Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2025:5410

MK. Tussenuitspraak. Gedeputeerde staten van de provincie Utrecht hebben een omgevingsvergunning verleend voor het beschadigen en vernielen van essentieel foerageergebied van de das aan het 1e Heezerlaantje in Soest. Deze omgevingsvergunning is nodig om geplande woningbouw op het perceel mogelijk te maken. Omwonenden zijn het hier niet mee eens, omdat zij het belangrijk vinden dat de leefomgevi...

Rechtbank Midden-Nederland 31 December 2025

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2025:5410 text/xml public 2025-12-31T09:33:50 2025-10-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-14 UTR 25/2876-T Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5410 text/html public 2025-12-31T09:30:50 2025-12-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:5410 Rechtbank Midden-Nederland , 14-10-2025 / UTR 25/2876-T
MK. Tussenuitspraak. Gedeputeerde staten van de provincie Utrecht hebben een omgevingsvergunning verleend voor het beschadigen en vernielen van essentieel foerageergebied van de das aan het 1e Heezerlaantje in Soest. Deze omgevingsvergunning is nodig om geplande woningbouw op het perceel mogelijk te maken. Omwonenden zijn het hier niet mee eens, omdat zij het belangrijk vinden dat de leefomgeving van de das in stand blijft. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende deugdelijk hebben gemotiveerd dat het verlenen van de omgevingsvergunning noodzakelijk is in verband met de lokale behoefte aan woningbouw (een dringende reden van groot openbaar belang). Gedeputeerde staten hebben ook onvoldoende gemotiveerd waarom het nodig is om de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de besluitvorming is ten slotte ook onvoldoende betrokken of er andere bevredigende oplossingen zijn die geen of een minder ingrijpende aantasting van het essentieel leefgebied van de das veroorzaken. De rechtbank stelt gedeputeerde staten in de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2876 -T
<?linebreak?>tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen
1. [eiser sub 1], en

2. [eiser sub 2],

beiden uit [woonplaats] ,

samen eisers,

(gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.),

en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Aperloo).

Als derde partij neemt aan de zaak deel: Wonen à la Carte B.V. (vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus).

Partijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd.
Inleiding
1. Vergunninghoudster is eigenaar van het perceel aan het [perceel] in Soest (het plangebied). Het plangebied wil vergunninghoudster gebruiken voor het ontwikkelen van vijf woningen, namelijk vier twee-onder-één-kap villa’s en één vrijstaande villa. Hiervoor is in 2021 een bestemmingsplan vastgesteld dat sinds maart 2022 onherroepelijk is. Tijdens de bezwaarprocedure tegen de in september 2022 verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen werd bekend dat de das gebruik maakt van het plangebied als foerageergebied. Door vergunninghoudster is daarom op 29 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (de omgevingsvergunning) voor het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026.

2. Met het besluit van 15 augustus 2024 (het primaire besluit) hebben gedeputeerde staten aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend. Met het besluit van 24 oktober 2024 hebben gedeputeerde staten het primaire besluit gewijzigd, in die zin dat dat een aanvullend voorschrift 12 is opgenomen. Eisers zijn het niet eens met het (gewijzigde) primaire besluit en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Zij wonen dichtbij het plangebied en hechten onder andere waarde aan het behouden van het leefgebied van de das in hun directe omgeving. Op advies van de Awb-adviescommissie hebben gedeputeerde staten het bezwaar met de beslissing op bezwaar van 1 april 2025 gedeeltelijk gegrond verklaard. Met het besluit van gelijke datum hebben gedeputeerde staten het (gewijzigde) primaire besluit ingetrokken en een nieuwe omgevingsvergunning verleend tot en met 30 september 2026, die is voorzien van een nadere motivering.

3. Eisers zijn het niet eens met de beslissing op bezwaar van 1 april 2025. Zij hebben hiertegen daarom bij de rechtbank beroep ingesteld. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer UTR 25/2876. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, omdat aannemelijk was dat vergunninghoudster binnen korte tijd zou starten met (voorbereidende) werkzaamheden in het plangebied. Dit zou leiden tot onomkeerbare aantasting van het leefgebied van de das. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer UTR 25/4271.

4. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn behandeld op de zitting van 4 september 2025. Eisers waren hierbij aanwezig. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [A] (vergunningverlener bij gedeputeerde staten). Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] (algemeen directeur), ir. [C] (ontwikkelaar) en door haar gemachtigde.

