Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBLIM:2026:3367

Intrekking van in 2021 verleende omgevingsvergunning. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat er geen aanvang is gemaakt met de bouwactiviteiten en dit ook niet op afzienbare tijd alsnog zal gebeuren. Verweerder mocht aan het algemeen belang een zwaarder gewicht toekennen. Het beroep van eiser is ongegrond.

Rechtbank Limburg 16 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:3367 text/xml public 2026-04-16T07:00:21 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-09 ROE 25/2113 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3367 text/html public 2026-04-15T17:09:17 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3367 Rechtbank Limburg , 09-04-2026 / ROE 25/2113
Intrekking van in 2021 verleende omgevingsvergunning. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat er geen aanvang is gemaakt met de bouwactiviteiten en dit ook niet op afzienbare tijd alsnog zal gebeuren. Verweerder mocht aan het algemeen belang een zwaarder gewicht toekennen. Het beroep van eiser is ongegrond.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/2113
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de in 2021 verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een woning aan de [adres] te [plaats] . Deze omgevingsvergunning heeft verweerder ingetrokken, omdat er gedurende een lange periode geen gebruik werd gemaakt van de omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van 30 juli 2025 waarbij verweerder zijn bezwaar tegen de intrekking van de omgevingsvergunning ongegrond heeft verklaard. Eiser heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het algemeen belang en daarmee de omgevingsvergunning heeft mogen intrekken. Niet is gebleken dat er een aanvang is gemaakt met de vergunde bouwactiviteiten en ook niet is gebleken dat dit binnen afzienbare tijd nog zal gebeuren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de eerder aan eiser verleende omgevingsvergunning van 13 juli 2021 voor het bouwen van een woning aan de [adres] te [plaats] ingetrokken.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft aanvullende stukken van verweerder ontvangen.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [belanghebbende] (de dochter van eiser) en de gemachtigde van verweerder.

De rechtbank heeft, nadat het onderzoek ter zitting is gesloten, nog nadere stukken van eiser ontvangen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding tot heropening van het onderzoek en heeft deze nadere stukken daarom niet tot de stukken van het geding gerekend.
Overwegingen
Totstandkoming bestreden besluit

2. Verweerder heeft op 13 juli 2021 aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woning (hierna: de omgevingsvergunning) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.1.
Verweerder heeft het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning aan eiser kenbaar gemaakt. Eiser heeft hier zienswijzen tegen ingediend. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan wegens bijzondere omstandigheden eiser een termijn van één jaar gegeven om alsnog een aanvang met de vergunde activiteiten te maken. Eiser heeft vervolgens om nog verdere uitstel verzocht. Verweerder heeft hier geen medewerking aan verleend.
2.2.
Omdat de extra termijn van één jaar is verstreken en eiser volgens verweerder nog steeds geen aanvang heeft gemaakt met de vergunde activiteiten, heeft verweerder de omgevingsvergunning bij het primaire besluit, op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Ow en de beleidsregel ‘intrekken omgevingsvergunning activiteiten bouwen en omgevingsplanactiviteiten Venlo 2024’ (hierna: de beleidsregel), ingetrokken. Volgens verweerder zijn er geen nieuwe omstandigheden die het rechtvaardigen om af te wijken van de beleidsregel. Het blijft volgens verweerder onduidelijk wanneer eiser van plan is een aanvang te maken met de bouw. Eiser heeft de bouwkavel volgens verweerder al bijna drie jaar te koop staan, zodat niet blijkt dat er voornemens zijn om de woning te bouwen. Ook de financiële situatie van eiser toont dit volgens verweerder aan.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens verweerder blijkt uit een aantal controles dat er geen aanvang is gemaakt met het realiseren van de woning. Verweerder wijst daarbij erop dat het bouwen van een garage geen onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. De opdrachtverstrekking voor het realiseren van de fundering van de woning is door eiser ingetrokken, zodat met de fundering aldus verweerder geen aanvang is gemaakt. De intrekking is volgens verweerder redelijk en evenredig, omdat eisers belangen niet opwegen tegen de algemene belangen die worden gediend bij intrekking van de omgevingsvergunning.
2.4.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom beroep ingesteld.

