank kan in die onderbouwing en verwijzingen geen steun vinden voor eisers standpunten.

11. De rechtbank overweegt ten aanzien van de gronden die betrekking hebben op de voorschriften in het Bbl over veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid dat het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb aan een eventuele vernietiging in de weg staat, nu die voorschriften kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eiser.

12. Bij de behandeling van het beroep ter zitting is besproken of verweerder op basis van de ingediende aanvraag aannemelijk heeft kunnen achten dat aan de brandveiligheidseisen uit het Bbl is voldaan. Het Bbl is de opvolger van het Bouwbesluit 2012 en zoals de commissie ook heeft vastgesteld, is het vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de toets aan het Bouwbesluit (thans Bbl) die verweerder moet uitvoeren, een aannemelijkheidstoets is. Verweerder komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken het aannemelijk is dat aan de voorschriften wordt voldaan. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval bij de aanvraag bouwtekeningen zijn gevoegd waarin de brandcompartimentering en de brandpreventie maatregelen zijn aangegeven. Deze tekening bevat voldoende gegevens voor een (aannemelijkheids)beoordeling van de brandveiligheid en is door de deskundige van verweerders gemeente beoordeeld. De conclusie van die beoordeling is in het primaire besluit 2 vermeld: daar staat dat de aanvraag is getoetst en dat in de aanvraag voldoende aannemelijk is gemaakt dat onder meer de (brand)veiligheid wordt gewaarborgd. In hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd vindt de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft kunnen achten dat aan de brandveiligheidseisen bij verbouw uit het Bbl wordt voldaan. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of tot terugbetaling van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026

de griffier is verhinderd rechter

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:116, r.o. 3.2.

Zie artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit.

In de regels kortheidshalve aangeduid als ‘centrum’.

ECLI:NL:RVS:2012:BX0291.

Uitspraak van 2 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:200 en van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:500.

Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:2024:3391, r.o. 10 e.v. en van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598.

Artikel delen