5. Tijdens de zitting heeft vergunninghoudster toegezegd om te wachten met starten met (voorbereidende) werkzaamheden in het plangebied tot twee weken na het verstrijken van de uitspraaktermijn van de rechtbank in de beroepszaak. Dit betekent dat vergunninghoudster tot 29 oktober 2025 zal wachten met het verrichten van (voorbereidende) werkzaamheden in het plangebied. Daarop hebben eisers hun verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting ingetrokken.
Belanghebbendheid en relativiteit
6. De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve te beoordelen of eisers als belanghebbenden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt in deze procedure en mede naar aanleiding van de reactie van vergunninghoudster of het relativiteitsvereiste mogelijk in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

7. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder ’belanghebbende’ verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de ruimtelijke uitstraling van een project dat met een soortenbeschermingsontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) mogelijk wordt gemaakt, bij de beoordeling van de belanghebbendheid niet van belang is. Bepalend is of de handeling waarvoor de ontheffing is verleend, een ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de eisers. In beginsel is sprake van een ruimtelijke uitstraling op de woon- en leefomgeving als sprake is van een geringe afstand tussen de woon- en leefomgeving en het (te ontwikkelen) project waarvoor de ontheffing nodig is. De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eisers door het bestreden besluit dreigen te worden geraakt. In deze zaak beroepen eisers zich als natuurlijke personen op bepalingen uit de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) die strekken tot de bescherming van diersoorten, in dit geval de das, en hun voortplantings- en rustplaatsen. In beginsel beroepen eisers zich dus op wettelijke bepalingen die niet zijn gericht op de bescherming van hun belangen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven kunnen zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen uit de Wnb niet strekken tot bescherming van de belangen van omwonenden. Bij beoordeling van die verwevenheid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning en het plangebied waarop de activiteiten voorzien zijn.

8. De rechtbank overweegt dat deze rechtspraak ziet op het voorheen geldende toetsingskader voor soortenbescherming onder de Wnb, maar dat de uitgangspunten in deze rechtspraak ook toepasbaar zijn op de gelijkluidende bepalingen over soortenbescherming in de Omgevingswet en bijbehorende wetten die in deze zaak van toepassing zijn.

9. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt en staat de relativiteit als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb niet in de weg aan de beoordeling van het beroep van eisers. Voor beide eisers geldt immers dat de afstand van hun woning tot het plangebied minder dan 50 meter is. Vanwege deze geringe afstand is het aannemelijk dat de flora- en fauna-activiteit ruimtelijke uitstraling heeft op het woon- en leefgebied van eisers. De geringe afstand leidt ook tot de conclusie dat kan worden aangenomen dat het belang van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven is met de algemene belangen die de Omgevingswet en het Bal beogen te beschermen dat kan worden geoordeeld dat eisers zich ook als natuurlijke personen kunnen beroepen op bescherming tegen de aantasting van deze algemene belangen. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep van eisers.
Toetsingskader
10. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de flora- en fauna-activiteit geïntroduceerd. Dat is iedere activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten te verrichten die in het Bal zijn aangewezen. Uit artikel 11.54, eerste lid, onder a en b, van het Bal volgt – kort samengevat – dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de das opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

11. Het plangebied wordt door de das gebruikt als foerageergebied. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een foerageergebied van beschermde soorten in beginsel niet beschermd is, zodat voor de aantasting daarvan geen omgevingsvergunning nodig is. Dit is alleen anders als het gaat om essentieel foerageergebied. Dit is foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats en er geen alternatieve foerageergebieden zijn.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat het plangebied essentieel foerageergebied van de das betreft. De door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit ziet daarom op het opzettelijk vernietigen of beschadigen van essentieel foerageergebied van de das voor de periode tot en met 30 september 2026.

13. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, zoals bedoeld in artikel 11.54, van het Bal wordt alleen verleend als er geen andere bevredigende oplossing is, de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en als de activiteit noodzakelijk is in het licht van bepaalde doelen. Dit volgt uit artikel 8.74l, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 8.74l, eerste lid onder b, van het Bkl is een limitatieve opsomming gegeven van de doelen die kunnen dienen als noodzaak voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Beoordeling door de rechtbank
De noodzaak

Dwingende reden van groot openbaar belang

14. Gedeputeerde staten hebben aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat deze noodzakelijk is in het kader van een dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. De dwingende reden van groot openbaar belang is volgens gedeputeerde staten gelegen in de lokale behoefte aan woningbouw. Gedeputeerde staten hebben daarbij gewezen op de woningnood in de provincie Utrecht in het algemeen, maar ook op de urgente woningbehoefte in de regio Soest in het bijzonder. Volgens gedeputeerde staten kan de realisatie van deze vijf woningen daaraan bijdragen. Ter onderbouwing hebben gedeputeerde staten gewezen op het Woningmarktonderzoek 2023-2040 van 26 september 2023 van [adviesbureau 1] en het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg van 31 oktober 2023 van [adviesbureau 2] , waaruit volgt dat in de gemeente Soest ook behoefte is aan woningen in het hogere marktsegment.

15. Eisers voeren aan dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gemotiveerd dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang om in deze zaak een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Volgens eisers hebben gedeputeerde staten in de besluitvorming ten onrechte volstaan met een algemene verwijzing naar het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg, maar hebben zij niet inzichtelijk onderbouwd dat behoefte is aan grondgebonden koopwoningen in het hoge marktsegment. Ook is daarmee niet onderbouwd dat de beoogde woningbouw kan bijdragen aan de kwantitatieve woningbehoefte in de regio. Eisers wijzen verder op het Woningmarktonderzoek 2023-2040 van [adviesbureau 1] . Daaruit blijkt volgens eisers dat de uitbreidingsbehoefte aan duurdere grondgebonden woningen juist beperkt is en dat op termijn een risico bestaat op overschot van dit type woningen.

16. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat een dringende behoefte aan woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Dit volgt ook uit de rechtspraak van de Afdeling die ziet op het voorheen geldende soortenbeschermingsregime uit de Wnb en de Flora- en Faunawet. Verder is het algemeen bekend dat er landelijk, regionaal en lokaal een grote behoefte aan (koop)woningen bestaat. De rechtbank stelt echter vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat de woningen die vergunninghoudster wil realiseren bestaan uit grondgebonden koopwoningen in het hoge marktsegment. Om te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang moeten gedeputeerde staten daarom deugdelijk motiveren dat een dringende behoefte óók bestaat aan dit type koopwoningen in Soest. Daarbij kan ook een rol spelen dat met de bouw van dit type woningen op andere wijze wordt bijgedragen aan de dringende behoefte aan woningbouw in de regio, bijvoorbeeld door het bevorderen van doorstroming op de woningmarkt.

17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn gedeputeerde staten er niet in geslaagd om concreet en deugdelijk te motiveren dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan dit type woningbouw in het hoge segment in Soest. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

18. Uit het bestreden besluit, maar ook uit de toelichting tijdens de zitting, volgt dat gedeputeerde staten hun onderbouwing grotendeels baseren op het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg in combinatie met het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] . De rechtbank overweegt allereerst dat gedeputeerde staten uitvoerig hebben geciteerd uit de algemene overwegingen uit deze onderzoeken, maar hebben nagelaten om in hun besluitvorming te specificeren wélke overwegingen of bevindingen uit de genoemde onderzoeken voor deze zaak relevant zijn en waar dat in de gebruikte onderzoeken is beschreven. Een algemene en ongespecificeerde verwijzing naar deze onderzoeken is onvoldoende om de conclusies van gedeputeerde staten over de noodzaak van koopwoningen in het hoge segment in Soest te kunnen dragen.

19. Bestudering van het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] , opgesteld voor de gemeente Soest, geeft bovendien een ander beeld van de woningbehoefte in die gemeente. Uit het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] volgt immers dat in de gemeente Soest vooral behoefte is aan sociale huurappartementen, huurwoningen in de vrije sector en koopappartementen. Volgens dit onderzoek is de uitbreidingsbehoefte aan duurdere grondgebonden woningen beperkt en is zelfs de verwachting dat er op termijn, vanwege vergrijzing, een overschot aan dit type woningen ontstaat. Het onderzoek laat verder zien dat ook de harde plancapaciteit vooral gericht is op dure grondgebonden koopwoningen en sociale huurappartementen en dat koopappartementen en betaalbare woningen niet in de planning staan, terwijl juist daar wel behoefte aan is. De rechtbank komt tot de conclusie dat de uitkomsten van het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] het standpunt dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming hebben ingenomen niet ondersteunen. Zonder heldere en op deze zaak toegesneden motivering is daarom met een verwijzing naar het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] niet inzichtelijk op welke wijze de beoogde woningbouw bijdraagt aan een dringende behoefte aan woningbouw in Soest.