Beoordeling

De hoorplicht

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoorcommissie tijdens de hoorzitting over zijn bezwaar tegen de intrekking heeft nagelaten zijn belangen mee te nemen en zich heeft beperkt tot het herhalen van eerder ingenomen standpunten. Volgens eiser is de commissie niet onafhankelijk van verweerder.
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt het horen door het bestuursorgaan zelf, de voorzitter of een lid ervan, door een persoon die niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest, of door meerdere personen waarvan de meerderheid niet betrokken is bij de voorbereiding van het besluit. Dit wordt ook wel een ‘ambtelijke hoorcommissie’ genoemd. Verweerder heeft ten behoeve van de beslissing op het bezwaar van eiser geen adviescommissie ingesteld zoals bedoeld in artikel 7:13 van de Awb, maar gebruik gemaakt van een ambtelijke hoorcommissie bestaande uit een voorzitter en één lid. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat zowel de voorzitter als het lid niet betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van de besluiten. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Voor een ambtelijke hoorcommissie als bedoeld in artikel 7:5 van de Awb is het niet noodzakelijk dat de leden onafhankelijk zijn zoals wel vereist is voor de voorzitter van een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Het argument van eiser dat de commissie niet onafhankelijk zou zijn en zijn belangen niet heeft meegenomen gaat daarmee niet op. Voor zover eiser zich heeft gericht tegen het niet meenemen van zijn belangen, komt dat hierna aan de orde.

Was verweerder bevoegd de omgevingsvergunning van 13 juli 2021 in te trekken?

4. De op 13 juli 2021 verleende omgevingsvergunning is verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Inmiddels geldt de Omgevingswet (hierna: de Ow). Uit artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat op dit geschil de Ow van toepassing is.
4.1.
In artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Ow is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit de periode van een jaar was verstreken en dat op dat moment geen activiteiten waren verricht met gebruikmaking van de vergunning. Eiser is van mening dat er wel degelijk een aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, omdat hij was begonnen met het bouwen van de garage en deze garage niet had kunnen bouwen zonder de omgevingsvergunning voor de woning. Eiser heeft hiertoe een startmelding gedaan. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet blijkt dat eiser een aanvang heeft gemaakt met de bouwwerkzaamheden, omdat het bouwen van de garage geen deel uitmaakt van de vergunde activiteiten. Daargelaten of het klopt dat bij de woning vergunningvrij een garage mag worden gebouwd, zoals partijen stellen, overweegt de rechtbank dat de vergunning niet op de bouw van die garage ziet.
4.2.
Verweerder was dus op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Ow bevoegd om de omgevingsvergunning in te trekken.

Is de besluitvorming in overeenstemming met het beleid?

5. Verweerder heeft ten behoeve van de beslissing of gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het intrekken van omgevingsvergunningen de beleidsregel opgesteld. In artikel 3 van de beleidsregel zijn vier criteria genoemd waaraan verweerder toetst om te bezien of een omgevingsvergunning wordt ingetrokken. De rechtbank overweegt als volgt over de toetsing door verweerder aan die criteria.

A) Zijn twee jaar verstreken?
5.1.
Allereerst dient er volgens artikel 3, onder a, van de beleidsregel een periode van minimaal twee jaar te zijn verstreken vanaf het moment waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, waarbij er geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden op 25 augustus 2021. Verweerder heeft op 15 mei 2025 het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning genomen, dus meer dan twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat aan het criterium van artikel 3, onder a, van de beleidsregel is voldaan.

B) Is er een aanvang gemaakt met de vergunde activiteiten?
5.2.
In artikel 3, onder b, van de beleidsregel is als criterium vermeld dat om intrekking te voorkomen een begin met de bouwwerkzaamheden/activiteiten en met de activiteiten op basis van het omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit) moet zijn gemaakt. Voorbereidende handelingen vallen volgens de beleidsregel hier niet onder, tenzij deze handelingen expliciet in de vergunning zijn opgenomen. Het storten van funderingen en andere constructieve handelingen, zijn bijvoorbeeld wel als het starten van bouwwerkzaamheden aan te merken, aldus de beleidsregel. Verweerder heeft vastgesteld dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit en het bestreden besluit geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Zoals hiervoor al is vermeld, slaagt het betoog van eiser dat er wel degelijk een aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, omdat hij was begonnen met het bouwen van de garage, niet nu het bouwen van de garage geen deel uitmaakt van de vergunde activiteiten. De rechtbank is verder niet gebleken van andere verrichte bouwwerkzaamheden die zien op de vergunde activiteiten, zodat geen aanvang is gemaakt. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat aan het criterium van artikel 3, onder b, van de beleidsregel is voldaan.

C) Was het aannemelijk dat binnen afzienbare tijd alsnog werd begonnen met de vergunde activiteiten?
5.3.
Ook hanteert verweerder volgens artikel 3, onder c, van de beleidsregel als criterium dat bezien dient te worden of het niet aannemelijk is dat binnen afzienbare tijd alsnog met vergunde activiteiten wordt begonnen, zodat een voldoende redelijk belang aanwezig is om de vergunning in te trekken. Onder afzienbare tijd wordt volgens de beleidsregel verstaan een periode van maximaal twaalf weken. Hierbij dient een belangenafweging te worden gemaakt. Het gaat dan volgens de beleidsregel om de belangen van de vergunninghouder en het algemeen belang. Bij het belang van de vergunninghouder gaat het om bijzondere omstandigheden die het belang van het in stand houden van de vergunning aantonen, zo is vermeld in de beleidsregel.
5.4.
Op basis van deze belangenafweging heeft verweerder – in reactie op de zienswijze over het voornemen tot intrekking – eiser één jaar verlenging gegeven om alsnog een aanvang te maken met de vergunde activiteiten. Ook dit jaar was ten tijde van het nemen van het primaire besluit verstreken zonder dat een aanvang was gemaakt met de omgevingsvergunning en zonder dat er concrete aanknopingspunten waren waaruit bleek dat alsnog binnen afzienbare tijd gebruik zou worden gemaakt van de omgevingsvergunning. Ook aan het criterium van artikel 3, onder c, van de beleidsregel is dus voldaan.

