Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2025:6620

Omgevingswet. Lasten onder dwangsom voor het bouwen van een schuur en een overkapping/veranda. De bouwwerken zijn niet vergunningsvrij, omdat het maximum oppervlak aan vergunningsvrije bouwwerken is overschreden en als gevolg van de nokhoogte. Er is sprake van overtredingen. Het beroep op het vertrouwens-, gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Niet is gebleken van een concrete toe...

Rechtbank Midden-Nederland 2 January 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2025:6620 text/xml public 2026-01-02T11:14:34 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-11 UTR 25/1277 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:6620 text/html public 2026-01-02T11:14:10 2026-01-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:6620 Rechtbank Midden-Nederland , 11-12-2025 / UTR 25/1277
Omgevingswet. Lasten onder dwangsom voor het bouwen van een schuur en een overkapping/veranda. De bouwwerken zijn niet vergunningsvrij, omdat het maximum oppervlak aan vergunningsvrije bouwwerken is overschreden en als gevolg van de nokhoogte. Er is sprake van overtredingen. Het beroep op het vertrouwens-, gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Niet is gebleken van een concrete toezegging waaraan eisers het gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen dat voor het bouwen van de schuur, inclusief de nokhoogte, geen omgevingsvergunning nodig was. Het college heeft de lasten mogen opleggen. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/1277
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen
1. [eiser sub 1].

2. [eiser sub 2], allebei uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M. Nagel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten (het college), verweerder

(gemachtigde: C.J. van der Krans-Oskamp).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: 1. [derde belanghebbende 1] , 2. [derde belanghebbende 2] , allebei uit [plaats] , verzoekers om handhaving. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over lasten onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd voor het bouwen van een schuur met kap en een overkapping/veranda zonder omgevingsvergunning op hun perceel aan het [adres 1] in [plaats] , gemeente Bunschoten. Eisers betwisten dat sprake is van overtredingen, omdat de bouwwerken volgens hen vergunningsvrij zijn. Voor het geval dat eisers wel in overtreding zijn, voeren zij aan dat er bijzondere omstandigheden zijn om in hun geval van handhavend op te treden af te zien. In dit kader doen eisers een beroep op het vertrouwens-, gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de lasten onder dwangsom heeft mogen opleggen. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Het college heeft aan eisers op 8 oktober 2024 (het primaire besluit) een drietal lasten onder dwangsom opgelegd, nadat verzoekers om handhaving het college hadden verzocht om in ieder geval tegen de nokhoogte van de schuur handhavend op te treden. Eisers werden, onder oplegging van een dwangsom van €20.000,- ineens per geconstateerde overtreding, gelast om vóór 15 november 2024: de nokhoogte van de schuur met kap met 0,6 meter te verlagen, gemeten van het naastliggende terrein, de overkapping/veranda te verwijderen en maatregelen te treffen waardoor er geen vuil water vanuit de schuur op de achterliggende sloot wordt geloosd.

3. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Ook hebben zij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met het besluit van 18 november 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 14 februari 2025, waarna de voorlopige voorziening werd ingetrokken. Tegen de verlenging van de begunstigingstermijn hebben verzoekers om handhaving bezwaar gemaakt.

4. In het besluit op bezwaar van 5 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de lasten onder dwangsom voor de schuur en de veranda/overkapping ongewijzigd in stand gelaten. Ook is het college bij de verlenging van de begunstigingstermijn gebleven. Omdat de toezichthouder na het primaire besluit heeft geconstateerd dat de voorzieningen in de schuur op de riolering zijn aangesloten, heeft het college besloten de last over het lozen van vuil water niet te handhaven.

5. Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep bij de rechtbank ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers om handhaving hebben ook schriftelijk op het beroep gereageerd.

6. Op 11 september 2025 heeft het college een voornemen tot invordering aan eisers bekendgemaakt, omdat eisers niet voor 14 februari 2025 aan de lastgeving hebben voldaan, zodat eisers een dwangsom van €40.000,- hebben verbeurd. Het college heeft nog geen definitieve invorderingsbeschikking genomen, zodat het beroep niet ook daartegen is gericht.

7. De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 1] , vergezeld door de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] (toezichthouder) en verzoekers om handhaving.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding

8. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Voor zover verzoekers om handhaving in hun reactie op het beroepschrift nog andere geschilpunten naar voren hebben gebracht, geldt dat de rechtbank daarover geen uitspraak kan doen, omdat verzoekers zelf geen beroep tegen het bestreden besluit hebben ingesteld.

Intrekking beroepsgrond vuil water

9. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgrond over het lozen van vuil water ingetrokken, ook voor zover deze beroepsgrond betrekking heeft op de hoogte van de opgelegde last(en).

Beroepsgrond: maximum bebouwd oppervlak

10. Eisers voeren aan dat de schuur en overkapping vergunningsvrij zijn, waardoor het college het bestreden besluit ten onrechte heeft genomen. De berekening van het college, waaruit volgt dat eisers geen vierkante meters over hebben voor vergunningsvrij bouwen in het achtererfgebied, klopt volgens eisers niet, omdat het college de oorspronkelijke garage buiten beschouwing had moeten laten. De oorspronkelijke garage is volgens eisers onderdeel van het hoofdgebouw geworden en heeft de functie van een bijkeuken. De oorspronkelijke garage heeft ook de uitstraling van een woning, omdat hierop een aan- en opbouw zijn geplaatst. In het kader van de waardering onroerend zaakbelasting is de garage volgens eisers ook altijd aangemerkt als onderdeel van het hoofdgebouw.

11. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat zij met partijen van oordeel is dat op het bestreden besluit de Omgevingswet van toepassing is. Het Omgevingsplan van de gemeente Bunschoten (het Omgevingsplan) bepaalt dat een percentage van het bebouwingsgebied mag worden bebouwd met vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken. De rechtbank stelt vast dat eisers de berekening van het college, zoals volgt uit de vooraanschrijving, van het aantal vierkante meters aan bouwwerken in het achtererfgebied niet hebben betwist. Dat geldt ook voor de oppervlakte van de schuur (55 m2) en de overkapping (17 m2). Eisers betwisten uitsluitend dat de oppervlakte van de oorspronkelijke garage meetelt bij de vaststelling van het aantal vierkante meters aan vergunningsvrije bouwwerken. In dit kader hebben eisers na afloop van de hoorzitting in bezwaar het college schriftelijk verzocht om de garage planologisch onderdeel uit te laten maken van het hoofdgebouw.

12. Op 17 maart 2025 heeft het college een feitelijk antwoord gegeven op het verzoek van eisers. Het college stelt dat het oorspronkelijk hoofdgebouw bepalend is voor de vraag wat is toegestaan aan vergunningsvrije bouwwerken. Tegen de brief van het college hebben eisers bezwaar gemaakt. Het college heeft de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar van eisers tegen de feitelijke mededeling van het college dat de garage geen deel uitmaakt van het oorspronkelijke hoofdgebouw niet-ontvankelijk te verklaren.

13. De rechtbank wijst het verzoek van het college om rechtstreeks beroep af. De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad het bevoegde orgaan is voor het vaststellen en wijzigen van het Omgevingsplan. Dat leidt ertoe dat het college onbevoegd is om op het verzoek van eisers te beslissen en dat de nog te nemen beslissing op bezwaar naar verwachting die strekking zal hebben. Het college zal het verzoek van eisers daarom moeten doorsturen naar de gemeenteraad. De brief van het college van 17 maart 2025 kan hooguit worden gekwalificeerd als een feitelijke handeling, namelijk de weigering om het verzoek door te sturen naar de gemeenteraad.

14. De rechtbank is met het college van oordeel dat voor vergunningsvrij bouwen wordt gekeken naar het oorspronkelijke hoofdgebouw en niet naar de planologische situatie.

In het Omgevingsplan is bebouwingsgebied gedefinieerd als ‘achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw’. Dat voor vergunningsvrij bouwen wordt gekeken naar de grond, met uitzondering van de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw, is ook in rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd. Eisers hebben niet betwist dat de oorspronkelijke garage niet is vergund als onderdeel van het hoofdgebouw. Omdat eisers de berekening van het college verder niet hebben betwist, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers de schuur met kap en de overkapping/veranda hebben gebouwd zonder benodigde omgevingsvergunning. Dat in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (Woz) de garage volgens eisers is aangemerkt als onderdeel van de woning, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat voor vergunningsvrij bouwen het ‘oorspronkelijk hoofdgebouw’ bepalend is.

15. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat voor het bouwen van de schuur en overkapping een omgevingsvergunning nodig is. Omdat eisers hebben gebouwd zonder omgevingsvergunning, terwijl voor bouwwerken van deze omvang een omgevingsvergunning nodig is, zijn eisers in overtreding. Het college was dan ook bevoegd om handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.