20. In het verweerschrift en op de zitting hebben gedeputeerde staten nog toegelicht dat ook uit het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg een behoefte aan koopwoningen in het hoge segment in de regio volgt. Lokaal zou behoefte bestaan aan 235 dure grondgebonden koopwoningen, zodat de voorgenomen ontwikkeling 2% van deze behoefte vervult. Verder hebben gedeputeerde staten nog toegelicht dat uit het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg volgt dat het realiseren van koopwoningen in het hogere segment, leidt tot verhuisbewegingen waarmee knelpunten in andere segmenten van de woningmarkt kunnen worden weggenomen. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 26 januari 2024 stellen gedeputeerde staten dat het wegnemen van knelpunten op de woningmarkt, bijvoorbeeld door het bevorderen van de doorstroming, ook kan leiden tot het aannemen van een dwingende reden van groot openbaar belang.

21. Het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg kan echter zonder nadere toelichting op zichzelf of in combinatie met het onder 19. beschreven onderzoek van [adviesbureau 1] evenmin leiden tot de conclusie dat de beoogde woningbouw voorziet in een dringende behoefte. De rechtbank overweegt daarover dat het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg is opgesteld in het kader van een ander woningbouwproject van veel grotere omvang. Het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg geeft ook inzicht in verhuisbewegingen en woningbehoefte in de gehele marktregio Utrecht, Zeist en Soest en de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte lokaal (dat wil zeggen: Zeist en Soest) in de marktregio. Het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg is daarmee niet op voorhand onbruikbaar om de kwalitatieve behoefte aan de beoogde woningen in deze zaak te onderbouwen. Maar de enkele verwijzing van gedeputeerde staten naar de lokale behoefte aan 235 dure grondgebonden koopwoningen is daarvoor echter onvoldoende en te weinig specifiek om die behoefte in Soest te onderbouwen. Het woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg geeft naast de vraag naar dure grondgebonden koopwoningen onder andere ook inzicht in het aanbod en de harde plancapaciteit. De besluitvorming en de toelichting van gedeputeerde staten gaat daaraan voorbij en betrekt bijvoorbeeld de harde plancapaciteit uit het Woningmarktonderzoek niet in de onderbouwing van de noodzaak voor dit bouwplan. De motivering van gedeputeerde staten is daarmee onvolledig en onvoldoende genuanceerd voor de conclusie dat een dringende behoefte bestaat aan koopwoningen in het hoge segment. Ten slotte is ook de stelling dat het realiseren van deze woningen tot noodzakelijke verhuisbewegingen leidt niet onderbouwd met concrete verwijzingen naar het Woningbouwonderzoek Vliegbasis Soesterberg of met een op deze zaak en actuele, gespecificeerde toelichting nu de onderzoeken ook enigszins gedateerd zijn. Ook inmiddels gerealiseerde of geplande woningbouwprojecten zijn niet in de motivering betrokken.

22. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het enkele feit dat de beoogde woningen inmiddels zijn verkocht en dat het aantal inschrijvingen voor deze woningen veel hoger lag dan het aanbod, niet direct een onderbouwing is van de dringende noodzaak voor het bouwen van dit type woningen. De rechtbank begrijpt dat de verkoop voor vergunninghoudster een indicatie is van de vraag naar dit type woningen, maar de juridische onderbouwing van de noodzaak vraagt van gedeputeerde staten een deugdelijke en specifiek voor deze omgevingsvergunning opgestelde motivering.

23. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gemotiveerd dat het bouwplan voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang in de zin van artikel 8.74l, eerste lid onder b, onder 3° van het Bkl. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft en hoe gedeputeerde staten dit gebrek kunnen herstellen.

Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden

24. Gedeputeerde staten hebben verder aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat deze nodig is in het kader de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Gedeputeerde staten hebben in dat kader toegelicht dat gemeenten bevoegd zijn om via het omgevingsplan functies aan locaties toe te kennen en voor woningbouw in het bijzonder te bepalen waar bepaalde typen woningen binnen een gemeente moeten worden gerealiseerd. In dit geval is met het bestemmingsplan (nu onderdeel van het omgevingsplan) voor het plangebied vastgesteld dat in het plangebied woningen mogen worden gebouwd. De bestemming van het perceel is gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘wonen met tuin’. Bovendien valt de geplande bebouwing volledig binnen de ‘rode contour’. Dit is de plek waar binnen de gemeente bebouwing verstedelijking is toegestaan. Gedeputeerde staten hebben hier verder nog aan toegevoegd dat de noodzaak van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden juist ook gelegen kan zijn in een kleinere ontwikkeling.

