Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit; verduurzamen en uitbreiden woning. Afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland 6 March 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:7609
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2026
Datum publicatie
06-03-2026
Zaaknummer
25/6489
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2025:7609text/xmlpublic2026-03-06T14:39:142026-03-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2025-12-1525/6489UitspraakMondelinge uitspraakProces-verbaalVoorlopige voorzieningNLUtrechtBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7609text/htmlpublic2026-03-06T14:34:082026-03-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2025:7609 Rechtbank Midden-Nederland , 15-12-2025 / 25/6489 Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit; verduurzamen en uitbreiden woning. Afgewezen.
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde M. Trabelsi)
en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. C.E.A. Mendels). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend aan de vergunninghouder voor het in afwijking van het omgevingsplan verduurzamen en het uitbreiden aan de achterzijde van de woning op het adres [adres 1] . Het gaat om een uitbreiding op de begane grond en de eerste verdieping van de woning. Verzoeker is de buurman van vergunninghouder en woont op het adres [adres 2] . Hij is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daartegen bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. 1.1. Het verzoek om voorlopige voorziening is op 15 december op zitting behandeld. Daaraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en de vergunninghouder, vergezeld door zijn partner. 1.2. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de voorzieningenrechter na een schorsing mondeling uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 3. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Vergunninghouder heeft aangegeven niet te willen wachten met het uitvoeren van de werkzaamheden tot op het bezwaar van verzoeker is beslist. Omdat het college pas halverwege dan wel eind februari 2026 een beslissing op het bezwaar zal nemen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van voldoende spoedeisend belang bij het verzoek. Beoordelingskader 4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zo gebrekkig is dat dit in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak daarom eerst een voorlopig oordeel over de kans van slagen van het bezwaarschrift en daarmee over de vraag of de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend of niet. Daarna zal hij beoordelen of de belangen van verzoeker om de omgevingsvergunning te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en de vergunninghouder om de omgevingsvergunning in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker. Voorlopig rechtmatigheidsoordeel 5. Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de uitbouw over twee bouwlagen in strijd is met het Omgevingsplan Hilversum. Het college heeft voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college kan deze vergunning alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6. Verzoeker voert aan dat dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen alvorens er duidelijkheid bestaat over de constructieve veiligheid van het bouwplan. Zijn woning en die van vergunninghouder staan namelijk tegen elkaar aan en delen een gemeenschappelijke fundering of bouwmuur. 7. Het college heeft in het verweerschrift uitgelegd dat de gemeentelijke constructeur de controleberekening van de constructeur van vergunninghouder heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat de fundering het gewicht van de uitbouw kan dragen. Verzoeker heeft voor zijn stelling dat niet aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen argumenten aangedragen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, als er op dit punt al een gebrek kleeft aan het bestreden besluit, dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. Hierin is daarom geen reden gelegen om het bestreden besluit te schorsen. 8. Verzoeker voert verder aan dat het bouwplan leidt tot aantasting van zijn woongenot door verlies van uitzicht, vermindering van privacy en toename van schaduw in zijn tuin. De uitbouw bestaat uit twee verdiepingen, komt verder naar achteren en daardoor buiten het bouwvlak. 9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de woning met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet onaanvaardbaar is. In de omgeving van de woning zijn al meer aanbouwen met een verdieping gerealiseerd. Verder heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat gelet op de ligging van verzoekers woning aan de zuidkant van de woning van vergunninghouder, van de beweerde schaduwwerking als gevolg van de uitbreiding niet of nauwelijks sprake zal zijn. Van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoeker is geen sprake. Ook op dit punt geldt dat een eventueel gebrek, bijvoorbeeld in de motivering, in de bezwaarfase kan worden hersteld. Verder is er geen aanleiding te veronderstellen dat er door de bouw gevolgen zullen zijn die niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De voorzieningenrechter heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat de uitbouw van de woning op de begane grond (geheel of voor een belangrijk deel) ook zonder vereiste van een omgevingsvergunning kan worden gerealiseerd. Dus ook hierin is geen reden gelegen om het bestreden besluit te schorsen. Belangenafweging 10. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog niet is gebleken dat aan het bestreden besluit zodanige gebreken kleven dat de verleende omgevingsvergunning geen stand zal kunnen houden in bezwaar. Tegen die achtergrond weegt de voorzieningenrechter het belang van vergunninghouder bij het kunnen uitvoeren van de omgevingsvergunning zwaarder dan het belang van verzoeker. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de belangen van verzoeker niet zo zwaar wegen dat onverwijlde spoed het nodig maakt om een voorlopige voorziening te treffen. Conclusie en gevolgen 11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 12. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025 door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)