16. Voor de schuur geldt dat het college heeft besloten niet handhavend op te treden tegen de overschrijding van het toegestane aantal vierkante meters. Hoewel het college bij het begin van de bouw zou hebben aangegeven dat de schuur met kap in dezelfde contouren (44 m2) als de oude schuur met kap (die volledig door brand is verwoest) moest worden teruggebouwd, is de nieuwe schuur 11 m2 groter geworden. Omdat dit bij diverse controlebezoeken door de toezichthouder niet is opgemerkt, heeft het college besloten tegen de omvang van de schuur niet handhavend op te treden.

Beroepsgrond: nokhoogte van de schuur

17. Eisers voeren aan dat de nokhoogte van de schuur vergunningsvrij is, omdat het college ten onrechte de rioolput in de straat als peil heeft genomen, terwijl dit de aangrenzende grond dient te zijn, en vergunningsvrij een overschrijding van 10% van de nokhoogte is toegestaan. Het college heeft de last tot het verlagen van de nokhoogte van de schuur dus ten onrechte aan eisers opgelegd, omdat geen sprake is van een overtreding.

18. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 14 van deze uitspraak heeft overwogen is voor het bouwen van de schuur een omgevingsvergunning nodig, vanwege de omvang van 55 m2. Omdat een omgevingsvergunning nodig is, wordt de bouwhoogte gemeten volgens de regels van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan, vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Eemdijk’. Hierin is opgenomen dat het peil wordt gemeten vanaf de hoogte van de kruin van de weg. Dat is niet het geval, wanneer de schuur vergunningsvrij zou zijn. Zou de schuur vergunningsvrij zijn, dan wordt de nokhoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein. Het college heeft de bouwhoogte gemeten van de rioolput in de straat, omdat dit volgens het college de kruin van de weg is. Volgens het college is de nokhoogte van de schuur, gemeten volgens de meetmethode van het Omgevingsplan, meer dan 5 meter. Dat hebben eisers op de zitting bevestigd. Dat betekent dat de schuur ook vanwege de nokhoogte niet vergunningsvrij is. Omdat de nokhoogte van de schuur niet vergunningsvrij is en eisers hebben gebouwd zonder vergunning is sprake van een overtreding, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.

19. Het standpunt van eisers dat voor vergunningsvrij bouwen een 10% regeling geldt, waardoor de schuur maximaal 5,5 meter hoog mag zijn, kan de rechtbank niet volgen. De 10% regeling houdt in dat het college, in afwijking van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning kan verlenen, mits de vermeerdering van de voorgeschreven maten niet meer dan 10% bedraagt. Deze regeling geldt dus alleen in gevallen dat het bouwwerk vergunningplichtig is en met de planregels in strijd is. Dat is (onder meer) het geval bij een bouwhoogte van meer dan 5 meter. Met toepassing van deze regeling heeft het college op 10 juli 2025 aan eisers een omgevingsvergunning voor een schuur met kap van 5,5 meter hoog verleend, waartegen zowel door eisers als verzoekers om handhaving bezwaar is ingesteld en waarover een afzonderlijke procedure loopt.

Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien?

20. Bij handhavingsbesluiten geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Van deze beginselplicht tot handhaving mag alleen worden afgezien als handhavend optreden onevenredig is. Dat is het geval als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo’n bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat handhaving onevenredig is, bijvoorbeeld bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Vertrouwensbeginsel

21. Eisers voeren aan dat toezichthouders van het college tijdens de bouw van de schuur meerdere inspecties hebben uitgevoerd. Volgens eisers hebben zij steeds gehandeld na goedkeuring van de toezichthouders. Eisers hebben op de zitting aan de rechtbank gevraagd om een geluidsfragment af te spelen, waarin een van de toezichthouders volgens eisers expliciet erkent dat hij goedkeuring aan het bouwen heeft verleend, met inbegrip van de hoogte van de schuur.