D) Had verweerder nog verder uitstel moeten verlenen?
5.5.
Indien uitstel is verleend en nog steeds geen aanvang is gemaakt met de bouwactiviteiten dan wordt een verzoek voor nog verdere uitstel strikter beoordeeld, zo is tot slot als criterium vermeld in artikel 3, onder d, van de beleidsregel. In de inleiding van de beleidsregel is vermeld dat verweerder het ongewenst acht dat vergunningen tot in het oneindige blijven voortbestaan zonder dat de vergunde rechten gebruikt worden en waarin de feitelijke situatie anders is dan de vergunde of planologische situatie. Volgens de beleidsregel is dit ongewenst, met name vanwege planologische, stedenbouwkundige en administratieve belangen, zoals de volgende belangen:

het voorkomen van een doorkruising van (nieuwe) planologische- en stedenbouwkundige inzichten door (bouw-)werkzaamheden die in het verleden zijn vergund, maar nog niet zijn gerealiseerd;

het borgen van nieuwe technische eisen (vaak voldoen oude omgevingsvergunningen voor een bouwactiviteit niet aan de nieuwste eisen);

het behouden en beheren van een actuele BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen);

het voorkomen van problemen bij taxaties in het kader van de WOZ (Waarde Onroerende Zaken) door het verschil tussen de feitelijke en planologische situatie te beperken of te voorkomen;

het gemeentelijk bouwarchief zo goed mogelijk overeen te stemmen met de feitelijke situatie buiten.
5.6.
Verweerder heeft op basis van de beleidsregel aan het algemeen belang een zwaarder gewicht gegeven dan aan de individuele belangen van eiser. Verweerder heeft daarbij onder het algemeen belang betrokken dat het bouwarchief en de Basisregistratie Adressen en Gebouwen administratief op orde moeten zijn. Verder wil verweerder voorkomen dat het planologisch beleid wordt doorkruist door niet gebruikte omgevingsvergunningen. Ook bleek ter zitting dat het algemeen belang voor verweerder ziet op het voorkomen van misbruik van vergunningen en moet zorgen voor gelijke behandeling, omdat andere niet gebruikte vergunningen ook worden ingetrokken. Het belang van eiser voor het behouden van de omgevingsvergunning ziet met name op het feit dat het intrekken van de omgevingsvergunning potentiële kopers van de kavel kan afschrikken en zorgt voor een waardevermindering van de kavel. Eiser geeft verder aan dat hij indien de financiële situatie verbetert zijn droomhuis alsnog op de kavel wil bouwen. Verder geeft eiser aan dat hij een heleboel kosten heeft gemaakt voor het indienen van de aanvraag, voor het realiseren van de garage en wellicht nog moet maken om de garage weer te slopen.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante belangen voldoende heeft geïnventariseerd en afgewogen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de kosten voor het realiseren van de garage en het eventuele slopen daarvan voor het intrekken van de omgevingsvergunning niet van belang zijn, omdat de garage geen onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning en er ook niet op grond van een intrekking van de omgevingsvergunning een verplichting ontstaat om de garage te verwijderen. De rechtbank merkt daarbij op dat het eisers eigen beslissing is geweest om de garage te bouwen. De rechtbank begrijpt dat eiser de omgevingsvergunning wil behouden omdat de kavel minder waard is zonder omgevingsvergunning en om niet opnieuw een aanvraag voor een omgevingsvergunning te hoeven indienen op het moment dat zijn financiële situatie is verbeterd. De rechtbank is echter van oordeel dat het niet onevenredig is dat verweerder aan het algemeen belang een zwaarder gewicht heeft toegekend dan aan de belangen van eiser.
5.8.
De slotsom is dat de besluitvorming naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming is met de beleidsregel. Verweerder mocht dus op grond van de beleidsregel gebruik maken van zijn bevoegdheid om de omgevingsvergunning in te trekken.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Verweerder mocht beslissen om de aan eiser verleende omgevingsvergunning in te trekken. Het beroep van eiser is ongegrond. Hij krijgt daarom zijn griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van mr. K.J.M. Thelen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 9 april 2026

griffier

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen