Tussenuitspraak. Het college krijgt een herstelmogelijkheid om met een geluidsmeting te onderbouwen dat geen sprake is van een overschrijding van het toegestane geluidsniveau van de airco-unit ter plaatse.
Rechtbank Midden-Nederland 20 February 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2024:7802
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2026
Datum publicatie
20-02-2026
Zaaknummer
UTR 24/619 en UTR 24/620
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBMNE:2024:7802text/xmlpublic2026-02-20T12:45:052026-02-18Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2024-12-18UTR 24/619 en UTR 24/620UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7802text/htmlpublic2026-02-20T12:43:302026-02-20Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2024:7802 Rechtbank Midden-Nederland , 18-12-2024 / UTR 24/619 en UTR 24/620 Tussenuitspraak. Het college krijgt een herstelmogelijkheid om met een geluidsmeting te onderbouwen dat geen sprake is van een overschrijding van het toegestane geluidsniveau van de airco-unit ter plaatse.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 24/619 en UTR 24/620 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2024 in de zaken tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres (gemachtigde: T.I. van Stelten), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: B.M. Plat). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder] , de vergunninghouder. Inleiding Eiseres woont in een appartementencomplex aan [adres 1] in [plaats] . De buurvrouw van eiseres, bewoner van [adres 2] , heeft op het inpandige balkon aan de achterzijde van de woning een airco-unit geplaatst. De airco-unit wordt gebruikt voor het koelen en verwarmen van de woning. Op het perceel is het bestemmingsplan ‘De Engh’ van toepassing. Op het perceel rust de bestemming ‘wonen’. Op 8 juni 2022 heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend ten aanzien van de airco-unit op het perceel [adres 2] in [plaats] . Op 22 juni 2022 is er door het college een huisbezoek aan [adres 1] afgelegd, maar op dat moment stond de airco uit en kon er daarom geen geluidsoverlast worden waargenomen. Op 8 februari 2023 heeft het college het voornemen gedaan om het verzoek om handhaving te weigeren. Eiseres heeft hiertegen op 24 maart 2023 een zienswijze ingediend. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft de vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om de geplaatste airco-unit te legaliseren. Bij besluit van 13 februari 2023 (het primaire besluit in de zaak met zaaknummer UTR 24/619) heeft het college van rechtswege een vergunning verleend voor het plaatsen van een airco-unit op het balkon aan de achterzijde van de woning op het perceel [adres 2] in [plaats] . Bij besluit van 10 mei 2023 (het primaire besluit in de zaak met zaaknummer UTR 24/620) heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres over de airco-unit bij [adres 2] in [plaats] gedeeltelijk afgewezen. Bij besluit van 20 december 2023 (het bestreden besluit in de zaak met zaaknummer 24/620) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij besluit van 21 december 2023 (het bestreden besluit in de zaak met zaaknummer 24/619) heeft het college het bezwaar van eiseres eveneens ongegrond verklaard. Het college heeft het besluit van 13 februari 2023 in stand gelaten onder de voorwaarde dat de buitenunit ten alle tijden op de silent modes-nachtstand moet staan en dat de airco-unit tot maximaal 25 graden mag verwarmen. Eiseres heeft vervolgens in beide zaken beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De vergunninghouder heeft op 17 juni 2024 een reactie ingediend. Op 9 juli 2024 heeft eiseres aanvullende gronden ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen. Bij brief van 19 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend ten behoeve van het opvragen van een reactie aan de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (OFGV). Op 26 augustus 2024 heeft het college de reactie van de OFGV van 22 augustus 2024 ingediend. De derde-partij heeft op 30 augustus 2024 een reactie ingediend en op 9 september 2024 een reactie van [deskundige 1] ingediend. Op 2 september 2024 is door het college nog een korte reactie van de OFGV op de reactie van de derde-partij ingediend. Eiseres heeft hier op 19 september 2024 op gereageerd. Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna op 18 november 2024 het onderzoek (opnieuw) gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het beroep met zaaknummer UTR 24/620 (het handhavingsverzoek)
Het overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum het handhavingsverzoek is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet. Het geschil
2. Eiseres ervaart geluidsoverlast als gevolg van de plaatsing van de airco-unit. Zij heeft een handhavingsverzoek ingediend, omdat er volgens haar sprake is van een overtreding. 3. Volgens het college is het niet aannemelijk dat de airco-unit een te grote geluidsbelasting oplevert voor eiseres. Omdat het plaatsen van een geluiddempende omkasting voor dit type airco-unit in de praktijk (technisch/praktisch) moeilijk uitvoerbaar is, heeft het college in het bestreden besluit gekozen om een uitvoerbare voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden om het doel van geluidsreductie te bereiken. Volgens het college is de airco-unit gezien de omvang een ondergeschikt bouwdeel en hoeft het daarom bij het bepalen van de bouwhoogte niet te worden meegenomen. De airco-unit die voor woondoeleinden gebruikt wordt, past qua gebruik- en bebouwingsvoorschriften in het bestemmingsplan. Verder voldoet de airco-unit volgens het college aan de redelijke eisen van welstand. Wat vindt de rechtbank?