25. Eisers voeren hiertegen aan dat gedeputeerde staten niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het bestemmingsplan zonder hierbij een eigen belangenafweging te maken. Volgens eisers was de aanwezigheid van de das in het gebied nog niet bekend ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan voor het plangebied. De aanwezigheid van de das is daardoor niet betrokken bij de afwegingen die in het kader van het bestemmingsplan zijn gemaakt.

26. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De enkele verwijzing naar het vastgestelde bestemmingsplan en de bevoegdheid van gemeenten om functies aan locaties toe te kennen, is daarvoor onvoldoende. Als gedeputeerde staten de omgevingsvergunning willen verlenen, omdat dit nodig is voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden dan moeten zij daarvoor onderbouwen waarom de ontwikkeling in deze zaak juist op de desbetreffende locatie noodzakelijk is. Daarbij kunnen overwegingen uit het bestemmingsplan over deze locatie een rol spelen, maar het is aan gedeputeerde staten om daar in het kader van de verleende omgevingsvergunning een eigen, voor deze zaak geldende afweging over te maken. Dit betekent dat gedeputeerde staten ook onvoldoende hebben gemotiveerd dat de omgevingsvergunning nodig is in verband met de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De beroepsgronden van eisers slagen. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft en hoe gedeputeerde staten dit kunnen herstellen.

Andere bevredigende oplossingen

27. Eisers voeren aan dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Volgens eisers is de algemene stelling van gedeputeerde staten dat geen alternatieve locatie voor woningbouw voorhanden is, onvoldoende. Gedeputeerde staten hebben daarbij volgens eisers ten onrechte nagelaten om inzichtelijk te maken welke alternatieve locaties zouden zijn onderzocht en waarom deze niet of minder geschikt zijn dan de beoogde locatie.

28. De rechtbank overweegt dat de vraag of geen andere bevredigende oplossing bestaat, moet worden afgezet tegen het doel van de ingreep. De rechtbank baseert zich hiervoor op rechtspraak van de Afdeling. Dit betekent dat gedeputeerde staten bij hun besluitvorming moeten beoordelen of er andere bevredigende oplossingen bestaan die geen of een geringere aantasting van het essentieel foerageergebied van de das veroorzaakt. Bij de beoordeling kunnen alternatieve locaties voor woningbouw een rol spelen. Gedeputeerde staten hebben naar het oordeel van de rechtbank echter nagelaten om in hun besluitvorming inzichtelijk te maken welke alternatieven (locaties) bij de beoordeling een rol hebben gespeeld en waarom deze locaties niet of niet in gelijke mate geschikt zijn. Mogelijk ligt deze beoordeling wel aan de besluitvorming van gedeputeerde staten ten grondslag, maar dit komt onvoldoende tot uitdrukking in het bestreden besluit. Dit betekent dat de besluitvorming van gedeputeerde staten ook een gebrek bevat ten aanzien van de beoordeling van de eventuele andere bevredigende oplossingen. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft en hoe gedeputeerde staten dit kunnen herstellen.

De gunstige staat van instandhouding

29. In het bestreden besluit hebben gedeputeerde staten overwogen dat het verlenen van de omgevingsvergunning geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de das in het gebied. Gedeputeerde staten hebben daarbij de aanwezigheid van de das in het gebied betrokken en de mogelijke cumulatieve effecten van andere (woning)bouwprojecten op de staat van instandhouding. Gedeputeerde staten hebben verder betrokken dat vergunninghoudster mitigerende maatregelen heeft getroffen in de vorm van de aanleg van een alternatief foerageergebied voor de das en het in stand houden van de looproute. Deze zijn opgenomen in het Mitigatieplan 1e Heezerlaantje van 25 juni 2024 opgesteld door [adviesbureau 3] . De conclusie van de beoordeling door gedeputeerde staten is dat de mitigerende en compenserende maatregelen ervoor zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de das in het gebied.