22. Naar de rechtbank begrijpt, doen eisers een beroep op het vertrouwensbeginsel. Bij de boordeling of sprake is van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank eerst beoordelen of de uitlatingen van de toezichthouder kwalificeren als een toezegging. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dienen degenen die zich op het vertrouwensbeginsel beroepen aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen die bij hen redelijkerwijs de indruk hebben gewekt van een welbewuste standpuntbepaling van het college over de manier waarop de handhavende bevoegdheid in hun geval zou worden uitgeoefend. De rechtbank heeft op de zitting bepaald de geluidsopname niet af te laten spelen, omdat het op de weg van eisers had gelegen om het geluidsfragment tijdig voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank (en andere partijen) ter beschikking te stellen. Het overleggen van nieuw bewijsmateriaal op de zitting, acht de rechtbank in strijd met een goede procesorde. De rechtbank is niet gebleken dat eisers het geluidsfragment niet eerder ter beschikking konden stellen. In dit kader stelt de rechtbank vast dat eisers ook tijdens de hoorzitting in bezwaar hebben verzocht om het geluidsfragment af te spelen. Eisers waren dus al geruime tijd in het bezit van het geluidsfragment en hebben voldoende gelegenheid gehad om het geluidsfragment in de beroepsprocedure in te brengen. Dat eisers dat niet hebben gedaan, komt voor hun rekening en risico. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat de toezichthouder een concrete toezegging heeft gedaan dat de schuur, met inbegrip van de nokhoogte, vergunningsvrij is. Bovendien heeft de toezichthouder, die de betreffende uitlating volgens eisers zou hebben gedaan, deze op de zitting bij de rechtbank op 16 oktober 2025 nadrukkelijk betwist. De rechtbank is daarom niet gebleken van een concrete toezegging waaraan eisers het gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen van de schuur, inclusief de nokhoogte, nodig was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel/willekeur

23. Eisers voeren aan dat aan het [straat] in [plaats] minstens vier andere schuren zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd, waarvan sommige zelfs hoger zijn dan de door hen gebouwde schuur die vervangen moest worden na een brand. Het gaat om de adressen [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] . Omdat het college alleen tegen de schuur op hun perceel handhavend heeft opgetreden, heeft het college in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

24. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij voor handhaving prioriteringsbeleid heeft, omdat het college niet de capaciteit heeft om tegen elke overtreding handhavend op te treden. Aan verzoeken om handhaving is in het beleid een hoge handhavingsprioriteit toegekend. Omdat verzoekers om handhaving een handhavingsverzoek hebben ingediend, diende het college in overeenstemming met de eigen beleidsregels handhavend optreden tegen de schuur van eisers. Het college is immers gebonden aan eigen beleid. Omdat tegen de schuren op de percelen waar eisers naar verwijzen geen verzoeken om handhaving zijn ingediend, is de rechtbank met het college van oordeel dat geen sprake is van een gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt om deze reden niet.

Evenredigheidsbeginsel

25. Eisers voeren verder nog aan dat het college uitsluitend handhavend heeft opgetreden op verzoek van verzoekers om handhaving, terwijl daar geen maatschappelijk of gemeentelijk belang mee is gediend. Het college laat zich volgens eisers gebruiken als instrument van verzoekers om handhaving in een burenruzie met eisers.

26. Zoals de rechtbank heeft overwogen moet het college overeenkomstig het eigen handhavingsbeleid handelen. Dat betekent dat het college naar aanleiding van het verzoek om handhaving tegen de schuur handhavend moest optreden. Het college mag alleen van het eigen beleid afwijken als de toepassing daarvan voor eisers gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van het beleid had moeten afwijken. De regels gelden voor iedereen, en dus ook voor eisers. Eisers hebben niet onderbouwd waarom handhaving van de regels in hun geval onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen algemene ruimtelijke belangen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
27. Het beroep is ongegrond. Het college heeft de lasten onder dwangsom mogen opleggen, omdat sprake is van overtredingen. Van bijzondere omstandigheden om in het geval van eisers van handhavend optreden af te zien is de rechtbank niet gebleken. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proces- en reiskosten.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek tot rechtstreeks beroep inzake de reactie van het college van 17 maart 2025 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 22.36, onder a, van het Omgevingsplan van de gemeente Bunschoten (het Omgevingsplan).

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1940.

Uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2015:1897, rechtsoverweging 4.2.

Artikel 5.1, eerste lid, onder a, en artikel 5.6 van de Omgevingswet.

Artikel 1.31 van de planregels.

Artikel 22.24 van het Omgevingsplan.

Artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet, artikel 2.25 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en artikelen 22.26 en 22.27 van het Omgevingsplan.

Artikel 17.2 van de planregels.

Artikel 10.2.2. onder g, van de planregels.

Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, rechtsoverweging 6.1.

Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.

Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 4:84 van de Awb.

Artikel delen