Het toetsingskader
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de airco-unit na 1 april 2021 is geplaatst. De normen uit het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) zijn daarom van toepassing op deze zaken. Daarnaast is niet in geschil dat aan artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit getoetst moet worden. 5. Op grond van artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit mag een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB veroorzaken, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai. De geluidsbelasting
6. Eiseres voert aan dat er sprake is van een overtreding van artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit, omdat de norm van 40 dB door de airco-unit wordt overschreden. 7. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een overschrijding van de geluidsnormen van het Bouwbesluit. Het college baseert zich hiervoor op de geluidsberekening die is uitgevoerd door de Omgevingsdienst Flevoland Gooi en Vechtstreek (OFGV) volgens de meetinstructie van het Bouwbesluit. 8. Eiseres heeft in bezwaar deze geluidsberekeningen van de OFGV laten beoordelen. De door eiseres ingeschakelde deskundige A.C. Barten van [deskundige 2] concludeert in het rapport van 15 mei 2023 dat eiseres wel degelijk geluidshinder kan ondervinden van de airco-unit en dat te verwachten is dat de normstelling van 40 dB wordt overschreden. Verder staat in het rapport dat gelet op de opstelling van de airco-installatie en de optredende reflecties, het berekeningsresultaat slechts als indicatief kan worden beschouwd en het de voorkeur heeft om de daadwerkelijke geluidsbelasting ter plaatse met een geluidsmeting vast te stellen. 9. Op 26 november 2023 heeft het door de derde-partij ingeschakelde [deskundige 1] geprobeerd om ter plaatse een geluidsmeting te verrichten. Volgens het [deskundige 1] was de geluidsmeting niet uit te voeren vanwege omgevingsstoorgeluiden en meetonzekerheden. Wel voert het [deskundige 1] een berekening uit, waaruit volgt dat het geluidsniveau ter plaatse van de woning van eiseres gelet op de afstand tussen de unit en het eerste meetreferentiepunt (openslaand raam) circa 29 dB is. 10. Eiseres betwist de bevindingen van het [deskundige 1] en de legitimiteit, de objectiviteit en de onafhankelijkheid van het verrichte onderzoek. Eiseres voert verder aan dat met de aan de vergunning verbonden voorwaarde niet gegarandeerd kan worden dat de overlast wordt weggenomen. 11. De rechtbank stelt vast dat partijen met elkaar van mening verschillen over de wijze waarop de geluidsbelasting moet worden vastgesteld. Het college stelt zich op het standpunt dat hij uit kan gaan van de bevindingen van de OFGV, die zijn gebaseerd op akoestische berekeningen. Eiseres voert daartegen aan dat er een feitelijke geluidsmeting moet worden uitgevoerd om vast te kunnen stellen of sprake is van een overtreding. 12. Hoewel in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat niet kan worden afgegaan op akoestische onderzoeken waarbij de geluidbelasting niet is gemeten maar berekend, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is van een overschrijding van normstelling uit het Bouwbesluit. De rechtbank legt dat hierna uit. 13. De rechtbank constateert dat de OFGV in de brief van 19 juli 2023 aangeeft dat alleen uit een geluidsmeting conform bijlage VIII van de Regeling Bouwbesluit kan blijken of daadwerkelijk aan artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit wordt voldaan. De OFGV geeft daarbij aan dat een geluidsmeting alleen kans van slagen heeft als: De eigenaar van de airco-unit meewerkt; Het stoorgeluid lager is dan de geluidsnorm in artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit; De bewoners van de naast/ondergelegen woningen toestaan dat een geluidsmeting bij de betreffende woningen wordt uitgevoerd. 14. De rechtbank heeft – mede gelet op de inhoud van deze brief van de OFGV – om een reactie gevraagd aan de OFGV over de geluidsmeting die is getracht om uit te voeren door het [deskundige 1] en heeft daarbij diverse vragen gesteld. 