30. Eisers voeren aan dat de aanleg van het compensatiegebied er niet toe leidt dat het leefgebied van de das voldoende in stand blijft. Om het compensatiegebied te bereiken moet de das een weg oversteken waardoor er een groter risico is op verkeersslachtoffers onder de das, vooral wanneer de verkeersintensiteit in de straat toeneemt door het realiseren van extra woningen. Verder wijzen eisers erop dat het compensatiegebied al onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van de das zodat in feite geen compensatie plaatsvindt. Ter onderbouwing hebben eisers het rapport ‘De Das, de omgevingswet en een bouwplan voor het [perceel] in Soest’ van de Dassenwerkgroep overlegd. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat het tenminste drie tot vier jaar duurt tot het bodemleven in het compensatiegebied zodanig is ontwikkeld dat het kan dienen als voedselvoorziening voor de das. Eisers wijzen daarbij op het rapport ‘Voedselbeschikbaarheid voor dassen in relatie tot landgebruik, een nieuwe basis onder compensatieberekeningen’ van [D] . Volgens eiser is dan ook niet aannemelijk dat het compensatiegebied functioneel is voordat de omgevingsvergunning verloopt.

31. De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is op de zitting niet in geschil, dat ‘de bosweide’ bij de manege aan de Bosstraat geen onderdeel uitmaakt van de compenserende of mitigerende maatregelen van de verleende omgevingsvergunning. Partijen zijn het erover eens dat het compensatiegebied is gelegen schuin tegenover het plangebied aan het 1e Heezerlaantje. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten redelijkerwijs mochten concluderen dat de maatregelen uit het mitigatieplan voldoende zijn om een gunstige staat van instandhouding van de das in zijn natuurlijke verspreidingsgebied te behouden. Voor de grootte en inrichting van het compensatiegebied en de looproute hebben gedeputeerde staten zich in redelijkheid gebaseerd op de uitgangspunten uit het ‘Kennisdocument das’ van BIJ12 van juli 2017. De daarin opgenomen uitgangspunten voor het realiseren van nieuw leefgebied voor de das zijn in het mitigatieplan in acht genomen. Zo is de grootte van het nieuwe leefgebied (3.080 m2) 120 procent van het te bebouwen essentieel leefgebied (2.565 m2) om daarmee eventuele kwalitatieve verschillen tussen de gebieden te ondervangen. Daarnaast bestaat het compensatiegebied uit een gras-klaverperceel en hebben gedeputeerde staten als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gesteld dat pas gestart mag worden met werkzaamheden als het compensatiegebied functioneel is. Daarvan is sprake als in het compensatiegebied een volledige grasmat (inclusief kruiden) aanwezig is en de grasmat een eerste keer gemaaid is. Met het rapport van 14 augustus 2025 heeft de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) naar aanleiding van een bezoek aan het compensatiegebied vastgesteld dat het gebied inmiddels functioneel is. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het drie tot vier jaar zal duren voordat het compensatiegebied functioneel is. Gedeputeerde staten hebben zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat uit het rapport van Schröder volgt dat deze termijn geldt voor percelen waar voorheen geen gras heeft gegroeid, terwijl het compensatiegebied een voormalig grasland is. De beroepsgronden van eisers gericht tegen de gunstige staat van instandhouding, slagen niet.

32. De rechtbank oordeelt ten slotte dat het rapport van de RUD van 23 juni 2025, anders dan eisers stellen, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen apart rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Het rapport van de RUD dient uitsluitend ter beoordeling van de functionaliteit van het compensatiegebied en is niet gericht op het realiseren van een rechtsgevolg voor de omgevingsvergunning waar het in deze zaak over gaat.
Conclusie en gevolgen
33. In de overwegingen 17. tot en met 28. van deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de omgevingsvergunning gebreken bevat in de motivering van de noodzaak voor het realiseren van de beoogde woningen op deze locatie en de motivering van het ontbreken van andere bevredigende oplossingen.