15. In de brief van 22 augustus 2024 staat dat de OFGV van mening is dat een geluidmeting met bruikbare meetresultaten, afhankelijk van de weersomstandigheden, in de nachtperiode (nog steeds) mogelijk is. Ten aanzien van de door het [deskundige 1] uitgevoerde meting wordt opgemerkt dat deze heeft plaatsgevonden om 7:54 uur. Aanwezigheid van vogels en andere activiteiten kan op dat tijdstip stoorgeluid veroorzaken. Een geluidmeting in de nachtperiode bij weinig wind en geen neerslag leidt volgens de OFGV wel tot een resultaat waarmee beoordeeld kan worden of aan artikel 3.9, tweede lid, van het Bouwbesluit kan worden voldaan. 16. De OFGV merkt verder op dat de berekening en het resultaat van het [deskundige 1] afwijkt van de berekening die door de OFGV is gedaan. De OFGV heeft de berekening uitgevoerd overeenkomstig de handreiking van de rekentool, opgesteld door LBP Sight in opdracht van het Ministerie van BZK. Overeenkomstig het handhavingsverzoek staat bij [adres 2] een buitenunit opgesteld van het merk/type Mitsubishi model SCM45ZS-W. Overeenkomstig de productinformatie van de buitenunit bedraagt het bronvermogen 65 dB. Dit heeft geen invloed op de conclusie dat uit de berekening blijkt dat bij nummer [nummer 1] voldaan zal worden aan artikel 3.9 van het Bouwbesluit. De OFGV merkt wel op dat de geluidberekening een indicatie geeft over het voldoen aan de norm. Uit een geluidmeting moet daadwerkelijk blijken of aan de norm wordt voldaan. Verder gaat het [deskundige 1] uit van een bronvermogen van 47 dB. Er is dus niet uitgegaan van het juiste bronvermogen maar van een bronvermogen van 18 dB lager. Vervolgens houdt de berekening van het [deskundige 1] alleen rekening met de geometrische afname van het geluid, maar niet met reflecties van gevel- en bodemvlakken achter en onder de buitenunit en ook niet met afscherming. 17. De OFGV concludeert verder dat de aanwezigheid van stoorgeluid afhankelijk is van meerdere factoren. Een situatie met zo weinig mogelijk stoorgeluid is de nachtperiode waarbij sprake is van weinig wind en geen neerslag. Het is volgens de OFGV daarom aan te bevelen om geluidmetingen uit te voeren waarbij lage geluidniveaus worden verwacht in de nachtperiode bij weinig wind en geen neerslag. Het verwachte geluidniveau bij volle belasting van de buitenunit bij de woning [adres 1] bedraagt overeenkomstig de berekening van OFGV, rekening houdend met een bronvermogen van 65 dB, 45 dB. Bij een stoorgeluid met een hoogte van [nummer 2] -38 dB, zoals is gemeten op 26 november 2023 zou het geluid van de buitenunit bij de woning [adres 1] bij volle belasting meetbaar en hoorbaar moeten zijn. 18. De rechtbank stelt voorop dat het aan het college is om naar aanleiding van een verzoek om handhaving onderzoek te doen naar de gestelde overtreding. Er geldt een onderzoeksplicht. In artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit is opgenomen dat het geluidsniveau van een airco-unit wordt gemeten met behulp van de Handleiding. Zoals de OFGV ook opmerkt, wordt volgens deze Handleiding bij bestaande situaties de voorkeur gegeven aan een directe meting van de geluidsemissie. Tenzij sprake is van een van de in de Handleiding genoemde redenen. In antwoord op de door de rechtbank gestelde vragen heeft de OFGV aangegeven dat een meting – ondanks de door de [deskundige 1] “mislukte meting” – naar het oordeel van de OFGV nog steeds mogelijk moet zijn. 19. Onder die omstandigheden had het college in de besluitvorming niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de berekening van de geluidsbelasting door de OFGV. Door alleen uit te gaan van akoestisch onderzoek waarbij de geluidbelasting is berekend, kan gelet op het voorgaande niet worden uitgesloten dat er in dit geval nog steeds bij feitelijke meting sprake is van een overschrijding van de grenswaarden van het Bouwbesluit. Hiervoor bestaat in dit geval te meer aanleiding nu in het rapport van [deskundige 2] van eiseres wordt geconcludeerd dat niet aan deze grenswaarden wordt voldaan. 20. De nadere reactie van de derde-partij over de gemeten afstand tussen de airco-unit en het eerst geopende raam bij eiseres, en de reactie hierop van de OFGV maakt het voorgaande niet anders. Dit blijft immers een berekening en betreft geen geluidsmeting. Bovendien blijkt uit de reactie van de OFGV niet dat zij vanwege deze nadere gegevens het eerdere standpunt verlaten dat het uitvoeren van een geluidsmeting het uitgangspunt is om vast te kunnen stellen of de geluidsnormen uit het Bouwbesluit worden overschreden. Uit het dossier blijkt verder ook niet wat het geluidsbelasting in de nachtmodes is en wat het geluidsbelasting is bij het verwarmen tot maximaal 25 graden is, zoals ook wordt opgemerkt in het advies van [deskundige 2] . 21. Nu er geen duidelijkheid bestaat over de daadwerkelijke geluidsbelasting en ook namens de OFGV is gesteld dat een geluidsmeting ter plaatse uitsluitsel kan geven, lag het op de weg van het college om in het kader van zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming er zorg voor te dragen dat een geluidsmeting werd uitgevoerd. Bovendien zal een geluidsmeting partijen ook duidelijkheid geven wat de daadwerkelijke geluidsbelasting is van de unit ter plaatse van de woning eiseres. Gelet hierop kleeft aan het besteden besluit een zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep met zaaknummer UTR 24/619 22. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep met zaaknummer UTR 24/619 niet toe, omdat in de handhavingszaak met zaaknummer UTR 24/620 (nog) niet is gebleken of aan de geluidsnormen uit het Bouwbesluit kan worden voldaan en de rechtbank eerst uitsluitsel hierover wenst. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing over de zaak UTR 24/619 aan. Dat betekent dat zij over de vraag of de door het college van rechtswege verleende vergunning voor het plaatsen van een airco-unit op het balkon aan de achterzijde van de woning op het perceel [adres 2] te [plaats] stand kan houden, nu nog geen beslissing neemt. Hoe nu verder?
23. Gelet op het voorgaande is er sprake van een gebrek in het bestreden besluit in de zaak met zaaknummer UTR 24/620. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. 24. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen zal het college met inachtneming van deze uitspraak alsnog toereikend moeten onderbouwen dat er geen sprake is van een overschrijding van het toegestane geluidsniveau ter plaatse en dat er daarmee aan artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit wordt voldaan. Daarvoor is in ieder geval een geluidsmeting nodig waaruit volgt dat het geluidsniveau het niveau van 40 dB(A) ter plaatse van de woning van eiseres niet wordt overschreden. De rechtbank geeft het college hierbij in overweging om goed te kijken naar de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning van 13 februari 2023 verbonden zijn, omdat deze mogelijk lastig handhaafbaar zijn. Daarbij komt dat indien bij een maximaal vermogen van de airco-unit wordt voldaan aan de geluidsnormering uit het Bouwbesluit, het opnemen van dergelijke voorwaarden niet nodig zijn. 25. Het college krijgt twaalf weken na de verzenddatum van deze tussenuitspraak om het gebrek te herstellen. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. 26. De rechtbank wijst eiseres en de derde-partij er op dat, indien het college gebruik maakt van de herstelpoging en een geluidsmeting laat uitvoeren, zij volledig moeten meewerken aan de geluidsmeting zonder dat daarbij de ruimte bestaat om standpunten uit te wisselen over de uitgangspunten van de geluidsmeting. Dit valt immers onder de expertise van de deskundige die de geluidsmeting zal gaan uitvoeren. 27. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de rechtbank eiseres en de derde-partij in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 28. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden die reeds zijn aangevoerd, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. 29. De rechtbank houdt in beide zaken iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: draagt het college op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in de zaak met zaaknummer UTR 24/620 te herstellen; stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de zaak met zaaknummer UTR 24/620 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; houdt iedere verdere beslissing in beide zaken aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Zoals dat artikellid gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Berekening geluid airco [adres 2] en [nummer 2] in [plaats] , verzenddatum 3 februari 2023. Zie e-mailbericht van [deskundige 1] van het [deskundige 1] . Brief van de rechtbank van 18 juli 2024 tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3602.