34. De rechtbank sluit niet uit dat beide geconstateerde gebreken door gedeputeerde staten kunnen worden hersteld en zij zal hen daartoe in de gelegenheid stellen. Gedeputeerde staten kunnen de gebreken herstellen door alsnog toereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van een groot openbaar belang voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het opzettelijk vernietigen of beschadigen van essentieel foerageergebied van de das. Aannemende dat gedeputeerde staten hun standpunt handhaven dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang die volgt uit de behoefte aan dit type woningbouw, dan moeten zij dat inzichtelijk maken met verifieerbare gegevens. Zoals overwogen in deze uitspraak is daarvoor wel noodzakelijk dat gedeputeerde staten een op dit specifieke bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in de (regio) Soest. Bestaande woningbouwonderzoeken kunnen deze motivering ondersteunen, maar uitsluitend wanneer de volgens gedeputeerde staten relevante uitkomsten van deze onderzoeken nauwkeurig worden beschreven en toegelicht in relatie tot het bouwproject in deze zaak. Daarbij kunnen gedeputeerde staten volstaan met de onderbouwing dat sprake is van een dwingende reden van een groot openbaar belang voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Indien immers deze onderbouwing deugdelijk is, is een nadere onderbouwing dat het nodig is om de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, niet noodzakelijk. Voor zover gedeputeerden staten ook de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden willen handhaven ter onderbouwing van de noodzaak, zullen zij die ook nader moeten onderbouwen.

35. Over de onderbouwing van de andere bevredigende oplossingen overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten dit gebrek kunnen herstellen door inzichtelijk te maken welke alternatieven zij bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Daarbij geldt dat dit gebrek is hersteld als gedeputeerde staten inzichtelijk motiveren dat er geen andere bevredigende oplossingen bestaan die minder verstrekkende gevolgen hebben voor essentieel foerageergebied van de das.

36. Gedeputeerde staten moeten zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik wil maken van de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Als gedeputeerde staten gebruik maken van die gelegenheid, krijgen zij daar acht weken de tijd voor. De rechtbank zal eisers vervolgens in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van gedeputeerde staten. Daarna zal de rechtbank in een einduitspraak beoordelen of de gebreken hersteld zijn en welke gevolgen dat heeft.
Voorlopige voorziening <?linebreak?>
37. Uit deze tussenuitspraak volgt dat de verleende omgevingsvergunning gebrekkig is en dat bij deze staat van de procedure nog onduidelijk is of de gebreken worden hersteld. De rechtbank ziet daarin en met het oog op de belangen van eisers, aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de omgevingsvergunning wordt geschorst in afwachting van het vervolg van de procedure. De grondslag hiervoor is artikel 8:80b, derde lid, van de Awb. De rechtbank weegt hierbij mee dat vergunninghoudster weliswaar heeft toegezegd te wachten met aanvang van de (bouw)werkzaamheden tot twee weken na de uitspraak in deze zaak, maar vergunninghoudster had daarbij een periode tot uiterlijk 29 oktober 2025 voor ogen. Van verdere bereidheid van vergunninghoudster om te wachten met de aanvang van de werkzaamheden is niet gebleken. Daartegenover staat dat elke vorm van werkzaamheden of het bouwrijp maken van het plangebied direct leidt tot onomkeerbare schade aan het essentieel foerageergebied van de das. Ondanks dat de rechtbank ook oog heeft voor de belangen van vergunninghoudster, die al lang bezig is met het verkrijgen van de nodige bestemmingsplanwijziging en omgevingsvergunningen voor het realiseren van haar bouwplan, ziet zij geen andere oplossing dan het tot nader orde schorsen van de omgevingsvergunning. Als vergunninghoudster tijdens de verdere procedure toch met de werkzaamheden wil starten, kan zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken om de getroffen voorziening op te heffen, op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter kan dan een nadere belangenafweging maken.

38. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent dat de rechtbank over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:

- draagt gedeputeerde staten op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of zij gebruik maken van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt gedeputeerde staten in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- schorst de omgevingsvergunning van 1 april 2025 tot de einduitspraak op het beroep;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
<?linebreak?>Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Het beroep ziet op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook op de wijziging van het primaire besluit.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2385.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1146.

Uitspraak van de Afdeling van 9 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:387.

Uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2028, ECLI:NL:RVS:2018:12, ro. 9.1.

Artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3°, van het Bkl.

De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AH6955, overweging 2.6.3, van 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0446, overweging 2.16.1 en van 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701, overweging 2.11.3.

Woningmarktonderzoek [adviesbureau 1] 2023-2040, paragraaf 4.3, p. 31 en 32.

Woningmarktonderzoek [adviesbureau 1] 2023-2040, paragraaf 4.4, p. 33.

ECLI:NL:RBMNE:2024:315.

Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg, 31 oktober 2023, [adviesbureau 2] , vanaf paragraaf 6.3.

Artikel 8.74l, eerste lid, onder b, onder 6°, van het Bkl.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1547, ro. 7.1.

Artikel delen